Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4269

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
200.207.423
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontbinding arbeidsovereenkomst wegens vervallen van arbeidsplaatsen; herplaatsingsverplichting, passende functie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.207.423/01

Zaak-/rekestnummer rechtbank : 5370639 RP VERZ 16-50638

beschikking van 2 juni 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

nader te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. J. van de Kreeke te Spijkenisse,

tegen

ANWB B.V.,

gevestigd te Den Haag,

verweerster,

hierna te noemen: ANWB,

advocaat: mr. K.P.D. Vermeulen te Den Haag.

Het geding

Bij beroepsschrift, ter griffie ingekomen op 13 januari 2017, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter Den Haag van 24 november 2016. ANWB heeft een verweerschrift ingediend dat op 10 maart 2017 is ontvangen ter griffie van het hof. Op 21 april 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten mondeling aan het hof hebben toegelicht. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal is aan partijen toegestuurd en partijen zijn in de gelegenheid gesteld het hof te wijzen op eventuele onjuistheden of onvolledigheden in het proces-verbaal. Van deze mogelijkheid hebben beide partijen per brief van 19 en 24 mei 2017 gebruik gemaakt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In de beschikking waarvan beroep heeft de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.6 een aantal feiten vastgesteld. De door de kantonrechter in de bestreden beschikking vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2. Met inachtneming van de feitenvaststelling door de kantonrechter en in aanvulling daarop wordt in dit hoger beroep uitgegaan van het navolgende.

2.1

ANWB is een organisatie die zich richt op beïnvloeding, belangenbehartiging en dienstverlening op het terrein van mobiliteit, vakantie en vrije tijd. Zij bestaat uit diverse businessonderdelen zoals de Wegenwacht en alarmcentrale, Verzekeringen, Reizen, Retail en Media.

2.2

[verzoekster] is sinds 1 januari 1980 in dienst bij ANWB, laatstelijk in de functie van Contentbeheercoördinator binnen het onderdeel Media, tegen een salaris van € 3.656,79 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en verdere emolumenten, op basis van een dienstverband van 0,84 FTE. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO ANWB van toepassing.

2.3

In 2013 is het onderdeel Media gereorganiseerd.

2.4

In 2015 heeft ANWB besloten het onderdeel Media opnieuw te reorganiseren.

2.5

In het kader van die reorganisatie heeft ANWB in juli 2016 een ontslagaanvraag ten behoeve van [verzoekster] ingediend bij het UWV op de grond dat de reorganisatie leidt tot het verval van de functie van [verzoekster] . UWV heeft bij beslissing van 25 augustus 2016 toestemming voor ontslag van [verzoekster] geweigerd. Het UWV heeft daarbij het volgende overwogen: ‘We achten de functie van themaredacteur een passende herplaatsingsmogelijkheid voor werknemer. We zijn van mening dat het in de rede had gelegen werknemer dit aanbod (nogmaals) te doen alvorens over te gaan tot deze ontslagaanvraag.’

2.6

Bij kort gedingvonnis van 7 april 2016 heeft de kantonrechter Den Haag de vordering van [verzoekster] om ANWB te veroordelen om haar te plaatsen in de functie van themaredacteur voor 32 uur per week (0,84 FTE) afgewezen.

3. ANWB heeft de kantonrechter verzocht – zakelijk weergegeven – de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel b BW jo. artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW. Daarnaast heeft ANWB verzocht voor recht te verklaren dat [verzoekster] niet in aanmerking komt voor een beëindigingsvergoeding op basis van het Sociaal Plan ANWB.

4. [verzoekster] heeft verweer gevoerd en de kantonrechter verzocht het ontbindingsverzoek af te wijzen.

5. De kantonrechter heeft het ontbindingsverzoek van ANWB toegewezen en de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2017 ontbonden. Voorts heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [verzoekster] niet in aanmerking komt voor een beëindigingsvergoeding op basis van het sociaal plan. De kantonrechter heeft bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6. [verzoekster] is in hoger beroep gekomen en heeft zestien grieven gericht tegen de beschikking van de kantonrechter. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking. [verzoekster] verzoekt – zakelijk weergegeven- in hoger beroep:

primair

a. herstel van de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2017, op straffe van een dwangsom;

voor het geval het hof ANWB veroordeelt om met ingang van een latere datum dan 1 februari 2017 de arbeidsovereenkomst te herstellen:

b. aan [verzoekster] te voldoen een brutobedrag gelijk aan het verschil tussen de inkomsten uit arbeid die [verzoekster] had gehad als zij in dienst was geweest bij ANWB en de door haar ontvangen WW-uitkering in de periode van 1 februari 2017 tot aan de datum van herstel van de arbeidsovereenkomst;

c. aan het pensioenfonds een zodanige bijdrage te leveren dat het ouderdomspensioen voor [verzoekster] wordt opgebouwd als ware de arbeidsovereenkomst nimmer geëindigd geweest;

subsidiair

d. in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst veroordeling van ANWB tot betaling van een billijke vergoeding van € 467.995,98;

primair en subsidiair

e. veroordeling van ANWB in de proceskosten in beide instanties.”

