Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4200

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
200.200.946/01
Rechtsgebieden
Europees civiel recht
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van ongehuwd samenwonenden voor terugbetaling krediet aan Duitse bank. Rechtsverhouding tussen medeschuldenaren te beoordelen naar Duits recht (Bürgerliches Gesetzbuch, §195, 199, 421, 426, 766). Uitzondering op wettelijk uitgangspunt dat medeschuldenaren voor gelijke delen voor terugbetaling verantwoordelijk zijn op grond van §426, Abs. 1 Bürgerliches Gesetzbuch)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.200.946/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 4836473 RL EXPL 16-5266

arrest van 12 december 2017

inzake

[voornaam 1] [achternaam 1] ,

wonende te [woonplaats 1]

appellante in principaal appel, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. M.J.H. Verburg te Roermond,

tegen

[voornaam 2] [verweerder] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal appel, tevens appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: [verweerder] ,

advocaat: mr. P.S.M. van den Enden te Naaldwijk

Het geding

Bij exploot van 22 augustus 2016 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag, gewezen op 31 mei 2016 tussen [appellante] als eiseres en [verweerder] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen daarover is vermeld in rov. 1 van het bestreden vonnis.

Bij memorie van grieven heeft [appellante] acht grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft [verweerder] de grieven weersproken; tevens heeft hij incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van één grief.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [appellante] de grief in het incidenteel appel weersproken.

Beide partijen hebben een antwoordakte genomen.

Partijen hebben ieder hun procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. Partijen hebben elkaar in december 1995 leren kennen. [appellante] woonde op dat moment in Duitsland, [verweerder] woonde toen in Nederland. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gekregen en zijn vanaf januari 1996 gaan samenwonen in Duitsland.

2. Op 18 januari 2005 is tussen partijen enerzijds en de in Duitsland gevestigde [bankinstelling] (hierna: de bank) anderzijds een kredietovereenkomst gesloten (‘Darlehensvertrag’, hierna ook wel: de lening), op grond waarvan de bank aan partijen een totaalbedrag van € 16.276,10 heeft geleend voor de financiering van een [automerk a] (hierna: de auto). De auto is op 21 januari 2005 voor een bedrag van € 11.278,- gekocht bij [autodealer 1] te [plaats] (Duitsland) en is op naam gesteld van [verweerder] .

3. Op enig moment is een einde gekomen aan de relatie tussen partijen. Eind 2006 is [verweerder] verhuisd naar Nederland, waarbij hij de auto heeft meegenomen.

4. Op 14 oktober 2015 heeft [appellante] een Europees betalingsbevel zoals bedoeld in art. 12 van
Verordening (EG) nr. 1896/2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, PbEU 2006, L 399/1 (EBB-Verordening) tegen [verweerder] doen uitvaardigen door de kantonrechter van de rechtbank Den Haag. [verweerder] heeft daartegen tijdig verweer gevoerd op de voet van art. 16 EBB-Verordening. Bij beschikking van 23 december 2015 heeft de kantonrechter van de rechtbank Den Haag beslist dat de procedure krachtens art. 17 EBB-Verordening jo. art. 6 Uitvoeringswet EBB-Verordening wordt voortgezet volgens het gewone burgerlijk procesrecht. De procedure is verwezen naar de rolzitting van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag.

5. Bij vonnis van 31 mei 2016 heeft de kantonrechter van de rechtbank Den Haag de vordering van [appellante] tot veroordeling van [verweerder] om aan haar te betalen een bedrag van € 8.819,12 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, afgewezen, op de grond dat [appellante] haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. De kantonrechter heeft de proceskosten gecompenseerd.

6. [appellante] is tijdig (binnen de door art. 6 lid 6 Uitvoeringswet EBB-Verordening genoemde termijn van drie maanden) van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Zij vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, geïntimeerde alsnog zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te voldoen:

- in hoofdsom een bedrag van € 8.819,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

- de proceskosten in beide instanties, waaronder de door appellante gemaakte proceskosten met inbegrip van het salaris van de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest, en voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn voor betaling;

- de nakosten ter hoogte van € 131,- dan wel, indien betekening van het in deze te wijzen arrest plaatsvindt, van € 199,-.

