Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4298

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
24-12-2019
Zaaknummer
22-002148-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 10 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-002148-16

Parketnummer: 09-753476-10

Datum uitspraak: 7 maart 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 april 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Congo) op [geboortejaar] 1971,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 21 februari 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht. Voorts is omtrent de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel beslist als nader vermeld in het vonnis.

Dit gerechtshof heeft bij arrest van 4 november 2014 het vonnis waarvan beroep vernietigd, het ten laste gelegde bewezen verklaard en de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht. Voorts is omtrent de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel beslist als nader vermeld in het arrest.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 april 2016 voormeld arrest van dit gerechtshof vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks, althans in de nacht van, 16 tot en met 17 juli 2010 te Gouda opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet twee malen, althans meermalen, in ieder geval eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] in zijn buik en/of in zijn rug, althans in zijn (boven)lichaam, gestoken en/of geprikt en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks, althans in de nacht van, 16 tot en met 17 juli 2010 te Gouda opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet twee malen, althans meermalen, in ieder geval eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] in zijn buik en/of in zijn rug, althans in zijn (boven)lichaam, gestoken en/of geprikt en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair vrijspraak bepleit, een en ander als nader uiteengezet in de door haar overgelegde pleitaantekeningen, alsmede in de tijdens de behandeling in hoger beroep door dit hof van 21 februari 2017 door haar aangehaalde pleitaantekeningen van 20 oktober 2014. Kort en zakelijk weergegeven heeft de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer ook niet in voorwaardelijke zin.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis wordt bevestigd en dat derhalve het ten laste gelegde bewezen dient te worden verklaard, een en ander als nader uiteengezet in het door haar schriftelijk overgelegde requisitoir. Kort en zakelijk weergegeven heeft de advocaat-generaal het standpunt ingenomen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer door hem twee keer met een mes te steken.

Overwegingen van het hof

Het hof overweegt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep als volgt.

De feiten

Over de navolgende feiten bestaat gelet op de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep geen discussie.

In de nacht van 16 op 17 juli 2010 rijdt de verdachte in Gouda op zijn fiets van zijn werk naar huis. Op enig moment, vermoedelijk kort na middernacht, komt hij onderweg het latere slachtoffer [slachtoffer] (ook wel [slachtoffer] genoemd) tegen. [slachtoffer] is een zeer goede bekende van de verdachte. De verdachte heeft in een (toen) recent verleden [slachtoffer] geruime tijd in zijn huis onderdak geboden. Op het moment van de ontmoeting, die nacht, bevindt [slachtoffer] zich in het gezelschap van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuig 3]. De verdachte fietst langs het groepje en wordt vervolgens onverhoeds op agressieve wijze door [slachtoffer] benaderd, terwijl de verdachte op zijn fiets zit: de verdachte wordt van zijn fiets afgetrokken/geduwd door [slachtoffer]. Er ontstaat dan een worsteling tussen [slachtoffer] en de verdachte. De verdachte raakt [slachtoffer] vervolgens tweemaal met een mes in het lichaam, eenmaal in de buik en eenmaal in de rug. Blijkens de rapportages van het NFI is de doodsoorzaak van [slachtoffer] zonder meer te verklaren door het bloedverlies ten gevolge van die steekletsels.

De beoordeling

Over hetgeen zich heeft voorgedaan nadat [slachtoffer] de verdachte van zijn fiets had getrokken/geduwd, lopen de verklaringen van de verdachte en de verklaringen van de getuigen uiteen. Ook is er sprake van wisselende verklaringen. Uit het dossier valt voorts op te maken dat [slachtoffer] die avond verdovende middelen heeft gebruikt, evenals de andere genoemde personen met wie hij was en aannemelijk is geworden dat zij nog onder invloed daarvan waren. Dat brengt het hof er toe behoedzaam en terughoudend om te gaan met het gebruik van hun verklaringen voor het vaststellen van de feiten.

