Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:427

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
2200092816
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding vergunningvoorschriften. Volgens de voorschriften van de bedrijfsvergunning moest het bedrijf de uitstoot beperken.

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 23
Wetboek van Strafrecht 24
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wet op de economische delicten
Wet op de economische delicten 1
Wet op de economische delicten 2
Wet op de economische delicten 6
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2017/107 met annotatie van S. Pieters
M en R 2017/69 met annotatie van H.J.A. van Ham
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000928-16

Parketnummers: 10-994539-14 en 10-994556-14

Datum uitspraak: 24 februari 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats],

bezoekadres: [adres],

adres curator: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 januari 2017 en 10 februari 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1. en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot geldboete ter hoogte van een bedrag van € 500.000,-.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
zij in de periode van 30 juli 2013 tot en met 21 november 2013 te Rotterdam,

al dan niet opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, heeft gehandeld in strijd met voorschrift 2.14 dat verbonden was aan een omgevingsvergunning dat betrekking had op (een) activiteit(en) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten de krachtens de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bij besluit van 23 januari 2007 met kenmerk (DCMR) 424174 en/of nummer (RWS) ARE / 2007.408 door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat aan haar verleende vergunning voor de inrichting gelegen aan de [adres], sectie [sectie], aangezien,

op of omstreeks 31 juli 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis en/of Oostvoorne en/of Rockanje geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 11 augustus 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 22 augustus 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle en/of Vierpolders geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 27 augustus 2013, meermalen, onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle en/of Vierpolders en/of Oostvoorne en/of Rockanje geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of op

of omstreeks 26 september 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle en/of Vierpolders geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 15 oktober 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of op of omstreeks 30 oktober 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 3 november 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 15 november 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/warenbeperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 21 november 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle en/of Tinte geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was;


2.
zij in de periode van 24 maart 2014 tot en met 15 april 2014 te Rotterdam,

al dan niet opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, heeft gehandeld in strijd met voorschrift 2.14 dat verbonden was aan een omgevingsvergunning dat betrekking had op (een) activiteit(en) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten de krachtens de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bij besluit van 23 januari 2007 met kenmerk (DCMR) 424174 en/of nummer (RWS) ARE / 2007.408 door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat aan haar verleende vergunning voor de inrichting gelegen aan [adres], sectie [sectie], aangezien,

op of omstreeks 24 maart 2014 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 9 april 2014 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 15 mei 2014 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vaststaande feiten en omstandigheden

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast1.

De verdachte vennootschap is een bedrijf dat bio-ethanol produceerde uit granen. Vanaf het moment van oprichting d.d. 20 mei 2010 zijn er bij de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (hierna: DCMR) stankklachten binnengekomen. Vanaf 20 mei 2013 mag er volgens voorschrift 2.14 van de milieuvergunning van 23 januari 2009, geen geur afkomstig van de verdachte bij een geurgevoelige locatie waarneembaar zijn2.

Op 23 september 2013 is aangifte gedaan van vermoedelijke overtreding van de Wet Algemene Bepalingen Overgevingsrecht. Deze aangifte is gedaan door een technisch beleidsmedewerker en een medewerker meldkamer/toezichthouder bij de DCMR te Schiedam die bedrijven controleert op de naleving van de milieuwetgeving3. Bij de productie van bio-ethanol uit granen komt een specifieke gistgeur vrij. Sinds de productiestart van de verdachte en september 2013 zijn bij de meldkamer van de DCMR meer dan 1.100 klachten binnengekomen4. De DCMR beschikt over een meldkamer waar alle klachten over bedrijven binnen het Rijnmondgebied binnenkomen. Bij de meldkamer werken toezichthouders die zijn aangewezen om de betreffende wet- en regelgeving te controleren. Er is een zogenaamde uitrukdienst bestaande uit toezichthouders op het gebied van onder meer bedrijfsspecifieke geurherkenning5. Bij het onderzoeken van een klacht werken de medewerkers van de meldkamer volgens een vast protocol6;

  1. Verifiëring van de klacht bij de plaats vanwaar de klacht is gemeld;

  2. Bepaling of geur overeenkomt met huisgeur van een bedrijf;

  3. Uitsluitingsonderzoek bovenwinds/benedenwinds;

  4. Eventueel bron bij veroorzaker vinden.

Door deze wijze van werken van de uitrukdienst van de meldkamer wordt geverifieerd of de geurklacht wordt veroorzaakt door de verdachte; alleen op deze wijze geverifieerde klachten worden toegewezen aan het bedrijf7.

