Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4138

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
200.208.608/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaaddonor met Asperger handelt onrechtmatig door wensmoeders niet te informeren over zijn aandoening en mogelijke erfrechtelijke aspecten daarvan. De vrouw die met hem meeging naar wensmoeders en die informatie wel gaf handelde daarmee niet onrechtmatig jegens de man. Hetzelfde geldt voor het door de vrouw in dat kader verspreiden van privacy gevoelige informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/264
PFR-Updates.nl 2018-0075
PS-Updates.nl 2018-0213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.208.608/02

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/491729/ HA ZA 16-2

arrest van 12 december 2017

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [de man] ,

advocaat: mr. N. Schuerman te Rotterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ),

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de vrouw] .

Het geding

Bij exploot van 25 januari 2017 is [de man] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 26 oktober 2016 van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

[de man] heeft bij memorie vierendertig grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis.

Tegen [de vrouw] is verstek verleend.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

Het bestreden vonnis

2. Door de rechtbank zijn de vorderingen van [de man] afgewezen, onder veroordeling van [de man] in de proceskosten.

Het geschil

3. Het geschil tussen partijen betreft de (immateriële) schade die [de man] stelt te hebben geleden doordat [de vrouw] onrechtmatig privacygevoelige informatie over [de man] zou hebben verspreid.

Vorderingen

4. [de man] vordert, kort gezegd, vernietiging van het bestreden vonnis en dat het hof opnieuw rechtdoende,

* voor recht verklaart dat [de vrouw] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld wegens het aan een derde of derden verstrekken van privacy gevoelige informatie over hem, met name stukken van het UWV en een rapport van een psycholoog;

* [de vrouw] veroordeelt om aan [de man] een immateriële schadevergoeding te betalen, tot en met de datum van de indiening van de memorie van grieven vast te stellen op een bedrag van EUR 25.000, [de vrouw] een publicatie- dan wel verspreidingsverbod oplegt zodat er geen nadere onrechtmatige gedragingen van [de vrouw] jegens [de man] plaatsvinden op straffe van een dwangsom van EUR 25.000 per overtreding;

* onder veroordeling van [de vrouw] in de kosten van het geding.

Juridisch kader

5. Het zonder toestemming verstrekken van privacygevoelige informatie over een ander is als inbreuk op eens anders persoonlijke levenssfeer in beginsel onrechtmatig, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. De vraag of zich een rechtvaardigingsgrond voordoet bij de inbreuken op de persoonlijke levenssfeer, dient beoordeeld te worden in het licht van de omstandigheden van het geval. Dit oordeel wordt gevormd door het afwegen enerzijds van de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609).

Grieven van [de man]

6. De vierendertig grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

7. [de man] en [de vrouw] hebben een affectieve relatie gehad tot juni 2011. Uit deze relatie is in december 2010 een kind geboren.

8. [de man] is in 2008 gediagnosticeerd als lijdend aan het syndroom van Asperger. In de medische wetenschap is dit syndroom evenals autisme geduid als “persuasive development disorder”. De aandoening van [de man] heeft tot gevolg gehad dat hij op enig moment volledig arbeidsongeschikt is verklaard en een Wajong-uitkering toegekend kreeg.

9. [de vrouw] wist tijdens de relatie van partijen dat [de man] in 2008 gediagnosticeerd was met Asperger. Dit vormde indertijd geen beletsel voor [de vrouw] om samen met [de man] een kind te krijgen.

10. [de man] heeft als zaaddonor publiciteit gezocht op het internet. [de man] heeft uit dien hoofde meerdere kinderen verwekt bij verschillende vrouwen.

11. Op enig moment, nog vóór het verbreken van de relatie met [de man] , raakte [de vrouw] overtuigd van de relevantie van de diagnose van [de man] voor door hem verwekte kinderen. [de vrouw] heeft onderzoek gedaan naar het syndroom van Asperger op het internet. [de vrouw] heeft op grond van de gevonden informatie geconcludeerd dat aan het syndroom van Asperger een erfelijke component kleeft of kan kleven.