Het hof hecht voor wat betreft de verklaringen van de verdachte, die in de loop der tijd wisselend is gaan verklaren op allerlei onderdelen van de gebeurtenissen, de meeste waarde aan de eerste verklaringen die hij heeft afgelegd bij de politie. Deze verklaringen acht het hof betrouwbaar, nu die verklaringen kort na het gebeurde zijn afgelegd en voor zover zij ondersteuning vinden in het dossier. Aan de aanvankelijke ontkenning van de verdachte dat hij een mes zou hebben gebruikt, gaat het hof voorbij nu daarover, gelet op zijn latere erkenning daarvan, naar het oordeel van het hof geen twijfel (meer) bestaat.

Voorwaardelijk opzet

De verdachte heeft ontkend het slachtoffer opzettelijk van het leven te hebben willen beroven. Het hof ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer [slachtoffer], zoals door het openbaar ministerie is betoogd.

Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden en die kans heeft aanvaard.

De beantwoording van de vraag of een gedraging – zoals in dit geval het steken van het mes in het lichaam van het slachtoffer - de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg, in casu de dood van het slachtoffer, meebrengt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is voorts niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Over het gebruik van het mes heeft de verdachte verklaard: “Ik had het mes gepakt en zag [slachtoffer] op mij af komen lopen. Ik had het mes in mijn linkerhand en stak recht vooruit” […] Ik denk dat ik hem in zijn buik heb geraakt. Het mes ging er niet goed in”.

Het hof gaat er op grond van bovenvermelde verklaring van uit dat de verdachte ook bij het eerste contact tussen het door de verdachte gehanteerde mes en het lichaam van het slachtoffer, de verdachte heeft gestoken. Hetgeen de raadsvrouw ter zake heeft aangevoerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Over het tweede steekmoment heeft de verdachte tijdens dat zelfde verhoor verklaard dat hij vervolgens het slachtoffer in zijn rug stak, ter hoogte van diens longen. Hij voelde dat het mes in zijn geheel in de rug van het slachtoffer verdween en deze keer wel diep ging.

Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat het steken met een mes in de buikstreek, waar zich vitale organen bevinden, en het daarna steken met dat mes in de rug naar zijn aard, naar algemene ervaringsregels, een aanmerkelijke kans op de dood meebrengt.

Het hof stelt vast dat de verdachte het slachtoffer tweemaal met het door hem gehanteerde mes heeft verwond door hem te steken. De tweede steek is door de verdachte toegebracht terwijl hij zich ervan bewust was dat hij het slachtoffer al had verwond. Hij verklaart immers dat het mes in de buik “er niet goed in ging”. Hij verklaart dat vervolgens het slachtoffer gebogen tegen hem aanstond, dat hij, de verdachte, vervolgens zijn linkerarm omhoog heeft gedaan en het mes in de rug van het slachtoffer stak ter hoogte van zijn longen. De steek, zo is vastgesteld, was ongeveer 7,5 cm diep. De verdachte verklaart daarover onder meer: “ik denk dat het lemmet van het mes naar beneden stak en dat ik het handvat in mijn vuist had, het lemmet aan de pinkzijde. Ik voelde dat het mes geheel in zijn rug verdween en deze keer wel diep ging.”

Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verdachte de kans op het overlijden van het slachtoffer door aldus twee keer te steken ook bewust heeft aanvaard.

Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de verdachte door [slachtoffer] met het mes te steken heeft gehandeld met het voorwaardelijk opzet op diens dood.

Het daartegen gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Standpunten van de verdediging

Door de raadsvrouw is ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu aan de verdachte een beroep op (putatief) noodweer, noodweerexces dan wel een beroep op psychische overmacht toekomt, een en ander als nader in de pleitnoties van de raadsvrouw uiteengezet.

Standpunten van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte geen gerechtvaardigd beroep op een rechtvaardigings- dan wel schulduitsluitingsgrond toekomt en dat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde strafbaar moet worden geacht, een en ander als nader uiteengezet in haar schriftelijk requisitoir.

Overwegingen van het hof

Met inachtneming van het hiervoor overwogene bij het gevoerde verweer ter zake van het (voorwaardelijk) opzet, overweegt het hof als volgt.