Van de verdachte mag geen geur afkomstig van de inrichting ter plaatste van een geurgevoelige locatie aanwezig zijn8. Onder meer op de in de tenlastelegging opgenomen data is er door toezichthouders werkzaam bij de meldkamer van de DCMR een onderzoek naar binnengekomen klachten verricht, welke klachten –na onderzoek - werden toegeschreven aan de verdachte.

De verdachte heeft aan [rapport 1] opdracht gegeven om een Plan van Aanpak Geur op te stellen voor de productlocatie te Rotterdam-Europoort9. In het kader van het hoger beroep van de verdachte bij de Raad van de State tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 januari 2014, waarbij onder meer de betrouwbaarheid van de waarnemingen van meldkamermedewerkers van DCMR onderwerp van geschil was is door [rapport 2]10 gerechtelijke Omgevingsdeskundigen op 8 september 2014 een rapportage, uitgebracht. Blijkens die rapportage zijn door de onderzoekers binnen de inrichting van verdachte diverse geuren waargenomen, waaronder een gistlucht, vergistingslucht en een alcohollucht. Dergelijke geuren kunnen worden gerelateerd aan het bedrijfsproces van de verdachte.

Uitdrukkelijk voorgedragen verweren en onderbouwde standpunten

Ter terechtzitting van 26 januari 2017 is namens de verdachte – overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen – betoogd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hieraan heeft de verdediging meerdere verweren ten grondslag gelegd. Kort en zakelijk weergegeven, komen deze verweren in de kern op het volgende neer:

  • -

    Rechtmatigheid van het verkregen bewijs;

  • -

    Niet voldaan aan bewijsminimumregels;

  • -

    Betrouwbaarheid van het bewijs;

o Protocol getest en getraind reukorgaan;

o Opsporen bronnen van stankklachten en waarnemingen vanuit de auto;

o Protocol niet gevolgd en onduidelijkheden in de verslaglegging;

o Andere geurbronnen;

- De delictsbestanddelen ‘opzettelijk’ en ‘onder normale bedrijfsomstandigheden’ kunnen niet worden bewezen.

Rechtmatigheid van het verkregen bewijs

Namens de verdachte stelt de verdediging dat tijdens de bestuursrechtelijke handhaving van de verdachte reeds sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, er dus sprake was van opsporing en van een criminal charge. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat dit aan het uitoefenen van toezichtbevoegdheden niet in de weg, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover de verdachte de aan de verdachte toekomende waarborgen in acht worden genomen. In het onderhavige geval is dit niet gebeurd, hetgeen dient te leiden tot uitsluiting van de waarnemingsverslagen van de toezichthouders en de rapporten van [rapport 1] voor het bewijs.

Het hof stelt voorop dat bevoegdheden die voor het milieustrafrecht relevant zijn, kunnen worden onderscheiden in enerzijds toezichthoudende en anderzijds opsporings- en vervolgingsbevoegdheden. Toezicht is een wijze van controle op het naleven van bepaalde normen door de gecontroleerde om te voorkomen dat de gecontroleerde in strijd met die normen handelt. Toezicht heeft derhalve primair een preventief karakter. Niet naleving van normen kan leiden tot sancties.

Gegeven bovengenoemde vaststaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de toezichthouders van DCMR zich vanaf 2010 tot 23 september 2013 telkens bezig hielden met het uitoefenen van hun controlebevoegdheden. Niet gebleken is dat er op dat moment al sprake was van een verdenking van een strafbaar feit. Het hof stelt vast dat de toezichthouders telkens naar aanleiding van een klacht onderzoek instelden en niet zelf actief klachten opspoorden. De feitelijke gang van zaken hield in dat er naar aanleiding van een klacht in de meldkamer van DCMR, eerst een verificatie plaatsvond, bepaald werd of deze overeenkwam met de geur van de verdachte; er werd een uitsluitingsonderzoek uitgevoerd en de bron werd gezocht.