7. [verweerder] heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het appel en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. In incidenteel appel vordert [verweerder] dat het hof het bestreden vonnis vernietigt voor zover daarin de proceskosten zijn gecompenseerd, en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat [appellante] in de kosten van het geding in eerste instantie wordt veroordeeld, alsmede dat [appellante] wordt veroordeeld in de kosten van het principaal en incidenteel appel.

Rechtsmacht

8. [appellante] heeft haar woonplaats in Duitsland en het geschil van partijen heeft betrekking op een in Duitsland overeengekomen kredietovereenkomst met een Duitse bank. Daarmee heeft de zaak een internationaal karakter en rijst de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in deze zaak. Gelet op de woonplaats van [verweerder] in Nederland, op het moment van inleiden van de onderhavige procedure, stelt het hof ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter op grond van art. 4 lid 1 van Verordening (EU) nr. 1215/2012, PbEU 2012, L 351/1 (EEX-Verordening II) internationaal bevoegd is om van het geschil tussen partijen kennis te nemen.


Principaal appel

9. [appellante] legt aan haar vordering, kort gezegd, het volgende ten grondslag. [appellante] heeft de kredietovereenkomst ondertekend in de veronderstelling dat zij zich slechts borg stelde voor de terugbetaling van de lening door [verweerder] aan de bank. De auto is eigendom van [verweerder] en [appellante] heeft van de auto geen gebruik gemaakt. Nadat [verweerder] eind 2006 naar Nederland was vertrokken, is hij in eerste instantie zijn terugbetalingsverplichting jegens de bank nagekomen, maar op enig moment is hij daarmee gestopt. In de zomer van 2007 heeft de bank [appellante] , als medeondertekenaar van de kredietovereenkomst, aangesproken voor de terugbetaling van de resterende schuld. [appellante] heeft in de periode 3 september 2007 t/m 3 februari 2015 in maandelijkse termijnen van € 50,- in totaal € 4.500,- afgelost op de lening. Op 3 februari 2015 heeft [appellante] een bedrag van € 4.319,12 betaald aan [GmbH A] Deutschland GmbH (hierna: [GmbH A] ), aan wie de bank de vordering terzake de resterende schuld had overgedragen. Op grond van het op de rechtsverhouding tussen partijen toepasselijke Duitse recht dient [verweerder] de door [appellante] terzake de lening betaalde aflossingen van in totaal € 8.819,12 (= € 4.500,- + € 4.319,12) aan haar terug te betalen.

10. [verweerder] verweert zich hiertegen, kort gezegd, als volgt. [appellante] heeft de kredietovereenkomst medeondertekend en is uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de lening aan de bank. Zij kan niet als borgsteller worden aangemerkt. De auto is verzekerd op naam van [appellante] en zij maakte geregeld ook gebruik van de auto. [appellante] is als medeschuldenaar gehouden de helft van de lening af te betalen. Pas als vast komt te staan dat [appellante] meer heeft afbetaald dan de helft van de lening, heeft zij een regresvordering op [verweerder] . [verweerder] heeft maandelijks op de lening afgelost vanaf januari 2005 t/m januari 2008. In januari 2008 is de auto door [autodealer 2] bij hem opgehaald teneinde in Duitsland verkocht te worden en de verkoopopbrengst aan te wenden voor de aflossing van de lening aan de bank. Voor zover de lening niet volledig was afbetaald na aanwending van de verkoopopbrengst van de auto, komt het restant van de schuld voor rekening van [appellante] . Voor zover [appellante] een regresvordering heeft op [verweerder] , beroept [verweerder] zich op verjaring waardoor in ieder geval een deel van de vordering niet meer op hem verhaald kan worden.

11. De grieven I t/m V keren zich tegen rov. 6 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank slechts het standpunt van [verweerder] samengevat heeft weergegeven. De grieven berusten op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, voor zover zij ervan uitgaan dat in rov. 6 van het vonnis één of meer geschilpunten door de rechtbank zijn beslecht. Deze grieven kunnen onbesproken blijven, met dien verstande dat het hof de toelichting op deze grieven wel zal betrekken bij de beoordeling van de overige door het hof wel inhoudelijk te behandelen grieven.

