Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4193

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
22-002967-16
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1641, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft gedurende een lange periode ontucht gepleegd met zijn toen minderjarige dochter waarbij hij onder meer drie keer geslachtsgemeenschap met haar heeft gehad. Daarnaast heeft de verdachte een zeer groot aantal dierenpornografische afbeeldingen en video’s in zijn bezit gehad. Verzoek om ondervragingsrecht afgewezen. Een gegrond vermoeden dat de gezondheid en welzijn van de aangeefster in gevaar wordt gebracht en het voorkomen daarvan moet zwaarder wegen dan het belang om de aangester te ondervragen. Wel dient er om schending van art. 6 EVRM te voorkomen, deze omstandigheid voldoende zijn gecompenseerd.

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Als bijzondere voorwaarde, wordt contact verbod opgelegd met slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-002967-16

Parketnummer: 10-682156-14

Datum uitspraak: 20 december 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1958,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op
11 januari 2017 en 6 december 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht bij de reclassering almede een contactverbod met [aangeefster]. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij zoals opgenomen in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij in of omstreeks de periode van 28 december 1995 tot en met 27 december 1999 te Groot-Ammers, gemeente Liesveld en/of in de Biesbosch en/of nabij Slot Loevestein, althans in Nederland met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [aangeefster] (geboren op [geboortejaar] 1983), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

-brengen van (een) vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] en/of

-betasten van de vagina, althans schaamstreek van die [aangeefster] en/of

-betasten van de borsten van die [aangeefster] en/of

-brengen van zijn penis in de vagina van die [aangeefster] en/of

-likken aan en/of kussen van de vagina, althans schaamstreek van die [aangeefster];


2.


dat hij op of omstreeks 28 januari 2014 te Groot-Ammers, gemeente Liesveld, (een) gegevensdrager(s) bevattende afbeeldingen (te weten 152 foto's en/of 195 films) van (een) ontuchtige handeling(en) waarbij een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken in bezit heeft gehad, bestaande die ontuchtige handelingen uit het -door een mens pijpen van een hond en/of een paard en/of -inbrengen van de penis van een hond en/of een paard en/of een varken in de vagina van een mens en/of

-wrijven van de penis van een hond of paard langs de vagina van een mens en/of

-inbrengen van een paling en/of vis en/of slang en/of octopus in de vagina van een mens en/of

-klaarkomen van een hond en/of paard in de mond en/of het gezicht van een vrouw en/of

-brengen van de penis van een mens in de anus van een hond en/of schaap en/of geit

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht bij de reclassering almede een contactverbod met [aangeefster].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verzoek tot het horen van getuige [aangeefster]

Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2017 heeft de raadsman gepersisteerd bij het verzoek tot het horen van de getuige [aangeefster]. Gezien het onderlinge verband en samenhang van dit verzoek met het meer omvattende verweer van de raadsman in het kader van het ondervragingsrecht van de verdediging zal het getuigenverzoek hierna onder de nadere bewijsoverwegingen worden behandeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij in of omstreeks de periode van 28 december 1995 tot en met 27 december 1999 te Groot-Ammers, gemeente Liesveld en/of in de Biesbosch en/of nabij Slot Loevestein, althans in Nederland met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [aangeefster] (geboren op [geboortejaar] 1983), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

-brengen van (een) vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] en/of

-betasten van de vagina, althans schaamstreek van die [aangeefster] en/of

-betasten van de borsten van die [aangeefster] en/of

-brengen van zijn penis in de vagina van die [aangeefster] en/of

-likken aan en/of kussen van de vagina, althans schaamstreek van die [aangeefster];

2.


dat hij op of omstreeks 28 januari 2014 te Groot-Ammers, gemeente Liesveld, (een) gegevensdrager(s) bevattende afbeeldingen (te weten 152 foto's en/of 195 films) van (een) ontuchtige handeling(en) waarbij een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken in bezit heeft gehad, bestaande die ontuchtige handelingen uit het -door een mens pijpen van een hond en/of een paard en/of -inbrengen van de penis van een hond en/of een paard en/of een varken in de vagina van een mens en/of

-wrijven van de penis van een hond of paard langs de vagina van een mens en/of

-inbrengen van een paling en/of vis en/of slang en/of octopus in de vagina van een mens en/of

-klaarkomen van een hond en/of paard in de mond en/of het gezicht van een vrouw en/of

-brengen van de penis van een mens in de anus van een hond en/of schaap en/of geit

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zijn als bijlage aan dit arrest gehecht.