Het hof stelt voorts vast dat een medewerker van DCMR op 23 september 2013 aangifte heeft gedaan van vermoedelijke overtreding van de Wet algemene Bepalingen Omgevingsrecht door de verdachte. Uit het proces-verbaal van [persoon 2], senior-inspecteur bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar d.d. 14 maart 2014, blijkt dat naar aanleiding van deze aangifte een nader onderzoek is ingesteld. Er heeft dossieronderzoek plaatsgevonden en in december 2013 en januari 2014 zijn getuigen gehoord. Gelet op het bovenstaande gaat het hof ervan uit dat er vanaf 23 september 2013 sprake was van een verdenking van een strafbaar feit, gepleegd door de verdachte. Vanaf dat moment geldt dat het bestaan van de verdenking op zichzelf niet in de weg staat aan het uitoefenen van toezichtsbevoegdheden, mits daarbij de aan de verdachte toekomende waarborgen in acht worden genomen. Voorts mag de toezichtsbevoegdheid niet uitsluitend worden aangewend ter opsporing. Dat daarvan in het onderhavige geval sprake is geweest is overigens niet aannemelijk geworden. Ten aanzien van de strafvorderlijke waarborgen neemt het hof, anders dan de verdediging, geen schending aan. De meldkamermedewerkers van DCMR hebben alleen toezichthoudende bevoegdheden en geen opsporingsbevoegdheid. Na een melding van stankoverlast gingen zij, overeenkomstig het protocol, na wat de aard van de klachten was en of de herkomst kon worden achterhaald. In het kader van die toezichthoudende taken en in het kader van de vergunningen van verdachte zochten zij contact met de verdachte om melding te maken van de klachten en na te gaan of er sprake was van ‘normale bedrijfsomstandigheden’. Gelet op de aard van het toezicht, te weten controle op het naleven van de vergunningsvoorschriften, kan de DCMR medewerkers, die geen opsporingsbevoegdheid hadden, niet het verwijt worden gemaakt dat zij hebben verzuimd om de cautie te geven en dus was er op dit punt geen sprake van een vormverzuim. De verslagen van de medewerkers van de DCMR kunnen dan ook voor het bewijs gebruikt worden.

Onbevoegde toezichthouders

Door de verdediging is bepleit dat de medewerkers ten tijde van hun geuronderzoek met betrekking tot het toezicht op het naleven van de regelgeving waarmee Gedeputeerde Staten zijn belast geen toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Awb waren. Zij waren dus niet bevoegd om gebruik te maken van hun toezichtbevoegdheden, waardoor de geuronderzoeken die door hen zijn verricht en vastgelegd onbevoegd zijn uitgevoerd, hetgeen tot de slotsom moet leiden dat de verslagen van de geuronderzoeken ook om deze reden niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Het hof verwerpt dit verweer. Het antwoord op de vraag of de toezichthouders van DCMR al dan niet op een juiste wijze door het bevoegd gezag zijn aangesteld kan wellicht bestuursrechtelijk van belang zijn; in strafrechtelijke zin is het antwoord op deze vraag in deze zaak niet relevant. Bovendien is niet gesteld of gebleken welk nadeel hierdoor voor de verdachte is veroorzaakt. Wel relevant is dat deze toezichthouders geen (buitengewone) opsporingsambtenaren zijn in de zin van de Wet op de Economische delicten. Dat brengt echter niet met zich dat de bevindingen van deze medewerkers niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Rapporten [rapport 1] / rapportage rapport 2]

Door de raadslieden is voorts bepleit dat het rapport [rapport 1] aan DCMR is verstrekt in het kader van toezicht en de ingezette bestuursrechtelijke handhaving. Het verkrijgen van de rapportages en het latere gebruik van deze rapportages als bewijs in een strafzaak ontdoet het recht van de verdachte om te zwijgen en zichzelf te belasten van zijn betekenis. Verkrijging is aldus in strijd met artikel 6 van het Europees verdrag van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de rapportages dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.

