Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:428

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
659-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaarschriftprocedure op grond van art. 262 Sv (bezwaarschrift tegen de uitgebrachte inleidende dagvaarding).

Hoger beroep OvJ tegen beschikking rechtbank (gegrondverklaring bezwaarschrift en buitenvervolgingstelling verdachte)

Duiding inhoud e-mailbericht OM aan raadsman.

Het hof is van oordeel dat deze e-mail een beslissing van het OM inhoudt tot uitstel van de beslissing om al dan niet te seponeren en niet, zoals door de raadsman is betoogd, gekwalificeerd moet worden als een sepot onder (bijzondere) voorwaarde.

Er is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel door niet na een half jaar tot technisch sepot over te gaan

Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep en verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer 09-827096-14

GERECHTSHOF DEN HAAG

Meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gegeven op het hoger beroep tegen de beschikking van de meervoudige raadkamer in strafzaken in de rechtbank

Den Haag in de bezwaarschriftprocedure ex artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Irak) op [dag] 1995,

wonende [adres].

Procesgang

Het bezwaarschrift is gericht tegen de vanwege de officier van justitie in het arrondissement Den Haag uitgebrachte dagvaarding onder parketnummer 09-827096-14 om op 4 april 2016 te verschijnen ter openbare terechtzitting van de rechtbank Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, teneinde terecht te staan ter zake van de feiten zoals vermeld in de aan deze beschikking gehechte tenlastelegging.

De meervoudige raadkamer van de rechtbank Den Haag heeft het bezwaarschrift op 15 maart 2016 behandeld.

Bij beschikking van 22 maart 2016 heeft die raadkamer het bezwaarschrift gegrond verklaard en de verdachte buiten vervolging gesteld.

Tegen deze beschikking heeft de officier van justitie tijdig hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft het hoger beroep op 18 januari 2017 in raadkamer behandeld. Daar zijn gehoord de advocaat-generaal mr. R.J.P. Lambrichts, de verdachte en diens raadsman mr. M. Pestman, advocaat te Amsterdam.

De beschikking waarvan beroep

De beschikking waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich niet verenigt met de daarin vervatte beslissing.

Het hoger beroep

Feiten en omstandigheden

De verdachte is op 27 augustus 2014 tegengehouden bij de Turkse grens. Vermoed werd dat hij op doorreis was naar Syrië om zich aan te sluiten bij de gewapende strijd. Na zijn aanhouding is de verdachte op 1 september 2014 in Nederland in bewaring gesteld op verdenking van (samengevat) het ronselen voor de gewapende strijd en het voorbereiden/bevorderen van een terroristisch misdrijf, althans van het deelnemen en/of meewerken aan training voor terrorisme.

Op 10 september 2014 heeft de raadkamer van de rechtbank Den Haag de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst onder meer onder de bijzondere voorwaarden dat hij zich zal melden bij de reclassering en dat hij zich zal laten begeleiden en alle aanwijzingen van de reclassering zal opvolgen (voorwaarde nr. 7), dat hij Nederland niet zal verlaten (voorwaarde nr. 8) en dat hij zijn paspoort zal inleveren bij de wijkagent (voorwaarde nr. 9).

De reclassering heeft op 18 februari 2015 het hierna te bespreken reclasseringsadvies uitgebracht.

Namens de officier van justitie, mr. H.A.C. Banning, heeft een parketsecretaris bij e-mailbericht van 3 maart 2015 aan de toenmalige raadsman van de verdachte, mr. A.M. Seebregts, bericht dat, kort gezegd, op basis van het strafdossier in de visie van het Openbaar Ministerie (OM) grond bestaat voor strafvervolging van de verdachte doch dat het OM eveneens aanleiding ziet voor het voorwaardelijk seponeren van de strafzaak.

Bij e-mail van 23 maart 2015 heeft mr. Seebregts bericht dat de verdachte niet akkoord gaat met een voorwaardelijk sepot, nu hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit.

Op uitnodiging van het Openbaar Ministerie heeft op 24 april 2015 een voortgangsgesprek plaatsgehad tussen de verdachte en mr. Seebregts en de officier van justitie en de parketsecretaris.