7. ANWB heeft bij verweerschrift van 10 maart 2017 gemotiveerd verweer gevoerd en het hof – samengevat weergegeven – verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, bij beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Voor het geval het hof ANWB veroordeelt tot herstel van de arbeidsovereenkomst verzoekt ANWB (i) de door [verzoekster] gevorderde dwangsom af te wijzen, althans te matigen, (ii) [verzoekster] te veroordelen tot terugbetaling van de transitievergoeding van € 77.000 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2017 en (iii) te bepalen dat [verzoekster] geen aanspraak heeft op loon vanaf de datum van herstel van de arbeidsovereenkomst tot de datum van de beschikking van het hof. Tevens verzoekt ANWB het hof rekening te houden met de transitievergoeding. Voorts verzoekt ANWB de subsidiair verzochte billijke vergoeding af te wijzen en [verzoekster] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

Bedrijfseconomische noodzaak

8. Met haar grieven I tot en met IV - die zich voor gezamenlijke behandeling lenen - keert [verzoekster] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat ANWB de noodzaak te reorganiseren voldoende aannemelijk heeft gemaakt. [verzoekster] stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat voor de beoordeling van het verzoek niet relevant is dat de financiële situatie van ANWB als geheel sinds 2013 is verbeterd en dat enkel bepalend is of de financiële situatie binnen het onderdeel Media maakt dat reorganiseren noodzakelijk is. Naar de mening van [verzoekster] had ANWB de financiële kerngegevens voor de afdeling Media moeten aanleveren om de bedrijfseconomische noodzaak te kunnen beoordelen. Voorts wijst zij erop dat de wel aangeleverde cijfers over het onderdeel Media onvolledig zijn en niet zijn gecontroleerd door een externe accountant, en dat het oordeel van de kantonrechter dat ingrijpen noodzakelijk is onjuist is, omdat dit oordeel steunt op het onjuiste oordeel dat ANWB eerder voldoende andere maatregelen heeft genomen. Volgens [verzoekster] blijkt nergens uit dat ANWB heeft getracht op andere wijze tot kostenbesparingen te komen. Ten slotte betoogt [verzoekster] in dit verband dat ANWB heeft nagelaten uiteen te zetten waarom de wijziging in de organisatie ertoe leidt dat nu makkelijker kan worden ingespeeld op veranderingen in de mediawereld.

9. Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW wordt als redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst aangemerkt:

het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.’

In de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015, 2015-0000102290, tot vaststelling van regels met betrekking tot ontslag en de transitievergoeding (verder: de Ontslagregeling) worden nadere regels gesteld met betrekking tot de redelijke grond, herplaatsing en de ontslagvolgorde in geval van bedrijfseconomisch ontslag. Verder volgt uit de Memorie van Toelichting bij de Wwz met betrekking tot het bedrijfseconomische ontslag dat: ‘(…) er wel ruimte moet zijn voor de werkgever om dergelijke beslissingen te nemen. De werkgever moet zijn onderneming zo kunnen inrichten dat het voortbestaan daarvan ook op langere termijn verzekerd is. Dat is niet alleen in zijn eigen belang maar ook in het belang van het behoud van werkgelegenheid in meer algemene zin. Bij de toetsing van die beslissing past dan ook een zekere mate van terughoudendheid (zoals nu ook het geval is)’ (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 43). In de Memorie van Toelichting wordt verder tot uitgangspunt genomen dat de rechter het ontbindingsverzoek aan dezelfde criteria toetst als het UWV (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 31).