Dit verweer kan niet slagen. Het hof stelt vast dat [persoon 3], medewerker van DCMR, tijdens zijn verhoor als getuige op 9 januari 2014 op de vraag om in het kort het fermentatieproces bij de verdachte te beschrijven en daarbij die procesonderdelen te benoemen die met name de geurklachten veroorzaken heeft verwezen naar een Plan van aanpak Geur [verdachte] versie juli 2013 en hiervan een kopie heeft afgegeven. Het rapport van [rapport 2] is bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg door de officier van justitie aan de rechtbank overgelegd. Opdrachtgever van dit rapport is de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 19 juni 2014. Niet duidelijk is geworden hoe het Openbaar Ministerie aan dit rapport is gekomen. Wat daarvan ook zij, noch uit de processtukken, noch uit het verhandelde ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat de toezichthouder dan wel het Openbaar Ministerie de verdachte op enig moment heeft gedwongen tot verstrekking van de rapportages. Dat het rapport van [rapport 2] niet is opgesteld met het oog op een strafrechtelijke procedure, brengt nog niet met zich dat dit rapport niet voor het bewijs zou mogen worden gebruikt. Bovendien had het rapport van [rapport 1] ook zonder medewerking van de verdachte kunnen worden verkregen; bijvoorbeeld door het doen van een vordering tot uitlevering aan [rapport] op grond van artikel 18 van de Wet op de Economische delicten. Van enige strijd met artikel 6 van het EVRM op dit punt is het hof niet gebleken.

Niet voldaan aan bewijsminimumregels

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de bewezenverklaring van de tenlastegelegde overtredingen door de rechtbank ontoereikend is gemotiveerd. De rechtbank heeft immers de verslagen van de toezichthouders van DCMR aangemerkt als ‘andere geschriften’, deze kunnen echter alleen voldoende wettig bewijs opleveren in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Het hof stelt vast dat zich in het strafdossier buiten de door de verdediging genoemde en door de rechtbank voor het bewijs gebezigde ‘andere geschriften’ een aangifte en drie verhoren van overige getuigen voorhanden zijn. De aangifte en de verklaringen van [getuige 1] afgelegd op 25 november 2013, [getuige 2] van [getuige 3] en [getuige 4] van 22 januari 2014 dienen in onderling verband en samenhang met de overige zich in het dossier bevindende ‘andere geschriften’ te worden gezien. Aldus bezien wordt voldaan aan het bewijsminimum als bedoeld in artikel 344, lid 1 aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

Betrouwbaarheid van het bewijs

De verdediging heeft voorts bepleit dat het voorhanden zijnde bewijsmateriaal onbetrouwbaar is. Het protocol getraind reukorgaan biedt onvoldoende waarborg voor de betrouwbaarheid van de geurwaarneming van de meldkamermedewerkers van DCMR. Daarnaast is het in de ogen van de verdediging wel van doorslaggevende betekenis of het protocol nu wel of niet is gevolgd bij het opsporen en toerekenen van stankklachten. Tot slot valt niet uit te sluiten dat een ander bedrijf dan de verdachte de mogelijk bron van de waargenomen geur kan zijn.

Het hof overweegt als volgt.

In het hiervoor reeds aangehaalde Plan van Aanpak opgesteld door [rapport 1] wordt het traject beschreven dat de verdachte zal moeten doorlopen om te gaan voldoen aan maatregelniveau III volgens het geurbeleid van DCMR voor het Rijnmondgebied. Maatregelniveau II, het niveau waaraan de verdachte (vanaf 20 mei 2013) moet voldoen staat volgende de opstellers van het Plan van Aanpak op dat moment nog zo ver van de in het Plan beoogde situatie volgens maatregelniveau III af, dat speculeren over reductie scenario’s, die gaan tot maatregelniveau II, geen enkel realiteitsgehalte meer heeft. Het tijdpad voor het realiseren van de verschillende reducerende maatregelen wordt gesteld op maximaal een jaar. De conclusie die hieruit volgt is dat medio 2013, maar ook nog geruime tijd daarna de installaties binnen de inrichting van de verdachte meer geur uitstootten dan toegestaan en de verdachte in zoverre in algemene zin niet voldeed aan voorschrift 2.14 van de vergunning.