Nadere (bewijs)overwegingen

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota -vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde.

De raadsman heeft hiertoe primair betoogd dat de verdediging — ondanks herhaaldelijke

verzoeken daartoe — niet in de gelegenheid is gesteld om de aangeefster te ondervragen en dat er onvoldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van deze ondervragingsgelegenheid. Zo hadden audiovisuele opnamen van de politieverklaringen van [aangeefster] kunnen worden gemaakt, nu dit gebruikelijk is in dit soort zaken. Aldus zou sprake zijn van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) hetgeen ertoe zou moeten leiden dat de verklaringen van de aangeefster worden uitgesloten van het bewijs.
De verdediging heeft subsidiair betoogd dat de verklaringen van de aangeefster moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat deze onbetrouwbaar zijn. In dat kader wordt gewezen op de omstandigheid dat er een lange tijd heeft gezeten tussen de vermeende feiten en de aangifte, op de gebeurtenissen in het leven van de aangeefster, op de bij haar vastgestelde geestelijke stoornissen die invloed kunnen hebben gehad op het herinneringsvermogen van de aangeefster en op de wisselende verklaringen van de aangeefster.
Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het ten laste gelegde. Naast de verklaringen van de aangeefster zijn er slechts verklaringen ‘van horen zeggen’, waarbij de aangeefster de enige bron is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het ondervragingsrecht van de verdediging

Het verzoek tot het horen van de aangeefster is door de rechtbank meerdere malen afgewezen, omdat er een gegrond vermoeden bestond dat de gezondheid en het welzijn van de aangeefster, door het afleggen van een verklaring ter

terechtzitting dan wel bij de rechter-commissaris, in gevaar werd gebracht en het voorkomen van dat gevaar zwaarder heeft gewogen dan het belang om de aangeefster te ondervragen. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de rapportages betreffende de medische gegevens van de aangeefster, te weten de FARR medische informatie d.d.
17 februari 2014, opgenomen in het dossier op p. 154 en de crisis- en voortgangsverslagen zoals weergegeven op
p. 156 tot en met 170 van het dossier, de gegevens omtrent de gezondheidssituatie van de aangeefster zoals die blijken uit het aanvullend verhoor van de aangeefster op 20 maart 2014 en de brief van Yulius GGZ d.d. 15 april 2016 over de toenmalige psychische gesteldheid van de aangeefster.

Het hof overweegt dat de situatie thans in de kern niet anders is, gelet op recentere informatie over de psychische situatie van de aangeefster, zoals naar voren is gekomen uit het oriënterend psychiatrisch onderzoek door Th.J.G. Bakker d.d. 18 mei 2017 bij de aangeefster thuis. In het door deze psychiater opgemaakte rapport concludeert de psychiater dat het horen van de aangeefster op dat moment op geen enkele wijze mogelijk was, aangezien het risico op ernstige ontregeling, mogelijk zelfs leidend tot een psychiatrische heropname, te groot was. Voorts neemt het hof in aanmerking de verklaring van verpleegkundig specialist E. den Hartog van Yulius GGZ d.d. 20 november 2017 waaruit blijkt dat er sprake is van een verergering van de klachten en van een klinische behandeling. Tevens heeft de echtgenoot van de aangeefster ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat het helemaal niet goed gaat met de aangeefster.

Het verzoek tot het horen van de aangeefster dient derhalve te worden afgewezen omdat er een gegrond vermoeden bestaat dat de gezondheid en het welzijn van de aangeefster, door het afleggen van een verklaring, ter terechtzitting of bij de raadsheer-commissaris of anderszins, in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dat gevaar zwaarder moet wegen dan het belang om de aangeefster te ondervragen.

Het gevolg van deze beslissing is dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest gebruik te maken van haar in artikel 6, eerste en derde lid, aanhef en onder d, EVRM neergelegde ondervragingsrecht.

Het hof is echter met de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheid voldoende is gecompenseerd. Allereerst is de verdediging in de gelegenheid geweest om kennis te nemen van de audio-opnamen van het zogenoemde informatief gesprek zeden d.d. 4 oktober 2013 en de daarop volgende politieverhoren van de aangeefster. Het ware - gelet op de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten zoals deze gold ten tijde van het afgenomen verhoor - ook met het oog op compensatie beter geweest indien de verhoren niet alleen auditief maar ook audiovisueel zouden zijn vastgelegd, dat neemt echter niet weg dat de auditieve registraties zoals deze wel beschikbaar zijn, bijdragen aan de geboden compensatie.