10. Het hof is van oordeel dat ANWB mocht beslissen om op grond van bedrijfseconomische redenen te reorganiseren.

10. Hierbij stelt het hof voorop dat het daarbij, gelijk het UWV heeft geoordeeld, gaat om de financiële situatie bij Media, en niet om de financiële situatie bij ANWB als geheel. Zoals uit de Ontslagregeling volgt, moet de noodzaak van het vervallen van arbeidsplaatsen in het geval een onderneming onderdeel uitmaakt van een concern, worden beoordeeld aan de hand van de bedrijfseconomische omstandigheden van de onderneming waar arbeidsplaatsen komen te vervallen. Ook als in concernverband winst wordt gemaakt, maar in de betreffende onderneming verliezen worden gemaakt, kan het laten vervallen van arbeidsplaatsen binnen die onderneming als noodzakelijk worden aangemerkt voor een doelmatige bedrijfsvoering binnen die onderneming. Dat geldt ook in het onderhavige geval, waarin als gevolg van de door ANWB gekozen bedrijfsstructuur Media als onderdeel van ANWB geen rechtspersoonlijkheid bezit.

12. Uit de overgelegde jaarcijfers blijkt dat sinds 2012 voor wat betreft het onderdeel Media sprake is van een dalende omzet. De jaarrekeningen over 2014 en 2015, waarin ook de cijfers van het onderdeel Media zijn opgenomen, zijn goedgekeurd door een accountant. Anders dan [verzoekster] betoogt zijn daarmee de gegevens overgelegd zoals bedoeld in artikel 1.3.1 van de UWV Uitvoeringsregels Ontslag om bedrijfseconomische redenen. Dat de cijfers over 2014 en 2015 niet volledig zijn, zoals [verzoekster] heeft gesteld en door ANWB is erkend, kan [verzoekster] niet baten. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft ANWB toegelicht dat de afwijking maximaal € 500.000 bedraagt. Dit is in verhouding tot het totale eindresultaat over de jaren 2014 en 2015 een gering bedrag.

13. Het hof is voorts van oordeel dat ANWB mocht beslissen in de personeelskosten in te grijpen. Het hof gaat voorbij aan het betoog van [verzoekster] dat – samengevat – ANWB niet eerder voldoende andere maatregelen heeft genomen om het tij te keren. Zoals ANWB onweersproken en onder verwijzing naar producties naar voren heeft gebracht volgt uit het Reorganisatieplan Fase II dat de resultaten van Media na de eerste reorganisatie opnieuw onder druk stonden en dat er in 2016 een verdere terugloop was met meer verlies dan begroot. Daaruit volgt dat de eerder genomen maatregelen niet het beoogde effect hebben gehad. Met haar stelling dat de wijziging van de organisatie niet ertoe leidt dat nu makkelijker kan worden ingespeeld op veranderingen in de mediawereld miskent [verzoekster] dat het criterium is of er een bedrijfseconomische noodzaak is om te reorganiseren. ANWB heeft daarbij terecht naar voren gebracht dat de omstandigheden die (mede) bepalend zijn geweest voor de dalende omzet binnen Media ertoe hebben geleid dat het werk dat [verzoekster] deed, is opgedroogd.

14. Het hof acht hierbij voorts van belang dat de ondernemingsraad bij de reorganisatie is betrokken en hierover positief heeft geadviseerd. De grieven I tot en met IV falen op grond van het voorgaande.

Afspiegelingsbeginsel

15. De grieven V tot en met VII richten zich - kort samengevat - tegen het oordeel van de kantonrechter dat ANWB het afspiegelingsbeginsel niet hoefde toe te passen, omdat geen sprake is van een uitwisselbare functie.

16. Het geschil tussen partijen spitst zich met name toe op de vraag of de nieuwe functie Themaredacteur uitwisselbaar is met de functie Contentbeheercoördinator. Uit artikel 13 lid 1 Ontslagregeling volgt dat een functie uitwisselbaar is met een andere functie indien:

a. de functies vergelijkbaar zijn voor zover het betreft de inhoud van de functie, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties, en de tijdelijke of structurele aard van de functie; en

b. het niveau van de functie en de bij de functie behorende beloning gelijkwaardig zijn.

17. Het hof stelt voorop dat, gelijk [verzoekster] heeft betoogd, niet is uitgesloten dat een nieuw gecreëerde functie uitwisselbaar is met een bestaande (te vervallen) functie, als gevolg waarvan bij het vervallen van de bestaande functie dient te worden afgespiegeld. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 13 van de Ontslagregeling. Voor zover de nieuwe functie op grond van de hiervoor genoemde factoren als uitwisselbaar moet worden beschouwd met de vervallen functie, is geen sprake van het verval van een arbeidsplaats.