12. Met de grieven VI en VIII legt [appellante] haar vordering in eerste aanleg en de afwijzing daarvan door de rechtbank wegens onvoldoende onderbouwing van de vordering, in volle omvang ter beoordeling voor aan het hof. Het hof oordeelt als volgt. De door beide partijen op 18 januari 2005 ondertekende kredietovereenkomst vermeldt op blz. 1: ‘Die CC-Bank AG (…) gewährt den unten genannten Darlehensnehmen (…) als Gesamtschuldner zu den nachstehenden Bedingungen sowie den in den Geschäfsträumen der Bank ausliegenden “Allgemeinen Geschäftsbedingungen” nachstehendes Darlehen’. Hieruit volgt dat [verweerder] en [appellante] beiden hebben te gelden als schuldenaar terzake de lening. Nu niet van een rechtskeuze is gebleken, moet ervan worden uitgegaan dat de kredietovereenkomst – gesloten door in Duitsland wonende of gevestigde partijen voor de verstrekking van een in Duitsland uit te voeren dienst – wordt beheerst door Duits recht. Op grond van het toepasselijke Duits recht, in het bijzonder de bepalingen van het Bürgerliches Gesetzbuch (BGB), zijn [verweerder] en [appellante] hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de lening aan de bank (§421 BGB). De bank is gerechtigd ieder van partijen voor de nakoming van het volledig openstaande bedrag van de lening aan te spreken.

13. Partijen zijn het erover eens dat [appellante] in de periode van 3 september 2007 t/m 3 februari 2015 maandelijks € 50,- op de lening heeft afgelost bij de bank (d.w.z. 90 termijnen van € 50,- maakt totaal € 4.500,-), en voorts dat [appellante] op 3 maart 2015 (via haar schoonzoon [naam 1] ) een bedrag van € 4.319,12 op de lening heeft afgelost bij [GmbH A] aan wie de bank haar vordering inmiddels had overgedragen; met de betaling aan [GmbH A] is de lening volledig afgelost (MvG, nrs. 2.7 t/m 2.10 en Antwoordakte zijdens [verweerder] , nr. 14). Daarmee staat vast dat [appellante] in totaal € 8.819,12 voor haar rekening heeft genomen terzake de aflossing van de lening. Dat is het bedrag dat [appellante] in hoofdsom vordert van [verweerder] . Is deze regresvordering van [appellante] op [verweerder] toewijsbaar?

14. Voor de beantwoording van deze vraag moet allereerst worden vastgesteld welk recht de rechtsverhouding tussen de medeschuldenaren [verweerder] en [appellante] beheerst. Nu de kredietovereenkomst is gesloten op 18 januari 2005 is op deze vaststelling het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, 19 juni 1980, Trb. 1980, 156 (EVO-Verdrag) van toepassing. Op grond van art. 13 lid 2 EVO-verdrag beheerst het op de kredietovereenkomst toepasselijke Duitse recht eveneens de rechtsverhouding tussen de medeschuldenaren, wanneer de één regres neemt op de ander in verband met de betaling van (een deel van) de vordering aan de schuldeiser. Naar Duits recht geldt dat [verweerder] en [appellante] in hun onderlinge verhouding voor gelijke delen voor de terugbetaling van de lening verantwoordelijk zijn, ‘soweit nicht ein anderes bestimmt is’ (§426, Abs. 1 BGB). Wanneer een van de schuldenaren meer op de lening heeft afgelost dan het aandeel waarvoor hij verantwoordelijk is, kan hij voor het door hem te veel betaalde deel regres nemen op zijn medeschuldenaar, als ware hij de oorspronkelijke schuldeiser (§426, Abs. 2 BGB).

