Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4174

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
BK-17/00498 en BK-17/00499
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:3707, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep houdt partijen uitsluitend het antwoord op de vraag verdeeld, in zoverre net als voor de Rechtbank, of de naheffingsaanslag 2007 tijdig is opgelegd. De over de naheffingsaanslag 2007 voorhanden zijnde gegevens brengen naar 's Hofs oordeel mee dat de Rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat die naheffingsaanslag op 21 december 2012 is opgelegd, derhalve binnen de vijfjaarstermijn. De Inspecteur dient belanghebbende € 2.000 aan immateriële schadevergoeding te vergoeden. Het Hof herstelt de desbetreffende omissie van de Rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/759
V-N 2018/681
V-N 2018/24.1.1
Viditax (FutD), 04-04-2018
FutD 2018-0992
NTFR 2018/1016
NLF 2018/0834 met annotatie van
NLF 2018/0834 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-17/00498 en BK-17/00499

Uitspraak van 8 december 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] (voorheen [Y] ), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf, kantoor Hoofddorp, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 maart 2017, nummers SGR 16/5861 en SGR 16/5862.

Procesverloop

1.1.

Over het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 en het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2011 zijn belanghebbende naheffingsaanslagen in de omzetbelasting van € 12.809 en € 63.157 en boeten van € 6.404 en € 31.578 opgelegd en bij beschikkingen € 2.072 en € 4.892 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen verlaagd naar € 8.598 en € 50.987, de boeten naar € 4.299 en € 25.493 en de bedragen aan heffingsrente naar € 1.390 en € 3.967.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 334 is geheven.

1.4.

De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar die zien op de boeten vernietigd, de boeten verminderd tot op € 3.439 en € 20.342 en de Inspecteur opgedragen belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 501 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 november 2017 in Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Feiten

2.1.

Belanghebbende, een maatschap, is met ingang van 1 april 1996 geregistreerd voor de omzetbelasting. Sinds juli 1996 zijn [A] en [B] de maten. De activiteiten van belanghebbende, voor welke zij ondernemer voor de omzetbelasting is, bestaan uit het adviseren en begeleiden van personen op het gebied van letselschade en andere juridische zaken.

2.2.

Bij een boekenonderzoek is de aanvaardbaarheid onderzocht van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2011. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in het controlerapport van 18 december 2012.

2.3.

De naheffingsaanslagen zijn opgelegd naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

8. In geschil is of de naheffingsaanslagen en beschikkingen terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of [ [A] ] als maat in zijn belangen wordt getroffen door de naheffingsaanslagen; op welke datum [belanghebbende] is beëindigd; en of de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 tijdig is opgelegd.

9. [ [A] ] stelt namens [belanghebbende] dat:

- [ belanghebbende] per 1 januari 2008 mondeling is opgezegd en beëindigd. [ [A] ] stelt dat [de Inspecteur] daarover bij brief van 22 december 2007 is geïnformeerd;

- hij na 2007 slechts facturen heeft uitgeschreven ter zake van de afwikkeling in oude dossiers;

- hij bestrijdt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 op 21 december 2012 is opgelegd. Hij voert daartoe aan dat tot de stukken alleen een systeemuitdraai van de naheffingsaanslag behoort, doch geen uitdraai van een aan [belanghebbende] toegezonden naheffingsaanslagbiljet;

- de boeten verder gematigd dienen te worden.

10. [ De Inspecteur] weerspreekt de namens [belanghebbende] ingenomen standpunten en voert aan dat:

- de door [belanghebbende] genoemde brief van 22 december 2007 niet is ontvangen;

- [ [A] ] in zijn hoedanigheid van maat van [belanghebbende] in de jaren 2007, 2008, 2009 en 2011 facturen heeft uitgeschreven en geïnd;

- de naheffingsaanslag op 21 december 2012 is opgelegd;

- er geen reden is voor verdere matiging van de boeten.

Beoordeling van het geschil

11. De rechtbank stelt vast dat de onder 9 vermelde brief van 22 december 2007 (de brief) tot de gedingstukken behoort als bijlage bij een aan [de Inspecteur] gerichte brief van mr. [C] van 14 juni 2011. In de brief staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

'(…) Per 28 maart 2002 is er de nodige verzelfstandiging van partijen in de maatschap doorgevoerd. De doorbelasting van kosten binnen [X] naar ondergetekende toe, de heer [ [A] ], is per deze datum teruggebracht tot een aantal basisposten; daarbij zijn mijn werkzaamheden deels verzelfstandigd. De praktische bedrijfsvoering, boekhouding, betalingen en administratie worden sinds deze datum volledig door de heer [ [B] ] verzorgd. Als voortvloeisel van een en ander heeft ondergetekende in de loop van 2004 ook diens eenmansonderneming [D] CS geactiveerd. Per 1 januari aanstaande zal deze verzelfstandiging nog verder worden doorgevoerd. De kostenmaatschap [X] zal namelijk per deze datum worden omgezet naar een kostenmaatschap in meest beperkte vorm en zal ook niet langer een gezamenlijke onderneming zijn. Ondergetekende zal voortaan, overigens was dit in de praktijk al in dit jaar het geval, in principe via inkomsten en betalingen tegenover diens aandeel in uitgaven voor kantoorfaciliteiten en werkzaamheden eigen derden, kostenneutraal binnen de kostenmaatschap opereren. Op deze wijze zal ondergetekende in principe niet langer inkomsten uit [X] genereren. Inkomsten en alle verdere uitgaven van [X] zullen in principe volledig ten behoeve c.q. ten laste van de heer [ [B] ] komen. (…)'

12. [ De Inspecteur] heeft gesteld dat de brief niet bij de Belastingdienst is ontvangen. Nog daargelaten of de brief wel of niet is ontvangen door [de Inspecteur] kan, naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de onder 11 geciteerde inhoud, de brief niet worden beschouwd als een opzegging van [belanghebbende]. Nu [belanghebbende] sinds 1 april 1996 is geregistreerd voor de omzetbelasting en door haar over de jaren 2007 tot en met 2011 aangiften omzetbelasting met aangegeven omzet zijn ingediend waarbij voorbelasting is teruggevraagd, zijn de naheffingsaanslagen, gelet op de onder 5 geciteerde bevindingen uit het controlerapport, terecht aan [belanghebbende] opgelegd.