18. In het onderhavige geval is de nieuwe functie Themaredacteur naar het oordeel van het hof niet uitwisselbaar met de door [verzoekster] uitgeoefende en vervallen functie Contentbeheercoördinator. Uit de door ANWB in eerste aanleg overgelegde functiebeschrijvingen (producties 2 en 16) blijkt dat de functies significant van elkaar verschillen ten aanzien van de in de functiebeschrijvingen opgenomen onderdelen: doel van de functie, organisatorische positie, resultaatsgebieden en het profiel van de functie. Zo is een Themaredacteur onder meer - anders dan de Contentbeheercoördinator - gehouden trends en ontwikkelingen te volgen en te vertalen, wordt een budget ontvangen voor redactionele activiteiten, dienen de externe freelancers geïnstrueerd en begeleid te worden en is een Themaredacteur verantwoordelijk voor het uitbreiden en onderhouden van een relevant netwerk. Het komt erop neer dat de functie Themaredacteur meer uitvoerend van aard is en die van Contentbeheercoördinator meer ondersteunend. Daarnaast is van belang dat de functie Contentbeheercoördinator is ingeschaald in schaal 12 en de functie Themaredacteur in schaal 13. De functies zijn derhalve ook wat de beloning betreft niet gelijkwaardig. Ter zitting is de functiewaarderingsmethode voor de nieuwe functie Themaredacteur door ANWB toegelicht. Naar het oordeel van het hof heeft de functiewaardering op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Het verweer van [verzoekster] dat ANWB de functie Themaredacteur in functieschaal 13 heeft geplaatst om op die manier de toepassing van het afspiegelingsbeginsel te omzeilen, is onvoldoende onderbouwd. Gelijk het UWV heeft overwogen is niet aannemelijk dat ANWB de functie hoger heeft ingeschaald om meer vrijheid te creëren in het kader van de reorganisatie.

19. De conclusie is dat nu de gehele functiegroep Contentbeheercoördinator is komen te vervallen en deze functie niet uitwisselbaar is met de nieuwe functie Themaredacteur, ANWB niet gehouden was het afspiegelingsbeginsel als bedoeld in artikel 11 en 13 van de Ontslagregeling toe te passen. De grieven V tot en met VII falen.

Herplaatsing

20. De grieven VIII tot en met XI richten zich - samengevat - tegen het oordeel dat herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. [verzoekster] stelt dat dat overschrijding van de formatieruimte met 0,58 fte gevergd kan worden en dat ANWB gehouden is [verzoekster] alsnog in de voor haar passende functie van Themaredacteur te herplaatsen.

20. Het hof is van oordeel dat het aan ANWB als werkgever is om de wijze van werving en selectie te bepalen en om te beoordelen welke werknemer het meest geschikt is voor een bepaalde functie. Dit sluit ook aan op wat hierover in de toelichting bij artikel 9 van de Ontslagregeling (Stcrt. 2015, nr. 12685, p. 15) wordt vermeld:

‘(…) Het is aan de werkgever te beoordelen welke werknemer het meest geschikt is voor het vervullen van eventuele vacatures waarbij hij zijn keuze uiteraard wel moet verantwoorden als die ter discussie wordt gesteld. Echter, in een situatie waarin een categorie uitwisselbare functies wordt opgeheven en een deel van de werkzaamheden wordt voortgezet in een andere (niet met de vervallen functie uitwisselbare; zie artikel 13) functie, ligt het in de rede dat de werknemer die hiervoor geschikt is en op grond van het afspiegelingsbeginsel het laatste voor ontslag in aanmerking zou komen, als eerste in de gelegenheid wordt gesteld deze functie – na sollicitatie – te aanvaarden. (…)’

22. ANWB heeft bij de geschiktheidsbepaling toepassing gegeven aan het sociaal plan (productie 15), dat met de vakbonden is overeengekomen. In het sociaal plan wordt wat de geschiktheidsbepaling betreft een onderscheid gemaakt tussen ‘geschikt’, ‘geschikt te maken’ en ‘ongeschikt’. Dat ANWB onzorgvuldig heeft gehandeld bij de geschiktheidsbepaling is door [verzoekster] niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, gesteld. [verzoekster] is voor de functie Themaredacteur aangemerkt als ‘geschikt te maken’. [verzoekster] heeft onder verwijzing naar een memo van 13 november 2015 gesteld dat partijen het erover eens zijn dat [verzoekster] voor die functie geschikt is. Het hof volgt [verzoekster] niet in deze stelling. In het memo staat (p. 5) dat [verzoekster] “geschikt te maken” is voor de functie Themaredacteur. Dat [verzoekster] zelf in haar commentaar op het verslag en deze conclusie stelt dat “wij [het] met elkaar eens [zijn] dat de functie themaredacteur voor mij een passende functie is” doet daaraan niet af, omdat dit geen door ANWB gedeeld uitgangspunt is. Daar komt bij dat UWV bij de afwijzende beslissing van 25 augustus 2016 hierover heeft overwogen: “(…)We vinden dat u uw keuze [geschikt te maken, toevoeging hof] voldoende heeft verantwoord mede omdat u daarbij erkent dat werknemer over voldoende competenties en/of kwaliteiten beschikt om niet op voorhand te worden afgewezen. (…)