Noodweer

Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, zal het hof moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden op grond van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Het hof stelt vast dat op het moment dat het latere slachtoffer [slachtoffer] op agressieve wijze de verdachte benaderde door hem terwijl de verdachte op zijn fiets zat, onverhoeds aan te vallen - zoals bij de vaststelling van de feiten eerder in het arrest is beschreven - er sprake was van een noodweersituatie waarbij de verdachte zich tegen die aanval mocht verdedigen, ook met toepassing van gepast geweld. De verdedigingshandelingen van de aangevallene moeten dan voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof is van oordeel dat de belaging van de verdachte door [slachtoffer] weliswaar gewelddadig en bedreigend is geweest, maar niet zodanig dat de verdachte zich mocht verdedigen door middel van messteken in buik en rug op de wijze als hij heeft gedaan.

De verdediging heeft nog betoogd dat het slachtoffer een fiets als wapen heeft gebruikt, door deze boven zijn hoofd te tillen en dreigend op de verdachte af te lopen en de fiets naar hem te gooien.

Het hof volgt de verdediging hierin niet. Het hof is van oordeel dat het gebruik van een fiets op de door de verdediging aangegeven wijze en onder de gegeven omstandigheden, niet maakt dat de fiets kan worden gezien als een wapen, in elk geval niet als een wapen waartegen de verdachte zich met messteken mocht verdedigen.

Het hof merkt ook hier op dat bovendien niet aannemelijk is geworden dat anderen dan de verdachte en het slachtoffer met elkaar in gevecht zijn geweest, dan wel dat daar objectieve dreiging voor was. Het dossier bevat juist aanwijzingen voor het tegendeel: de anderen zouden hebben getracht een einde aan de schermutseling te maken.

Het slachtoffer was ongewapend en de verdachte heeft in een gevecht van man tot man, tot tweemaal toe een mes gehanteerd.

Naar het oordeel van het hof staat in de geschetste omstandigheden het tweemaal steken met een mes in zeer kwetsbare delen van het lichaam niet in een redelijke, proportionele verhouding tot het handelen van het slachtoffer.

Gelet op het bovenstaande heeft de verdachte de grenzen der noodzakelijke verdediging overschreden.

Aan de verdachte komt een beroep op een rechtvaardigingsgrond op grond van de noodweersituatie niet toe.

Noodweerexces

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding en of hem om die reden een beroep op noodweerexces toekomt.

Indien een beroep wordt gedaan op noodweerexces, dient de vraag te worden beantwoord of de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijk verdediging als voormeld het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte, die door de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding is veroorzaakt.

Door de verdediging is gesteld dat er bij de verdachte sprake is geweest van een ‘implosie’. Een en ander zou moeten worden bezien tegen de achtergrond van de al langere tijd durende kwetsende en dreigende, vernederende bejegening van de verdachte door [slachtoffer] en bovendien met inachtneming van het oorlogsverleden van de verdachte in Congo.

Naar het oordeel van het hof is, zo er al sprake is geweest van een dergelijke implosie bij de verdachte, niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een zodanige hevige gemoedsbeweging bij de verdachte dat deze van doorslaggevend belang is geweest voor zijn handelen.

Het hof heeft hierbij mede betrokken dat uit het dossier naar voren komt dat de verdachte na afloop van de confrontatie met het slachtoffer rustig overkomt en niet in paniek lijkt te zijn. Het hof wil aannemen en kan er begrip voor hebben dat in de beleving van de verdachte zijn eerdere ervaringen met de oorlog in zijn land Congo en jarenlange slechte relatie met het slachtoffer, van invloed zijn geweest op zijn gemoedstoestand en een rol hebben gespeeld in de wijze waarop de verdachte heeft gereageerd.

Het hof concludeert evenwel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat dit, ook in samenhang bezien, van doorslaggevend belang is geweest voor het handelen van de verdachte, voor zover het gaat om het veroorzaken van de dodelijke steekwonden.

Het verweer slaagt om die reden niet en het beroep van de verdachte op noodweerexces als schulduitsluitingsgrond wordt verworpen.

Putatief noodweer

De raadsvrouw heeft ook betoogd dat aan de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt.

Ter zitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geroepen werd “Mes, mes”, waardoor de verdachte zich verschoonbaar kon vergissen over de mogelijk levensbedreigende situatie.