Een tweede vorm van compensatie betreft het onderzoek dat is verricht door dr. G. Wolters, cognitief psycholoog (hierna: Wolters), die door de rechter-commissaris is benoemd. Wolters heeft voor zijn
(betrouwbaarheids-)onderzoek onder meer voornoemde audioregistraties bestudeerd (zie hierna).

Voordat daarop wordt ingegaan, merkt het hof op dat door de raadsman is gezegd dat Wolters niet de deskundige is van de voorkeur van verdedigingszijde. Nu dat (zoals in de pleitnota beschreven) slechts een opmerking betreft, zonder dat uit de stellingen van de verdediging blijkt in hoeverre dat relevant zou kunnen zijn voor de afweging of er voldoende compensatie is geboden, ziet het hof geen reden om hier een inhoudelijke overweging aan te wijden.

Wolters is een internationaal erkend expert op het gebied van het menselijk geheugen. Hij heeft op grond van de hem ter beschikking gestelde stukken en audioregistraties in deze zaak vragen van de raadsman en de officier van justitie beantwoord bij rapport van 5 augustus 2015. Dit betreft een zogeheten betrouwbaarheidsonderzoek. De verdediging heeft Wolters vervolgens nog kunnen bevragen bij de rechter-commissaris.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster voldoende heeft kunnen toetsen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Voor zover de raadsman van de verdachte de deskundigheid van Wolters nog heeft betwist omdat hij zich buiten zijn deskundigheidsgebied heeft uitgelaten over de invloed van medicatie en bij de aangeefster gediagnosticeerde stoornissen op haar verklaring, overweegt het hof het volgende. Het is juist dat Wolters geen expert is op het gebied van de farmacologie of de psychiatrie. Hij heeft echter zowel in het door hem opgestelde rapport als bij de rechter-commissaris verklaard zichzelf voldoende geïnformeerd te achten om de vragen met betrekking tot de mogelijke invloed van de gediagnosticeerde stoornissen en voorgeschreven medicatie op de verklaringen van de aangeefster te kunnen beantwoorden. Hiertoe overweegt Wolters psychiatrische, klinisch psychologische en farmacologische bronnen te hebben geraadpleegd. Daarnaast heeft Wolters de methode van onderzoek in zijn rapport nader toegelicht en afdoende verantwoord. Het hof heeft dan ook geen aanleiding gevonden om hem op de door de verdediging betwiste onderdelen niet deskundig te achten. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen de wijze waarop Wolters zich heeft verdiept op de terreinen waar niet zijn primaire expertise ligt. Voorts is er geen enkele grond voor het oordeel dat – zoals door de raadsman nog is gesteld – “het onderzoek van Wolters is gebaseerd op gedateerde, onvolledige en onvoldoende objectieve medische informatie.” Het verweer wordt verworpen.

Uitsluiting verklaringen wegens onbetrouwbaarheid?

Zoals hiervoor is benoemd, heeft de verdediging subsidiair betoogd dat de verklaringen van de aangeefster moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat deze onbetrouwbaar zijn. In dat kader is verwezen naar de omstandigheid dat er een lange tijd heeft gezeten tussen de vermeende feiten en de aangifte, naar de gebeurtenissen in het leven van de aangeefster en naar haar psychische problemen die invloed kunnen hebben gehad op het herinneringsvermogen van de aangeefster. De verdediging heeft in dit verband ook gesteld dat er sprake is van wisselende verklaringen van de aangeefster.

Anders dan door de verdediging is gesteld, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van de aangeefster, die zij heeft afgelegd ten overstaan van de politie, consistent. Bovendien vinden deze verklaringen, zoals hieronder wordt besproken, steun in verklaringen die zijn afgelegd door diverse getuigen.