23. Het stond ANWB vrij de werknemers die als ‘geschikt’ waren gekwalificeerd in plaats van [verzoekster] voor de functie Themaredacteur in aanmerking te brengen. Nadat alle werknemers met de kwalificatie ‘geschikt’ in de functie Themaredacteur waren geplaatst, heeft ANWB er in redelijkheid voor kunnen kiezen een andere ‘geschikt te maken’ werknemer in de resterende 0,24 fte voor de functie Themaredacteur te plaatsen. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat plaatsing van [verzoekster] in de functie van Themaredacteur zou leiden tot overschrijding van de formatieruimte van 0,58 fte en dat een dergelijke overschrijding van de formatieruimte van ANWB niet gevergd kan worden. ANWB heeft op dit punt beleidsvrijheid.

24. Ten overvloede overweegt het hof dat uit de toelichting bij artikel 9 van de Ontslagregeling niet kan worden afgeleid dat als een functie wordt opgeheven en een deel van de werkzaamheden wordt voortgezet in een andere (niet met de vervallen functie uitwisselbare) functie, dit betekent dat de werkgever verplicht is de werknemer die hiervoor geschikt is en op grond van het afspiegelingsbeginsel het laatste voor ontslag in aanmerking zou komen, in deze functie te plaatsen. In de toelichting wordt slechts gesteld dat het in de rede ligt dat de werknemer als eerste in de gelegenheid wordt gesteld de functie, na sollicitatie, te aanvaarden. Dat ligt in onderhavig geval niet in de rede nu de methode van selectie in de ANWB CAO is vastgelegd en ANWB overeenkomstig heeft gehandeld. Het staat ANWB vrij een andere werknemer in een dergelijke nieuwe functie te plaatsen, indien zij – na sollicitatie – deze werknemer geschikter acht voor de nieuwe functie.

25. De grieven VIII tot en met XI stuiten af op het onder 20 t/m 24 overwogene.

26. [verzoekster] heeft verder aangevoerd dat ANWB onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht en dat zij in de passende functie Medewerker e-business content herplaatst had kunnen en moeten worden. Het hof is van oordeel dat ANWB door [verzoekster] vacatures toe te sturen en [verzoekster] te laten begeleiden door het outplacementbureau Media-Movers, in voldoende mate aan haar herplaatsingsverplichtingen, die ook in het sociaal plan zijn neergelegd, heeft voldaan. Uit de overgelegde stukken (productie 45) blijkt dat ANWB aan [verzoekster] de vacature Medewerker e-business content heeft toegezonden. Hoewel [verzoekster] erkent dat dit voor haar een passende functie is, heeft zij niet voor deze functie gesolliciteerd. De stelling dat zij niet actief op deze vacature heeft gesolliciteerd, omdat ANWB zich al op het standpunt had gesteld dat zij niet herplaatsbaar was binnen de organisatie, is door [verzoekster] onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt dat deze stelling niet strookt met de vacatures, waaronder die van Medewerker e-business, die ANWB tot eind december 2016 aan [verzoekster] is blijven toesturen (productie 45). Doordat [verzoekster] niet op de functie Medewerker e-business content heeft gesolliciteerd, heeft ANWB in redelijkheid iemand anders in deze functie kunnen plaatsen. Op grond van het voorgaande falen de grieven XII tot en met XV.

27. Uit het voorgaande volgt dat ANWB een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub a BW voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft en zij aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan. Grief XVI faalt derhalve.

28. Slotsom is dat de grieven falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

29. Het hof zal [verzoekster] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van ANWB tot op heden begroot op € 718,00 aan griffierecht en op € 1.788,00 aan salaris advocaat (twee punten in tariefgroep II).

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de besteden beschikking;

- veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ANWB begroot op € 718,00 aan griffierecht en op € 1.788,00 aan salaris advocaat en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F. Damsteegt-Molier, R.S. van Coevorden en M. Brink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.