Bij e-mail van 24 april 2015 heeft de parketsecretaris namens de officier van justitie aan mr. Seebregts naar aanleiding van dat gesprek bericht:

“Zojuist hadden de officier van justitie mevrouw Banning en ik met u en uw cliënt de heer [verdachte] (09/827096-14) een voortgangsgesprek inzake — kort gezegd — de casus betreffende uw cliënt. Wij hebben daarbij aangegeven een technisch sepot te geven betreffende het eventuele ronselen door uw cliënt. Betreffende — in artikelen gesproken — 96 lid 2 jo 289a [Sr] zien wij wel mogelijkheden voor vervolging.

Uit opportuniteitstsoverwegingen zien wij echter niet direct het belang uw cliënt te vervolgen. Uit contacten met de reclassering en de wijkagent lijkt het immers goed te gaan met uw cliënt; een vervolging zou dit in onze ogen doorkruisen. Gelet hierop hadden wij een voorstel gedaan de zaak voorwaardelijk te seponeren, opdat de voorwaarden zoals die thans gelden in het kader van de schorsende voorwaarden van uw cliënt en in navolging van het advies van de reclassering zouden blijven gelden. Wij zien ook in, zoals door u gesteld, dat een voorwaardelijk (’beleids’)sepot negatieve gevolgen zouden kunnen hebben op het eventueel verkrijgen van een VOG door uw cliënt.

Gelet hierop hebben wij afgesproken de zaak voor een half jaar ‘aan te kijken’ en te bezien of over een half jaar uw cliënt nog altijd in deze positieve ontwikkeling zit volgens de wijkagent en de hulpverleningsinstanties. Mocht dit positieve geluid over een half jaar nog steeds klinken, zullen wij de zaak tegen uw cliënt (enigszins oneigenlijk) ‘technisch’ seponeren gelet op hetgeen hiervoor reeds werd overwogen over de eventuele negatieve gevolgen van een (voorwaardelijk) ‘beleids’ sepot.”

Op 11 november 2015 heeft de reclassering het hierna te bespreken voortgangsverslag uitgebracht.

Op 19 november 2015 heeft de officier van justitie de verdachte een aanbod gedaan om de strafzaak te seponeren onder voorwaarden, met een proeftijd van achttien maanden.

Zoals verwoord in het e-mailbericht van 4 december 2015, heeft de verdachte dit aanbod niet aanvaard, waarna het Openbaar Ministerie op 17 december 2015 het voornemen heeft kenbaar gemaakt de verdachte strafrechtelijk te vervolgen voor de in de inleidende dagvaarding omschreven feiten.

Standpunt advocaat-generaal

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal, onder overlegging van een document bevattende een tijdlijn en onder verwijzing naar de appelmemorie, het hoger beroep van de officier van justitie toegelicht en geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift.

In de visie van het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat gelet op de inhoud van het hiervoor weergegeven e-mailbericht van 24 april 2015 de verdachte de afspraak met het Openbaar Ministerie heeft mogen opvatten als een voorwaardelijk sepot, in de zin van artikel 167 lid 2 Sv. Aan de verdachte is niet een voorwaardelijke sepot aangeboden; meergenoemde e-mail houdt slechts een uitgestelde beslissing omtrent het al dan niet seponeren van de strafzaak tegen de verdachte, aldus de advocaat-generaal.

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat het dagvaarden van de verdachte in strijd is met het vertrouwensbeginsel en daardoor met de beginselen van een goede procesorde alsmede dat dit ertoe leidt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is, dat het inleidend bezwaarschrift derhalve gegrond is en dat de verdachte ter zake het hem bij dagvaarding tenlastegelegde op grond daarvan buiten vervolging zal worden gesteld.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen bepleit dat de verdachte in hoger beroep, gelijk de beslissing van de rechtbank, buiten vervolging gesteld zal worden.

De raadsman heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg aangevoerde bezwaren, samengevat inhoudende dat uit de e-mail van 24 april 2015 van de parketsecretaris voortvloeit dat de tussen de officier van justitie en de verdachte gemaakte afspraak dient te worden gekwalificeerd als een sepot onder (bijzondere) voorwaarde, te weten “dat over een half jaar uw cliënt nog altijd in deze positieve ontwikkeling zit volgens de wijkagent en de hulpverleningsinstanties”.