Gelet op het vorengaande, alsmede op de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en omstandigheden gaat het hof ervan uit dat de emissies van de installaties van verdachte ten tijde van de aan haar ten laste gelegde feiten niet voldeden aan het vereiste maatregelniveau II. Dit heeft tot gevolg gehad dat geuremissies plaats hebben kunnen vinden die ten minste waarneembaar waren in de omgeving van het bedrijf van verdachte. Dat daarvan ook sprake is geweest blijkt uit de vele klachten die door de meldkamer van DCMR zijn ontvangen van bewoners uit de omgeving. Daarbij is veelal melding gedaan van een gistgeur of gist-achtige lucht. Door de medewerkers van de meldkamer van DCMR die allen naast (ruime) praktijkervaring in enige mate zijn getraind in het herkennen en lokaliseren van geuren, is naar aanleiding van meldingen onderzoek gedaan, waarbij ook door hen een gistgeur of gist-achtige geur is waargenomen. Deze geur kan volgens het [rapport 2] rapport worden toegeschreven aan de verdachte, terwijl eveneens is opgemerkt dat het niet aannemelijk is dat de geur wordt veroorzaakt door een ander nabij gelegen bedrijf. In het [rapport 2] rapport is immers geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de gistlucht is toe te schrijven aan andere bedrijven dan dat van de verdachte.

Onder deze omstandigheden, met name ook de veelheid van klachten, in onderling verband en samenhang bezien met de overige vastgestelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval geen reden om te twijfelen aan de geurwaarnemingen en de herkenningen van de meldkamermedewerkers van DCMR. Evenmin ziet het hof reden om te twijfelen aan de conclusies van die meldkamermedewerkers dat de waargenomen geur telkens afkomstig was van verdachte. Uit de verslagen volgt immers, hoewel sommige summier zijn geformuleerd, dat bij het lokaliseren van de herkomst van de geur de standaardwerkwijze zoals neergelegd in het protocol ‘opsporen van bronnen van stankklachten’ is gevolgd. Het hof ziet geen grond voor het oordeel dat de gehanteerde werkwijze in dit geval heeft geleid tot onbetrouwbare resultaten, te meer nu volgens het [rapport 2] rapport in de nabije omgeving van het bedrijf van verdachte geen andere bedrijven gevestigd zijn die een gistgeur of gist-achtige geur verspreiden. Het hof volgt de verdediging voor zover zij stelt dat naleving van het protocol ‘getraind reukorgaan’ op zichzelf onvoldoende waarborg biedt voor de betrouwbaarheid van de geurwaarneming van de meldkamermedewerkers. De enkele deelname aan een geurtest die bovendien niet is gericht op geurherkenning maar op geurgevoeligheid, zegt inderdaad niet zoveel, terwijl de trainingen in het geurlaboratorium en de praktijk niet heel intensief lijken te zijn. Het hof is evenwel van oordeel dat in dit geval het protocol ‘getraind reukorgaan’ en de vraag of daaraan al dan niet is voldaan geen afbreuk doet aan de mate van betrouwbaarheid van de waarneming, meer in het bijzonder gelet op het groot aantal klachten en de kennelijk specifieke gistgeur. De stelling van de verdediging dat er mogelijk andere bronnen bestaan die verantwoordelijk moeten worden gehouden voor de stankoverlast acht het hof in het licht van de hierboven bevindingen van medewerkers van de DCMR alsmede de weergegeven passage in het [rapport 2] rapport onvoldoende onderbouwd en derhalve niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt verworpen.