Het hof neemt daarbij mede in aanmerking hetgeen door Wolters met betrekking tot de betrouwbaarheid van die verklaringen is gerapporteerd. Het hof is van oordeel dat de conclusies van Wolters gedragen worden door zijn bevindingen en neemt die conclusies over. Wolters heeft een onderscheid gemaakt tussen seksuele handelingen zoals tongzoenen, vingeren en betasten van borsten en vagina, enerzijds en de seksuele gemeenschap met haar vader waarover ze later heeft verklaard, anderzijds. Hij acht de verklaringen van de aangeefster ten aanzien van de eerstgenoemde handelingen in hoge mate betrouwbaar en neemt daarbij in aanmerking dat de verklaringen van de aangeefster zeer consistent zijn, dat de uitspraken in de verklaringen door meerdere getuigen worden bevestigd en dat de uitspraken al werden geuit voordat sprake was van psychische stoornissen. Wolters acht de verklaringen van de aangeefster ten aanzien van de gestelde geslachtsgemeenschap voorts in aanzienlijke mate betrouwbaar en betrekt daarbij de gedetailleerdheid van de verklaringen van de aangeefster en de omstandigheid dat de aangeefster haar gemoedstoestand ten tijde van de incidenten kan aangeven. Wolters sluit niet uit dat de combinatie van de bij de aangeefster gediagnosticeerde stoornissen en de na 2005 aan haar voorgeschreven medicatie tot gefantaseerde of zelf gesuggereerde deelverklaringen heeft kunnen leiden maar hij acht de kans hierop klein. De omstandigheid dat de aangeefster eerst zoveel jaar na het gestelde misbruik aangifte heeft gedaan, is volgens Wolters van geen enkele betekenis met betrekking tot de betrouwbaarheid van haar verklaringen.

Het hof overweegt nog dat de aangeefster al op het moment dat het misbruik speelde, personen in haar directe omgeving heeft geïnformeerd over eerstgenoemde handelingen. Voorts acht het hof het zonder meer begrijpelijk dat de aangeefster de meest vergaande vorm van het aan de verdachte verweten seksueel misbruik, de geslachtsgemeenschap, pas in 2015 heeft genoemd, heeft durven noemen. Het hof heeft geen reden aan haar verklaring te twijfelen. Het hof heeft ook geen aanknopingspunt in het dossier aangetroffen dat dit onderdeel van misbruik niet heeft plaatsgevonden. Als van belang voor de betrouwbaarheid wijst het hof op de gedetailleerde manier waarop de aangeefster heeft verteld hoe zij zich voelde op deze momenten zoals, ik voelde pijn toen hij met zijn piemel in mij ging, ik voelde pijn en mijn vader riep: “je bent van mij, je bent van mij”, dat zij lag te wachten tot het voorbij was, alsmede dat het drie keer is gebeurd, waarbij zij een chronologische en feitelijke beschrijving geeft van wat er gebeurd is.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Steunbewijs

De aangeefster heeft in oktober 2005 (zij was toen 21 jaar oud) een intake-gesprek gevoerd bij de politie waarin zij heeft verteld dat zij tussen haar 12e en 15e jaar is misbruikt door haar vader. Gedurende de periode van het misbruik heeft zij er al met derden over gesproken. In oktober 2013 heeft zij bij de politie een informatief zeden-gesprek gevoerd en heeft zij aansluitend in diezelfde maand aangifte gedaan en een verklaring afgelegd betreffende seksueel misbruik gepleegd door haar vader. De verdachte zou in een lange periode, waarvan het zwaartepunt lag tussen het twaalfde en zestiende levensjaar van de aangeefster, op de ouderlijke slaapkamer en op de slaapkamer van de aangeefster, maar ook op verschillende plaatsen buitenshuis, de aangeefster meermalen hebben gevingerd, haar borsten en vagina hebben betast en haar vagina hebben gekust en gelikt. Daarnaast zou er drie keer sprake zijn geweest van geslachtsgemeenschap.

Het dossier bevat verklaringen van diverse personen die het verhaal van de aangeefster ondersteunen, met niet alleen de aangeefster als bron maar ook de verdachte zelf als bron.