12. [de man] heeft in hoger beroep onweersproken gesteld dat [de vrouw] in de tijd dat hij en [de vrouw] nog een relatie hadden meeging naar wensmoeders en dat zij hen op haar eigen initiatief informeerde over het feit dat hij was gediagnosticeerd met het syndroom van Asperger. Deze stelling wordt gesteund door de brief van de hoofdofficier van justitie van parket Rotterdam d.d. 11 september 2012. Volgens deze brief heeft [de vrouw] tijdens haar verhoor verklaard dat zij al tijdens de relatie van partijen wensmoeders informeerde over het syndroom van Asperger van [de man] , met het oogmerk om hen te waarschuwen. Uit de stellingen van partijen volgt dat de diagnose en de mogelijk erfelijke component ervan indertijd tussen partijen in discussie was, waarbij [de vrouw] het onaanvaardbaar achtte dat [de man] wensmoeders niet of onvoldoende informeerde, en dat [de man] niet verhinderde dat [de vrouw] al dan niet in zijn aanwezigheid wensmoeders (mitsdien derden) over zijn psychische conditie informeerde.

13. [de vrouw] kreeg contact met een wensmoeder, [de wensmoeder] , die in december 2010 een met zaad van [de man] verwekt kind had gekregen. Blijkens de verklaring van [de vrouw] bij de rechtbank heeft [de wensmoeder] haar ervan overtuigd dat [de wensmoeder] ’s zoontje erg ziek was en dat voor de medische behandeling van dat kind het relevant was om eventuele erfelijke aspecten te kennen, temeer omdat bij een ouder kind van [de wensmoeder] , niet verwekt met zaad van [de man] , autisme zou zijn vastgesteld; naar het hof begrijpt vreesde [de wensmoeder] dat haar zieke kind van twee kanten erfelijk belast zou kunnen zijn en dat dat relevant zou kunnen zijn voor de medische behandeling. [de wensmoeder] vroeg [de vrouw] daarom om relevante gegevens van [de man] . [de vrouw] heeft daarop kopieën van privacygevoelige documenten, te weten stukken van het UWV en een rapport van een psycholoog, aan [de wensmoeder] toegezonden.

14. [de wensmoeder] heeft de betreffende kopieën of delen ervan aan de media gegeven. Dit is aanleiding geweest voor een publicatie in het Algemeen Dagblad op [datum] en een documentaire in het kader van het programma “Undercover in Nederland” die op [datum] is uitgezonden. [de vrouw] heeft aan de publicatie en aan de documentaire haar medewerking verleend. In de documentaire hebben deskundigen verklaard dat autisme en het syndroom van Asperger een erfelijke component hebben, althans, dat geen consensus bestaat in de medische wetenschap dat het syndroom van Asperger niet overdraagbaar is.

15. [de man] heeft uitzending van de documentaire middels een kort geding proberen te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 18 oktober 2011 de voorziening geweigerd omdat, kort gezegd, wensmoeders er recht op hebben om te weten dat hun zaaddonor een mogelijk erfelijk overdraagbare psychische aandoening heeft.

16. De Raad voor de Journalistiek heeft de klacht van [de man] tegen de presentator en de hoofdredacteur van voorbedoelde documentaire bij beslissing van 22 juni 2012 afgewezen

17. Het hof overweegt als volgt.

18. Uit het debat tussen partijen komt naar voren dat in 2011 geen consensus bestond onder deskundigen over de vraag of een patiënt bij wie het syndroom van Asperger was gediagnosticeerd zijn aandoening erfelijk kon overdragen. Dat door [de man] vraagtekens worden gesteld bij de deskundigheid van de specialisten in het programma “Undercover in Nederland” op het gebied van het syndroom van Asperger of diagnoses in hetzelfde spectrum van aandoeningen doet hier niet aan af. [de man] heeft er in dit verband op gewezen dat de discussie over erfelijkheid in 2013 geëindigd was met het schrappen van de diagnose Asperger in het handboek voor classificatie van psychiatrische stoornissen en psychologische problematiek, de DSM-5; al in 2010 en 2011 zou bekend zijn dat de diagnose in de DSM-5 zou vervallen. Het schrappen van de kwalificatie in de medische terminologie verandert echter niets aan de psychische aandoening van [de man] die aanleiding was voor de diagnose in 2008. In de periode dat [de man] zich als zaaddonor aanbood was de diagnose derhalve van (betrekkelijk) recente datum.