15. Voor zover [appellante] stelt dat tussen partijen een andere verdeling dient te gelden terzake de terugbetaling van de lening dan het wettelijke uitgangspunt van verdeling bij helfte, geldt het volgende. De uitzondering (‘soweit nicht ein anderes bestimmt is’) op het wettelijke uitgangspunt van verdeling bij helfte wordt naar Duits recht ruim uitgelegd (Staudinger BGB, §426, Rn. 4: In der Praxis ist die (…) anderweitige Bestimmung der Regelfall und die Haftung nach Kopfteilen die Ausnahme’; vgl. Rn. 50, 51). De uitzondering kan onder andere gebaseerd zijn op een wettelijke regeling of een overeenkomst tussen partijen dan wel volgen uit de omstandigheden van het geval. Aangenomen wordt dat bij het vaststellen van ieders aandeel voor de terugbetaling van een lening in de onderlinge verhouding tussen de schuldenaren in geval van een kredietovereenkomst van belang is de mate waarin ieder der schuldenaren heeft geprofiteerd van het krediet (Staudinger BGB, §426, Rn. 79: ‘Bei einem Darlehen ist für das Ausgleichsverhältnis entscheidend, inwiefern den ten einzelnen Gesamtschuldnern das Darlehen zugute kommt’).

16. Het hof volgt [appellante] niet in haar stelling dat de terugbetaling van de volledige lening ten laste van [verweerder] dient te komen, omdat tussen partijen afgesproken zou zijn dat [appellante] slechts als borgsteller zou fungeren jegens de bank. Reeds uit de kredietovereenkomst blijkt dat [appellante] medeschuldenaar is terzake de lening, nog daargelaten dat de door [appellante] gestelde borgstelling niet op schrift is gesteld terwijl dat in beginsel wel een vormvereiste is voor een borgstelling naar Duits recht (§766, Abs. 1 BGB). Voor zover [appellante] zich erop beroept dat er tussen partijen overeenstemming over bestond dat de koopprijs en dus ook de lening alleen ten laste van [verweerder] zou komen, heeft zij deze stelling onvoldoende feitelijk onderbouwd. Wat betreft de stelling van [appellante] dat de omstandigheden van het geval een andere verdeling dan het wettelijke uitgangspunt van verdeling bij helfte rechtvaardigen, overweegt het hof als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de volledige lening is aangewend voor de financiering van de auto (MvA in incidenteel appel, nr. 2.7 en Antwoordakte zijdens [verweerder] , nr. 14). De auto werd gekocht ter vervanging van de total loss gereden [automerk c] , die door [verweerder] – onder meer – werd gebruikt voor woon-werkverkeer. De koopovereenkomst van 19 januari 2005 terzake de [automerk a] is gesloten tussen [autodealer 1] als verkoper en [verweerder] als koper. De auto was op naam gesteld van [verweerder] . Ook was de factuur van de auto aan hem gericht. [verweerder] maakte de afspraken met de garage voor onderhoud van de auto. [verweerder] erkent (MvA, nr. 13) dat [appellante] toendertijd zelf ook een – eveneens door een bank gefinancierde – auto ( [automerk b] ) had. Hij heeft de auto meegenomen toen hij eind 2006 naar Nederland verhuisde. Vervolgens heeft hij de auto in januari 2008 meegegeven aan [autodealer 2] om te verkopen in Duitsland en de verkoopopbrengst aan te wenden voor de aflossing van de lening. Op grond van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de auto overwegend door [verweerder] moet zijn gebruikt. Het is vooral [verweerder] geweest die profijt heeft gehad van de kredietovereenkomst. Echter, kan niet worden uitgesloten dat [appellante] , als levensgezel althans huisgenoot van [verweerder] , ook wel eens gebruik heeft gemaakt van de auto. Daarbij komt dat de auto – net zoals de [automerk c] – kennelijk nodig was voor het woon-werkverkeer van [verweerder] . Onweersproken is dat de kosten van de huishouding van partijen werden voldaan uit hun gezamenlijke inkomens. De auto was dus noodzakelijk voor het verwerven van inkomen door [verweerder] , waarvan [appellante] ook profiteerde. In het licht van deze overweging wordt het bewijsaanbod van [appellante] van haar stelling dat alleen [verweerder] gebruik gemaakt heeft van de auto gepasseerd nu het hof deze stelling niet doorslaggevend acht voor de verdeling van de draagplicht van de lening. Ook het bewijsaanbod van [verweerder] wordt als niet ter zake doende en onvoldoende gespecificeerd gepasseerd.