De getuigen [getuige 1] (destijds [getuige 1] genaamd) en [getuige 2] hebben van de aangeefster over het misbruik gehoord. Zo volgt uit de politieverklaring van [getuige 1] dat de aangeefster op haar 15e jaar naar het huis van de getuige is gekomen en daar op eigen initiatief heeft verteld dat zij seksueel werd misbruikt door haar vader. Daarnaast volgt uit diverse getuigenverklaringen die zijn afgelegd bij de politie, dat verschillende personen uit de kerkgemeenschap waartoe de verdachte behoorde, toentertijd met hem hebben gesproken over het ‘grensoverschrijdende gedrag’ van de verdachte ten aanzien van zijn dochter. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij als pastoraal hulpverlener gesprekken heeft gehad met de verdachte vanwege een situatie van misbruik binnen het gezin. De verdachte zou in die gesprekken zijn gedrag hebben gebagatelliseerd, waarbij hij wel zou hebben erkend dat er iets was gebeurd dat fout was. Volgens de verklaring van getuige [getuige 2] heeft de aangeefster op enig moment gesproken over een incestsituatie en heeft getuige [getuige 2] naar aanleiding daarvan een gesprek met de verdachte gehad. De verdachte zou in dat gesprek hebben gezegd dat hij zich niet had gerealiseerd dat het zo’n impact op het leven van de aangeefster had en zou zijn gedrag min of

meer hebben vergoelijkt. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij een gesprek met de verdachte heeft gehad en dat de verdachte heeft gezegd dat hij te ver was gegaan en dat hij zijn dochter had gestreeld op plaatsen waar dat niet had gemoeten alsmede dat zijn dochter in bed lag, dat hij daar speels mee was en dat hij zodoende te ver is gegaan.
Voorts is er nadien door de getuigen [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 4] een verklaring afgelegd bij de raadsheer-commissaris. De getuigenverhoren hebben ruim drie jaar na de afgelegde politieverklaringen plaatsgevonden. De herinnering van de getuigen blijkt vervaagd, zij kunnen zich niet alle onderdelen van hun eerdere verklaring meer herinneren. Wel herhalen zij contact met verdachte te hebben gehad naar aanleiding van ongepast seksueel gedrag tussen de verdachte en de aangeefster. Daarnaast verklaart getuige [getuige 2] hierover ook contact te hebben gehad met de aangeefster zelf. Getuige [getuige 3] weet nog dat hij met de verdachte ging praten vanwege verkeerd contact met zijn dochter op het seksuele vlak, maar details daarvan kent hij niet dan wel herinnert hij zich niet meer. Hij weet echter wel dat de verdachte het zeker niet heeft ontkend. Getuige [getuige 2] verklaart dat de aangeefster heeft verteld dat er thuis dingen gebeurden die zij niet fijn vond, dingen die te maken hadden met seksuele intimiteit. Details heeft zij niet verteld. Getuige [getuige 2] verklaart verder bij de raadsheer-commissaris dat hij bij de politie alles naar waarheid en voor zover hij nog wist heeft verteld. Getuige [getuige 4] herinnert zich tijdens het verhoor door de raadsheer-commissaris nauwelijks nog iets. Wel verklaart hij dat hij destijds bij de politie naar waarheid heeft verklaard en alles heeft gezegd wat hij nog wist. Geconfronteerd met zijn verklaring bij de politie over specifieke uitlatingen van de verdachte, herinnert hij zich dat niet meer. Gevraagd naar waar de verdachte per direct mee moest stoppen verklaart hij: ‘Als het het geval is dat je als vader aan je dochter komt, moet je daar onmiddellijk mee stoppen.’ De verklaringen van de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 2], zoals afgelegd bij de raadsheer-commissaris, doen naar het oordeel van het hof geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de politieverklaringen. De getuigen komen niet op essentiële punten terug op hun eerder afgelegde verklaring. Ook deze politieverklaringen en verklaringen afgelegd bij de raadsheer-commissaris ondersteunen derhalve de aangifte.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van de aangeefster. Het hof stelt in dit verband vast dat, anders dan gesteld door de raadsman van de verdachte, voornoemde getuigenverklaringen niet uit één bron, te weten de aangeefster, afkomstig zijn maar dat er getuigen zijn die (ook) verklaren over wat zij van de verdachte zelf over seksueel misbruik hebben gehoord.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende een lange periode ontucht gepleegd met zijn toen minderjarige dochter waarbij hij onder meer drie keer geslachtsgemeenschap met haar heeft gehad. Het slachtoffer was destijds een kwetsbaar en onzeker meisje. De verdachte heeft met zijn gedrag een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn dochter. Hij heeft zijn positie als vader op een grove wijze misbruikt en heeft zijn dochter hierdoor de gelegenheid ontnomen om in een veilige omgeving op te groeien en om zich zowel mentaal/emotioneel als fysiek/seksueel ongestoord te ontwikkelen. De verdachte heeft daarbij kennelijk geen oog gehad voor de schade die hij bij zijn dochter aanrichtte en was slechts uit op de bevrediging van zijn eigen seksuele genot.

Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lang de ernstige psychische gevolgen hiervan met zich mee dragen. In dit geval is - gelet op de informatie die in het dossier is opgenomen over de psychische toestand van het slachtoffer alsmede de slachtofferverklaring – gebleken dat deze gevolgen voor het slachtoffer op zeer schrijnende wijze realiteit zijn geworden. Blijkens de recente informatie over de toestand van het slachtoffer, zoals naar voren gekomen ter terechtzitting in hoger beroep, is haar psychische toestand ook nu nog heel slecht. Het hof onderstreept dat de verdachte tegenover zijn dochter op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag en de gevolgen ervan voor haar.

Daarnaast heeft de verdachte een zeer groot aantal dierenpornografische afbeeldingen en video’s in zijn bezit gehad. Dit is in strijd met de goede zeden en het dierenwelzijn.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte volgens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 november 2017 voor het overige nimmer met politie en/of justitie in aanraking is geweest.

Het hof heeft ook in enigszins matigende zin acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte na de veroordeling in eerste aanleg op zijn werk is ontslagen.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 september 2014. De reclassering adviseert om aan de verdachte, als bijzondere voorwaarden bij een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf, een behandelverplichting op te leggen in de vorm van een behandeling voor seksuele delictplegers en daarnaast verplicht reclasseringscontact en een contactverbod met het slachtoffer [aangeefster]. Het hof heeft acht geslagen op dit rapport.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, komt het hof tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Het hof zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan door de reclassering is geadviseerd, ziet het hof met de advocaat-generaal geen aanleiding de verdachte te verplichten een trainingsprogramma voor seksuele delictplegers te volgen.

Het hof ziet wel aanleiding tot het aan de verdachte opleggen van reclasseringscontact en een contactverbod met de aangeefster, beide gedurende de gehele proeftijd. Het toezicht op de naleving van het contactverbod zal worden opgedragen aan de reclassering, zolang als de reclasseringsinstelling dit contactverbod noodzakelijk acht.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding van [aangeefster]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van € 12.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 12.500,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte primair bepleit dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen nu de vordering onvoldoende onderbouwd is voor wat betreft de hoogte daarvan en het causale verband tussen het ten laste gelegde en de gestelde schade. Hiertoe is door de raadsman gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de gediagnosticeerde stoornissen een gevolg zijn van de ontucht door de verdachte maar dat er ook andere ‘life events’ geweest zijn die aan het ontstaan of de negatieve ontwikkeling van de stoornis(sen) hebben kunnen bijgedragen. Door de raadsman van de verdachte is subsidiair bepleit dat de aangeefster niet–ontvankelijk dient te worden verklaard gezien de door de verdediging bepleite vrijspraak ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Meer subsidiair is een aanzienlijke matiging van de vordering bepleit gelet op ‘soortgelijke’ uitspraken en de stellingname dat de vordering beoordeeld zou moeten worden naar de periode waarin het misbruik zich zou hebben afgespeeld. Bij een eventuele toewijzing van een schadevergoedingsmaatregel is namens de verdachte verzocht uit billijkheidsoverwegingen het aantal dagen vervangende hechtenis aanzienlijk te matigen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich in een zaak als de onderhavige- naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 december 1999 tot aan de dag der algehele voldoening. De (enkele) omstandigheid dat de verdachte na de veroordeling in eerste aanleg op zijn werk is ontslagen, is geen omstandigheid die een toewijzing van het bedrag in de weg staat dan wel tot matiging van dat bedrag moet leiden. Voor een beoordeling van de hoogte van het bedrag naar maatstaven in het verleden omdat de handelingen toen hebben plaatsgevonden, bestaat evenmin een redelijke grond. Voor matiging van het aantal dagen vervangende hechtenis ziet het hof ook geen reden.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 12.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245 en 254a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

6 (zes) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van

2 ( twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [aangeefster] (geboren [geboortejaar] 1983), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 27 december 1999.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

97 (zevenennegentig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein, mr. I.P.A. van Engelen en mr. R.J. de Bruijn,

in bijzijn van de griffier mr. F. van Vliet.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2017.

Mr. R.J. de Bruijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.