13. Voor zover [ [A] ] met zijn stelling dat hij na 2007 slechts facturen heeft uitgeschreven ter zake van de afwikkeling in oude dossiers het standpunt inneemt dat hij geen deel meer uitmaakte van [belanghebbende] overweegt de rechtbank dat dit standpunt onjuist is en dat, anders dan [ [A] ] kennelijk meent, hij ook bij een omzetting naar een 'kostenmaatschap in meest beperkte vorm' als partner hoofdelijk aansprakelijk is voor schulden die een andere partner uit naam van de maatschap aangaat.

14. Met betrekking tot de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de tot de gedingstukken behorende systeemuitdraai en de door [de Inspecteur] ter zitting gegeven toelichting dat de systeemuitdraai de dagtekening en tenaamstelling weergeeft via een geautomatiseerd proces acht de rechtbank aannemelijk dat de naheffingsaanslag op 21 december 2012, en daarmee voor het verstrijken van de naheffingstermijn van 5 jaar, is opgelegd. Dat [ [A] ] de naheffingsaanslag niet heeft gezien acht de rechtbank, gelet op al hetgeen hij in de stukken over [ [B] ] naar voren heeft gebracht, heel goed mogelijk.

boeten

15. In de beroepsfase heeft [de Inspecteur] het standpunt ingenomen dat de boete over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 dient te vervallen omdat aan [belanghebbende] geen kennisgeving van die boete heeft plaatsgehad.

16. Met betrekking tot de opgelegde boeten over de tijdvakken 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 en 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 is de rechtbank van oordeel dat [de Inspecteur] met hetgeen hij naar voren heeft gebracht voldoende heeft bewezen dat het aan opzet van [belanghebbende] is te wijten dat aan haar voor te hoge bedragen teruggaaf omzetbelasting is verleend. De rechtbank is daarom van oordeel dat [de Inspecteur], op grond van artikel 67f, eerste lid van de Awr en paragraaf 25 en 28 van het BBBB, terecht vergrijpboeten van 50 procent heeft opgelegd. De rechtbank acht de boeten ook passend en geboden. Wel dienen de boeten te worden verminderd in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. De boeten zijn aangekondigd in het rapport van 18 december 2012. De rechtbank doet in deze zaak uitspraak op 23 maart 2017. Op dat moment zijn vier jaren en drie maanden verstreken sinds de aankondiging. Hiermee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden. Gelet daarop dienen de boeten nog nader te worden verminderd met 20% (vgl. Hof Amsterdam 2 juli 2009, nr. 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298).

17. Tegen de heffingsrente heeft [belanghebbende] geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat die naar onjuiste bedragen of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening zijn gebracht.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, nu voor de zitting al bekend was dat het beroep gegrond zou worden verklaard in verband met verlaging van de opgelegde vergrijpboeten. Het ter zitting verschijnen van de rechtshulpverlener was daarvoor niet nodig. Voorts is het beroepschrift door D ingediend.

(…)"

Geschil

4.1.

In hoger beroep houdt partijen uitsluitend - belanghebbende heeft dat ter zitting uitdrukkelijk verklaard - het antwoord op de vraag verdeeld, in zoverre net als voor de Rechtbank, of de naheffingsaanslag 2007 tijdig is opgelegd.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.3.

Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade van € 2.000, en wel, nu de termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de bezwaarfase, te betalen door de Inspecteur.

Beoordeling

5.1.

De over de naheffingsaanslag 2007 voorhanden zijnde gegevens brengen naar 's Hofs oordeel mee dat de Rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat die naheffingsaanslag op 21 december 2012 is opgelegd, derhalve binnen de vijfjaarstermijn. Het Hof neemt in aanmerking dat uit al wat de Inspecteur in het verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de bijlagen: een "Uitdraai BVR (opvoerdatum en adresgegevens)" en een rapport "Onderzoek Belastingdienst Centrale Administratieve Processen", in redelijkheid de conclusie is te trekken dat de naheffingsaanslag 2007 vóór 1 januari 2013 is vastgesteld en ook is verzonden naar [X] en wel naar [E] [Y] en dat de Inspecteur toen niet over een ander adres heeft beschikt of redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die een aanwijzing zijn dat de naheffingsaanslag niettemin niet binnen de vijfjaarstermijn is opgelegd. Op dat punt faalt het hoger beroep.

5.2.

Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep op het onderdeel van de immateriële schadevergoeding gegrond is, zodat de uitspraak van de Rechtbank op dit punt moet worden aangevuld.

Proceskosten, griffierechten en schadevergoeding

6.1.

Het Hof ziet geen reden de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten, nu onvoldoende is gesteld en ook niet uit de stukken van het geding is op te maken dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

6.2.

De Inspecteur dient belanghebbende de griffierechten te vergoeden.

6.3.

De Inspecteur dient belanghebbende € 2.000 aan immateriële schadevergoeding te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- herstelt de omissie dat de Rechtbank geen vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende heeft toegewezen en vernietigt de uitspraak van de Rechtbank in zoverre;

- wijst aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toe, vastgesteld op € 2.000, te betalen door de Inspecteur;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige; en

- gelast de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 501 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier R.W. Otto. De beslissing is op 8 december 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.