De delictsbestanddelen ‘opzettelijk’ en ‘onder normale bedrijfsomstandigheden’

De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte bewezen heeft verklaard dat het vergunningsvoorschrift ‘onder normale bedrijfsomstandigheden’ opzettelijk is overtreden. Immers voor zover eventuele overtredingen kunnen worden verbonden aan de uitval van het buurbedrijf [bedrijf], kan niet worden aangenomen dat de verdachte het vergunningsvoorschrift opzettelijk heeft overtreden. Voor zover eventuele overtredingen kunnen worden verbonden aan de uitval van de naverbrander stelt de verdachte zich op het standpunt dat ook in dat geval geen sprake is van opzet en dat in dat geval evenmin sprake is van ‘normale bedrijfsomstandigheden’ zodat deze onderdelen van de tenlastelegging niet bewezen kunnen worden verklaard, aldus de raadsman.

Het hof oordeelt als volgt.

Niet is aannemelijk geworden dat uitval bij het buurbedrijf [bedrijf] haar oorzaak vond in de bedrijfsomstandigheden van de verdachte. Dat is ook niet betoogd door de verdediging. Evenmin is echter aannemelijk geworden, dat, zoals de verdediging aanvoert, de op 31 juli 2013, 30 oktober 2013 en 15 november 2013 opgetreden geuremissies zijn veroorzaakt door een uitval van de [bedrijf]-installatie, dan wel dat de verdachte in die gevallen niet tijdig die geuremissies heeft kunnen verhinderen. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte opzet heeft gehad op het niet beperken van de op 31 juli 2013, 30 oktober 2013 en 15 november 2013 opgetreden geuremissies.

Dat ligt anders bij de opgetreden geuremissie van 9 april 2014. Vast staat dat de verdachte eind 2013 ter bestrijding van de klachten een thermische naverbrander heeft geplaatst. Uit de tabel die als bijlage 3 (p. 34) bij het aanvullend proces-verbaal is gevoegd, is het hof gebleken dat op 9 april 2014 de naverbrander een storing vertoonde. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de geuremissie van die datum ‘onder normale bedrijfsomstandigheden’ heeft plaatsgevonden, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
zij in de periode van 30 juli 2013 tot en met 21 november 2013 te Rotterdam,

al dan niet opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, heeft gehandeld in strijd met voorschrift 2.14 dat verbonden was aan een omgevingsvergunning dat betrekking had op (een) activiteit(en) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten de krachtens de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bij besluit van 23 januari 2007 met kenmerk (DCMR) 424174 en/of nummer (RWS) ARE / 2007.408 door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat aan haar verleende vergunning voor de inrichting gelegen aan [adres], [sectie], aangezien,

op of omstreeks 31 juli 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis en/of Oostvoorne en/of Rockanje geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 11 augustus 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 22 augustus 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle en/of Vierpolders geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 27 augustus 2013, meermalen, onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle en/of Vierpolders en/of Oostvoorne en/of Rockanje geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 26 september 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle en/of Vierpolders geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 15 oktober 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 30 oktober 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 3 november 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 15 november 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/warenbeperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 21 november 2013 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle en/of Tinte geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was;


2.
zij in de periode van 24 maart 2014 tot en met 15 april 2014 te Rotterdam,

al dan niet opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, heeft gehandeld in strijd met voorschrift 2.14 dat verbonden was aan een omgevingsvergunning dat betrekking had op (een) activiteit(en) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten de krachtens de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bij besluit van 23 januari 2007 met kenmerk (DCMR) 424174 en/of nummer (RWS) ARE / 2007.408 door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat aan haar verleende vergunning voor de inrichting gelegen aan [adres], [sectie], aangezien,

op of omstreeks 24 maart 2014 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 9 april 2014 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Maassluis geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was, en/of

op of omstreeks 15 mei 2014 onder normale bedrijfsomstandigheden de emissie(s) van de installatie(s) niet zodanig was/waren beperkt dat ter plaatse van (een) geurgevoelige locatie(s), te weten (een) woonwijk(en) in Brielle geen geur afkomstig van haar inrichting waarneembaar was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Samenloop

De verdediging heeft betoogd dat sprake is van een voortgezette handeling. Niet kan echter worden aangenomen dat, zoals de verdediging stelt, de verschillende strafbare feiten uiting zijn geweest van één ongeoorloofd wilsbesluit, gelet op de relatief ruime periode waarin de verschillende overtredingen zijn gepleegd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat in dit geval sprake is van meerdaadse samenloop.