Primair heeft de raadsman betoogd dat die voorwaarde om drie redenen nietig is, te weten (1) omdat deze de grenzen van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te buiten gaat, (2) omdat deze vaag en multi-interpretabel en mitsdien voor meerdere uitleg vatbaar is en (3) omdat ten onrechte de controle op naleving daarvan is overgedragen aan derden.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte de voorwaarde niet heeft geschonden.

Door verdachte alsnog te dagvaarden heeft de officier van justitie volgens de raadsman gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging (te weten het vertrouwensbeginsel), hetgeen moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en mitsdien tot buitenvervolgingstelling van de verdachte.

Beschouwingen en oordeel van het hof

Ingevolge artikel 262 lid 5 Sv wordt de verdachte buiten vervolging gesteld indien en voor zover de officier van justitie niet ontvankelijk is.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het weergegeven e-mailbericht van 24 april 2015 van de parketsecretaris, niet kan worden aangemerkt als een voorwaardelijk sepot in de zin van artikel 167 lid 2 Sv. Of sprake is van naar die maatstaf nietige voorwaarden kan dan ook in het midden blijven.

Anders dan wordt betoogd in de appelmemorie waarnaar de advocaat-generaal met instemming heeft verwezen, is voor dit oordeel niet bepalend of aan de in die memorie onder a. tot en met d. opgesomde kenmerken en/of formaliteiten is voldaan, maar wel wat de e-mail zelf over de daarin weergegeven beslissing inhoudt. Naar het oordeel van het hof laat de tekst van deze e-mail op dit punt aan duidelijkheid niets te wensen over: Het Openbaar Ministerie schrijft in te zien dat een voorwaardelijk (’beleids’)sepot negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor het eventueel verkrijgen van een VOG door de verdachte en neemt ”gelet hierop” de beslissing die in de mail wordt meegedeeld, te weten “de zaak voor een half jaar aan te kijken”.

Met de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat het hier een beslissing betreft tot uitstel van de beslissing om al dan niet te seponeren. Gegeven het feit dat het Openbaar Ministerie met het e-mailbericht van 24 april 2015 derhalve geheel noch gedeeltelijk afstand had gedaan van het recht om te vervolgen, staat dat e-mailbericht niet aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in het recht tot strafvordering en dus aan de dagvaarding van de verdachte in de weg.

Vervolgens komt aan de orde of het Openbaar Ministerie met het e-mailbericht van 24 april 2015 een zodanig vertrouwen bij de verdachte heeft opgewekt dat het - in afwijking van de daaraan ontleende verwachtingen - dagvaarden van de verdachte een schending oplevert van de algemene beginselen van behoorlijke procesorde en de niet–ontvankelijkheid van de officier van justitie daaruit volgt.

In dit verband overweegt het hof dat aan de verdachte een technisch sepot in het vooruitzicht is gesteld voor het geval hij “nog altijd in deze positieve ontwikkeling zit volgens de wijkagent en de hulpverleningsinstanties.” en “dit positieve geluid over een half jaar nog steeds” klinkt.

Naar het oordeel van het hof brengt redelijke uitleg van het e-mailbericht mee deze passage in verband te brengen met de voorafgaande zinsnede “Uit contacten met de reclassering en de wijkagent lijkt het immers goed te gaan met uw cliënt”.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte aan de e-mail van 24 april 2015 het vooruitzicht op een technisch sepot mocht ontlenen voor zover na een half jaar naar het oordeel van het Openbaar Ministerie op basis van informatie van wijkagent en reclassering nog steeds sprake zou zijn van een positieve ontwikkeling.

Dat de “positieve ontwikkeling” die in het e-mailbericht wordt genoemd alleen betrekking zou hebben op verdachtes gedachten over de gewapende strijd, zoals door de verdachte is betoogd, hetgeen door het Openbaar Ministerie is betwist, volgt niet uit genoemd e-mailbericht en acht het hof ook overigens niet aannemelijk geworden, gelet op de inhoud van dit e-mailbericht en de betwisting van het Openbaar Ministerie, dat zulks door het Openbaar Ministerie tegen de verdachte zou zijn medegedeeld.