17. Tegen deze achtergrond acht het hof het op grond van het toepasselijke Duitse recht redelijk om het aandeel van partijen voor de terugbetaling van de lening in hun onderlinge verhouding als volgt vast te stellen: 80% ten laste van [verweerder] en 20% ten laste van [appellante] . Dit betekent dat [appellante] 20% van € 16.276,10 = € 3.255,22 van de lening voor haar rekening zal moeten nemen. Aangezien [appellante] een bedrag van € 8.819,12 heeft afgelost op de lening, heeft zij uit hoofde van haar regresrecht (§426, Abs. 2 BGB) een vordering van € 5.563,90 op medeschuldenaar [verweerder] .

Verjaring

18. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat, voor zover [appellante] een regresvordering op hem heeft verkregen, deze vordering, in ieder geval deels, is verjaard. In hoeverre gaat dit verjaringsverweer op? Volgens het toepasselijke Duitse recht bedraagt de verjaringstermijn in dit geval drie jaar (§195 BGB) en vangt deze termijn aan, kort gezegd, bij het einde van het kalenderjaar waarin de vordering is ontstaan en de schuldeiser kennis heeft gehad van de omstandigheden die tot de vordering aanleiding hebben gegeven en van de identiteit van de schuldenaar (§199, Abs. 1 BGB).

19. Dit betekent dat de vordering van [appellante] , voor zover deze is gebaseerd op de betaling aan [GmbH A] van een bedrag van € 4.319,12 op 3 maart 2015, niet is verjaard.

20. Wat betreft de vordering van [appellante] , voor zover deze is gebaseerd op de maandelijkse betalingen aan de bank van € 50,- in de periode van 3 september 2007 t/m 3 februari 2015, geldt het volgende. Naar Duits recht geldt de uitvaardiging van een Europees betalingsbevel krachtens de EBB-Verordening als een handeling die de verjaring stuit (§ 204, Abs. 1, Nr. 3 BGB). Op 14 oktober 2015 heeft [appellante] een Europees betalingsbevel tegen [verweerder] doen uitvaardigen door de kantonrechter van de rechtbank Den Haag. Daarmee is de verjaring van de vordering gestuit voor zover het de maandelijkse betalingen vanaf 1 januari 2012 t/m 3 februari 2015 betreft. Het gaat dan om een totaalbedrag van (38 termijnen van € 50,- maakt) € 1.900,-. Voor de regresvordering die is ontstaan naar aanleiding van de maandelijkse betalingen die daarvoor zijn verricht (in de periode 3 september 2007 t/m 31 december 2011), is de verjaringstermijn van drie jaar uiterlijk op 1 januari 2012 aangevangen en uiterlijk op 1 januari 2015 voltooid. In dat verband is gesteld noch gebleken dat [appellante] een stuitingshandeling heeft verricht, hetgeen tot gevolg heeft dat haar regresvordering terzake de maandelijkse aflossingen t/m 31 december 2011 naar Duits recht zijn verjaard.

Conclusie

21. Uit het voorgaande blijkt dat (€ 4.319,12 + € 1.900,- =) € 6.219,12 van de regresvordering van [appellante] niet wordt getroffen door het verjaringsverweer van [verweerder] . Gelet op de in rov. 17 door het hof vastgestelde verdeelsleutel tussen partijen terzake de terugbetaling van de lening, komt daarvan € 5.563,90 voor toewijzing in aanmerking.

Principaal en incidenteel appel

Proceskosten

22. Met de grieven VII en VIII bestrijdt [appellante] , evenals [verweerder] in incidenteel appel, de beslissing van de rechtbank om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. Het hof verenigt zich met dat oordeel van de rechtbank, omdat partijen in een informele relatie met elkaar hebben samengewoond en het onderhavige geschil rechtstreeks verband houdt met deze relatie. De grieven falen derhalve. De proceskosten in hoger beroep zullen eveneens worden gecompenseerd.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij de vordering van [appellante] is afgewezen;

veroordeelt [verweerder] om aan [appellante] te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 5.563,90, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, C.M. Warnaar en F. Ibili en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2017 in aanwezigheid van de griffier.