Kwalificatie

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.3 aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van een bedrag van € 500.000,-.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is een bedrijf gevestigd in het Rijnmondgebied en produceert bio-ethanol uit granen. Binnen haar inrichting zijn verschillende dominantie geurbronnen aanwezig. Om geurhinder te voorkomen in het toch al belaste Rijnmondgebied zijn aan de aan de verdachte verleende vergunning voorschriften verbonden waaronder voorschrift 2.14. De verdachte heeft gedurende langere periode meerdere malen dit voorschrift niet nageleefd. Door de inrichting werd meer geur geëmitteerd dan was toegestaan, hetgeen talrijke klachten en geurhinder bij omwonenden tot gevolg heeft gehad. Het woongenot van velen is hierdoor in ernstige mate aangetast. Vanaf de start van het bedrijf in 2010 is geurhinder een punt van zorg geweest en zijn door de bestuurlijk toezichthouder de nodige dwangsommen opgelegd om de verdachte er toe te bewegen effectieve maatregelen te treffen. Weliswaar heeft de verdachte stapsgewijs verschillende maatregelen getroffen, maar de gestelde norm werd – in ieder geval in de bewezen verklaarde periode - niet steeds gehaald.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een aanzienlijke geldboete.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens een op haar naam betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 januari 2017, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. In beginsel is derhalve een geldboete zoals geëist door het Openbaar Ministerie en in eerste aanleg door de rechtbank opgelegd passend en geboden. Het hof heeft verder meegewogen dat door de verdachte in het kader van de bestuurlijke handhaving hoge dwangsommen zijn verbeurd en neemt in aanmerking dat de verdachte inmiddels in staat van faillissement is verklaard. Hoewel er in de boedel een aanzienlijk bedrag zit, zal een op te leggen geldboete ook uit deze boedel betaald moeten worden en ten koste gaan van het bedrag dat aan schuldeisers zal worden uitgekeerd. Het hof acht de bewezen verklaarde feiten echter te ernstig om een voorwaardelijke geldboete op te leggen of om te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Wel zal het hof in dat verband een aanzienlijk lagere geldboete opleggen dan door het Openbaar Ministerie is gevorderd.

Het hof is – gezien het bovenstaande en alles afwegende en mede vanuit het oogpunt van generale preventie - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de financiële omstandigheden waarin de verdachte verkeert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100.000,- (honderdduizend euro).

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, mr. W.J. van Boven en mr. E.C. van Veen, in bijzijn van de griffier mr. M.Th.A. de Ridder.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 februari 2017.

Mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Tenzij anders vermeld wordt bij gebruik voor het bewijs van processen-verbaal gedoeld op processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering.

2 Een proces-verbaal, d.d. 14 maart 2014, van de Afdeling Toezicht en Handhaving van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, proces-verbaal nummer 130923/18910/001, p. 001 en 002.

3 Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 7 november 2013, van de Afdeling Toezicht en Handhaving van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, proces-verbaal nummer 130923/18910/001D, p. 018.

4 Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 7 november 2013, van de Afdeling Toezicht en Handhaving van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, proces-verbaal nummer 130923/18910/001D, p. 019.

5 Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 7 november 2013, van de Afdeling Toezicht en Handhaving van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, proces-verbaal nummer 130923/18910/001D, p. 021.

6 Een geschrift te weten een protocol ‘Opsporen van bronnen van stankklachten’, p. 173.

7 Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 7 november 2013, van de Afdeling Toezicht en Handhaving van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, proces-verbaal nummer 130923/18910/001D, p. 020.

8 Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 7 november 2013, van de Afdeling Toezicht en Handhaving van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, proces-verbaal nummer 130923/18910/001D, p. 022.

9 Een geschrift te weten een Plan van Aanpak Geur [verdachte] versie juli 2013, p. 0395 ev.

10 Een geschrift te weten een verslag ex artikel 8:47 Algemene Wet bestuursrecht van [rapport 2] Gerechtelijke Omgevingsdeskundigen d.d. 8 september 2014, met kenmerk [rapport 2]-39521, opgemaakt door [persoon 1]. (bwm. 21 vonnis rechtbank)