Het hof overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er zich omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan de verdachte zich had kunnen vergissen en mocht menen dat hij zich moest verdedigen tegen een mes. Het hof gaat er van uit, op grond van de verklaringen door met name omstanders over het roepen van “Mes, mes”, dat de verdachte al gestoken had, toen deze woorden werden geroepen.

Een beroep op putatief noodweer slaagt dan ook niet en ook dit verweer wordt verworpen.

Psychische overmacht

De raadsvrouw heeft betoogd dat er bij de verdachte een extreme en acute vorm van stress aanwezig was, een vorm van paniek en doodsangst waaronder de verdachte gebukt ging en waaraan hij uiteindelijk toegaf.

Een beroep op psychische overmacht als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht kan slechts slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weestand kon bieden, en dat ook niet hoefde.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd en ook overigens niet is gebleken van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. Het verweer ter zake van psychische overmacht wordt dan ook wegens het ontbreken van voldoende feitelijke grondslag verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Hij heeft [slachtoffer], een voormalige vriend met wie hij al langere tijd in onmin leefde, tweemaal met een mes gestoken, ten gevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. De verdachte heeft aan het slachtoffer het meest kostbare bezit, het leven, ontnomen. Daarnaast is aan de nabestaanden, waaronder zijn nog jonge dochter, een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Bovendien brengen feiten als het onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg. Daarop kan in beginsel ook slechts worden gereageerd met een gevangenisstraf van lange duur.

In matigende zin weegt het hof bij de strafoplegging in belangrijke mate mee dat het de verdachte was die door het slachtoffer onverhoeds werd aangevallen. Het initiatief tot de vechtpartij in de bewuste nacht kwam van de zijde van het slachtoffer, terwijl de verdachte van zijn werk naar huis fietste.

Op grond van het dossier en gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep weegt het hof voorts, in strafmatigende zin, de volgende omstandigheden mee.

De verdachte en het slachtoffer zijn na hun kennismaking eerst gedurende een periode met elkaar bevriend geweest, waarbij de verdachte het slachtoffer heeft geholpen, onder meer door onderdak aan hem te verlenen. Zij kenden elkaar goed, doch hun onderlinge vriendschap is na enige tijd in zwaar weer gekomen en uiteindelijk is de vriendschap verbroken. Het slachtoffer heeft de verdachte na die breuk gedurende een periode van ongeveer vijf jaren op onheuse wijze behandeld, hetgeen begrijpelijkerwijze tot een krenking van de gevoelens van de verdachte heeft geleid. Het hof acht het aannemelijk dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, gedurende die vijf jaren heeft getracht het slachtoffer te ontwijken en niet op zijn bedreigingen heeft gereageerd, hetgeen hem tot aan de dag van het fatale incident is gelukt.

Door de verdediging is gewezen op het oorlogsverleden van de verdachte, eerder in Congo, minst genomen als verzachtende omstandigheid. Het hof acht aannemelijk dat de oorlogservaringen van de verdachte enige rol hebben gespeeld in de beleving van de verdachte van de dreigende situatie en houdt daar in strafmatigende zin enigszins rekening mee.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 februari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof acht al met al in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar passend en geboden.

Het hof heeft geconstateerd dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu het dossier niet binnen de inzendtermijn van 6 maanden na het instellen van het hoger beroep bij het hof is binnengekomen, maar ongeveer vijf maanden later.

Gelet op bovenstaande overschrijding en ook in het algemeen gelet op het tijdverloop, ziet het hof aanleiding om op de op te leggen straf een gedeelte, groot twee maanden, in mindering te brengen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 9.341,13, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het bedrag van de vordering is ter terechtzitting in eerste aanleg verminderd met een bedrag van € 789,22 tot een bedrag van € 8.551,91.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 7.827,21.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, in die zin dat de raadsvrouw primair vrijspraak heeft bepleit.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 7.827,21 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Kosten

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.827,21 (zevenduizend achthonderdzevenentwintig euro en eenentwintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.827,21 (zevenduizend achthonderdzevenentwintig euro en eenentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 74 (vierenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. S. van Dissel, mr. A.J.M. Kaptein en mr. H.A. Holthuis, in bijzijn van de griffier mr. M. Simpelaar.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 maart 2017.