Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4197

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
22-003116-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zedenzaak waarin het hof eerder een 6-jarig meisje,van wie de moeder bezwaar had gemaakt tegen het horen van haar als getuige, niet als getuige heeft doen horen, maar als compensatie daarvoor de moeder van het meisje als getuige heeft doen horen. Na terugverwijzing door de Hoge Raad ziet het hof af van het verhoor van het meisje als getuige en spreekt verdachte vrij van het betreffende feit en veroordeelt de verdachte voor een ander feit.

Feit 2: De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een (destijds) vijftienjarig meisje. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, waarvan 13 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003116-17

Parketnummer: 09-715839-12

Datum uitspraak: 22 december 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 januari 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Zuid-Afrika) op [geboortejaar] 1970,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 26 oktober 2017 en 12 december 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 28 mei 2012 te Waddinxveen met [aangeefster 1], geboren op [geboortejaar] 1996, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van en/of knijpen in en/of wrijven over de dij en/of de bil en/of (de binnenkant van) het (boven)been van die [aangeefster 1], in de richting van haar vagina;

2:
hij op of omstreeks 25 juli 2012 te Waddinxveen met [aangeefster 2], geboren op [geboortejaar] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het wrijven over en/of knijpen in de bil(len) en/of de dij(en) van die [aangeefster 2].

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden de algemene en bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep en tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken

Verzoek tot het als getuige horen van [aangeefster 2]

De verdediging heeft in hoger beroep verzocht [aangeefster 2] als getuige te (doen) horen. Nu het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit, heeft de verdachte bij dat horen geen in rechte te respecteren belang. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Verweer met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster 1].

Ter terechtzitting in hoger beroep op 12 december 2017 is door de raadsman kort gezegd betoogd dat de verklaringen van aangeefster [aangeefster 1] onvoldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te kunnen bezigen, omdat die verklaringen op cruciale punten niet overeenkomen met de verklaringen van haar broer [getuige 1] en getuige [getuige 2].

Het hof overweegt als volgt.

Aangeefster [aangeefster 1] heeft bij haar aangifte helder en consistent verklaard over de wijze waarop de door haar beschreven ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden. Haar verklaring afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 11 augustus 2015 met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde komt naar het oordeel van het hof op belangrijke punten overeen met haar verklaring afgelegd bij de politie. De verklaringen zijn op hoofdlijnen consistent en vinden bovendien op belangrijke punten steun in de verklaringen van [getuige 1] en getuige [getuige 2]. De kleine inconsistenties die in de verklaringen voorkomen maken dit naar het oordeel van het hof niet anders. De verklaringen kunnen derhalve voor het bewijs gebezigd worden.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 28 mei 2012 te Waddinxveen met [aangeefster 1], geboren op [geboortejaar] 1996, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van en/of knijpen in en/of wrijven over de dij en/of de bil en/of (de binnenkant van) het (boven)been van die [aangeefster 1], in de richting van haar vagina.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij een keer in het bubbelbad in zwembad [x] zat en dat er een jongen en een meisje bij hem in dat bad zaten. De jongen en het meisje zaten hem onder water te schoppen. Uit de uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden doelt de verdachte hier op de confrontatie met [aangeefster 1] en haar broertje op 28 mei 2012.

De verdachte geeft daarmee aan dat er op die dag en plaats enige vorm van lichamelijk contact is geweest met [aangeefster 1].

De verdachte heeft gesteld dat, zo er al aanrakingen bij [aangeefster 1] hebben plaatsgehad, die niet bewust, maar toevallig en onwillekeurig moeten zijn geweest. Het hof verwerpt die stelling, in het bijzonder gelet op de inhoud van de op 4 juni 2012 bij de politie afgelegde verklaring van [aangeefster 1]. In dit verband merkt het hof nog op dat het op zijn minst opmerkelijk is dat de verdachte zich tijdens het verhoor bij de politie het voorval met [aangeefster 1] kon herinneren terwijl het incident op dat moment, de verdachte werd op 5 september 2012 gehoord, toch enkele maanden geleden had plaatsgevonden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een (destijds) vijftienjarig meisje. De verdachte heeft hierbij geen rekening gehouden met de nog jonge leeftijd van het meisje en de gevolgen van zijn handelen. Door zijn handelswijze heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van dit minderjarige slachtoffer geschonden en een onveilig gevoel bij haar teweeg gebracht. Dit feit is ernstig; het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke feiten – zeker als het minderjarigen betreft – hiervan nog gedurende lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dat dit ook zo is blijkt uit de schriftelijke verklaring die door het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep is voorgelezen.


Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 oktober 2017, waaruit blijkt niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

Het hof heeft tot slot kennis genomen van een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 31 juli 2013.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een (groten)deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 13 (dertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. J.A.C. Bartels en mr. W.M. Limborgh, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 december 2017.

Mr. M.P.J.G. Göbbels is buiten staat om dit arrest te ondertekenen.