Gegeven de uit de dagvaarding volgende beslissing van het Openbaar Ministerie om niet tot bedoeld technisch sepot over te gaan is de vraag aan de orde of het Openbaar Ministerie terecht heeft beslist dat van bedoelde positieve ontwikkeling niet nog steeds sprake was. Bij de toetsing zal het hof zich gelet op het in het geding zijnde opportuniteitsbeginsel terughoudend dienen op te stellen. Dat betekent dat het hof als maatstaf dient toe te passen of een redelijk lid van het Openbaar Ministerie tot het oordeel zou kunnen komen dat niet nog steeds sprake was van de in het rapport van 18 februari 2015 beschreven positieve ontwikkeling.

In dit verband overweegt het hof verder als volgt.

Uit het op 18 februari 2015 uitgebrachte reclasseringsrapport, dat moet worden geacht de bron te zijn van het in de e-mail van 24 april 2015 gehanteerde uitgangspunt “Uit contacten met de reclassering en de wijkagent lijkt het immers goed te gaan met uw cliënt” blijkt dat geen van de in dat rapport onder hoofdstuk 3 “Diagnose” onderzochte criminogene factoren, te weten “Huisvesting en wonen”, “Opleiding, werk en leren”, “Inkomen en omgaan met geld”, “Relaties met partner, gezin en familie”, “Relaties met vrienden en kennissen”, “Drugsgebruik”, “Alcoholgebruik”, “Geschiedenis van antisociale gedragingen”, “Denkpatronen, gedrag en vaardigheden” en “Procriminele houding”, reden voor zorgen gaf.

Het op 11 november 2015 door de reclassering uitgebrachte voortgangsverslag houdt evenwel in: De heer [verdachte] is vanaf 20 januari 2015 in behandeling bij de Waag. (…) Tijdens de gesprekken kwam naar voren dat er ook psychische klachten speelden. Daar heeft een consult voor plaatsgevonden en is gestart met een medicatietraject, waardoor die klachten zijn verminderd. (In juli 2015 –hof) kreeg hij een forse verhoging van het spanningsniveau en toename van de psychische klachten. Op basis daarvan heeft de psychiater zijn medicatie verhoogd, dit had echter niet het gewenste effect en is daarmee gestopt op verzoek van betrokkene.(…) De ingezette behandeling heeft een positief effect op de heer [verdachte]. De Waag geeft verder aan dat de heer [verdachte] zich positief opstelt in het werken aan zijn problemen. Ondanks alle positieve ontwikkelingen heeft de heer [verdachte] op psychisch en emotioneel vlak nog een weg te gaan, waardoor de Waag een behandeling noodzakelijk acht. Er zal aandacht blijven voor contactherstel tussen ouders en betrokkene, mogelijk in samenwerking met NOAGG (transculturele psychiatrie).

Het hof is van oordeel dat uit dit verslag kan worden afgeleid dat zich medio 2015 een forse verhoging van het spanningsniveau heeft voorgedaan en een toename van psychische klachten. Uit de verdere gang van zaken kan worden afgeleid dat de effecten daarvan zijn teruggedrongen met steun van de hulpverlening waarover de verdachte krachtens de schorsingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis en derhalve als resultaat van de vervolging beschikte. Bij die stand van zaken kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat een redelijk lid van het Openbaar Ministerie niet zou kunnen komen tot het oordeel dat niet nog steeds sprake was van de in het rapport van 18 februari 2015 beschreven positieve ontwikkeling.

Daaruit volgt dat niet kan worden geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie met de beslissing om niet na een half jaar tot technisch sepot over te gaan heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en derhalve niet ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

Het vorenoverwogene voert het hof tot de conclusie dat niet kan worden geoordeeld dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk is, dat er derhalve geen grond bestaat om de verdachte op zijn verzoek buiten vervolging te stellen, dat derhalve het verzoekschrift ongegrond had moeten worden verklaard en dat derhalve de bestreden beschikking zal worden vernietigd en zal worden rechtgedaan als na te melden.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Bouritius, voorzitter, mr. A.J.M. Kaptein en mr. S. Verheijen, leden, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.