19. Afdoende gebleken is dat [de man] wensmoeders niet, althans niet alle, informeerde over zijn psychische aandoening . Deze stelling is niet alleen onvoldoende weersproken door [de man] , hij wordt ook bevestigd door zijn eigen stelling dat [de vrouw] , in de tijd dat partijen nog een relatie hadden, met hem meeging naar wensmoeders en zij hen op eigen initiatief informeerde. [de man] zag dat kennelijk niet als zijn taak. Ook uit de door [de man] overgelegde producties blijkt niet dat hij wel informatie aan de wensmoeders verschafte: in de corrigerende verklaring van [naam] die [de man] ter onderbouwing van zijn grief heeft overgelegd, wordt aangegeven dat [de man] haar “inmiddels”, dus niet eerder, heeft geïnformeerd. De overige aangevoerde producties waar [de man] zich op beroept zijn niet concludent en bovendien, in zoverre als deze anoniem zijn overgelegd, niet overtuigend. Uit deze anonieme verklaringen blijkt overigens dat in door [de man] ondertekende donorovereenkomsten was opgenomen dat hij verplicht was mogelijke erfelijke genetische afwijkingen te melden (verklaring van [naam] ) en dat hij niet bekend was met enige erfelijke genetische afwijking aan zijn zijde (verklaring [naam] ).

20. [de man] heeft er nog op gewezen dat hij als zaaddonor geschikt was bevonden door “diverse ziekenhuizen en klinieken vanaf 2005 en vanaf 2012 internationaal”, maar de betreffende rapporten zijn niet overgelegd en als deze al bestaan is onduidelijk of daarbij was meegewogen dat [de man] leed aan een psychische aandoening die meebracht dat hij volledig arbeidsongeschikt is verklaard en of daarbij is ingegaan op de vraag of die aandoening erfelijk overdraagbaar is of zou kunnen zijn.

21. [de vrouw] heeft voor zichzelf vastgesteld dat de aandoening en de eerder vastgestelde diagnose van [de man] in het licht van voormelde vraag cruciale informatie was voor wensouders die de keuze maken om al dan niet van de diensten van [de man] gebruik te maken. [de vrouw] heeft het onaanvaardbaar geacht dat [de man] die informatie achterhield en heeft tijdens haar relatie met [de man] al gemeend haar verantwoordelijkheid te moeten nemen en wensmoeders te moeten waarschuwen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [de man] onrechtmatig handelde door wensmoeders niet te informeren over zijn aandoening en mogelijk erfelijke aspecten ervan.

22. [de man] betwist dat het zoontje van [de wensmoeder] ernstig ziek was en dat daarin een rechtvaardigingsgrond voor het handelen van [de vrouw] gevonden kan worden. [de man] klaagt dat de rechtbank ten onrechte zijn verklaring heeft meegewogen dat op het jongste kind van [de wensmoeder] na de geboorte “ernstig ziek is geweest”, maar uit de betreffende overweging van de rechtbank blijkt voldoende dat zij heeft onderkend dat [de man] in zijn verklaring de fysieke conditie van het kind heeft willen relativeren. Nu [de vrouw] op dezelfde comparitie heeft verklaard van [de wensmoeder] te hebben begrepen dat haar kindje “ernstig ziek” was, kan ook niet worden gezegd dat de uitlating van [de man] een dragende factor is geweest voor het vonnis. Van belang is of [de vrouw] redelijkerwijs mocht vertrouwen op de informatie die [de wensmoeder] over de ziekte van haar zoontje aanreikte en of die informatie, in het licht van wat zij wist of redelijkerwijs mocht aannemen over de psychische aandoening van [de man] , een rechtvaardiging meebrengt voor het handelen van [de vrouw] . Met de rechtbank acht het hof het delen van de bewuste documentatie met [de wensmoeder] – stukken van het UWV en een rapport van een psycholoog - niet onrechtmatig, in de context van het hulpverzoek van [de wensmoeder] die bezorgd was voor haar zieke kind en van het gegeven dat [de man] op enig moment volledig arbeidsongeschikt werd geacht vanwege zijn psychische aandoening.

23. [de man] verwijt [de vrouw] dat zij privacygevoelige informatie over hem deelde met derden uit respijt wegens het einde van hun relatie. [de vrouw] heeft daarover verklaard dat het einde van de relatie hooguit een kleine rol heeft gespeeld bij het delen van informatie aan derden nadien. In dit verband komt betekenis toe aan een bericht van 5 augustus 2011 te 22.56 uur waarin [de vrouw] aangeeft “Maar ja nogmaals, ik heb er spijt van dat ik het doorgestuurd heb, wist niet dat iedereen zich er zo mee zou gaan bemoeien”, en aan een chat van 12 augustus 2011 te 21.56 uur, waarin [de vrouw] meldt “al was het niet uit wraak zoals hij [hof: kennelijk [de man] ] zegt.” Aangezien [de vrouw] volgens [de man] reeds tijdens de relatie van partijen wensmoeders meende te moeten waarschuwen is de stelling dat [de vrouw] privacygevoelige informatie met derden deelde met de kwade intentie hem te beschadigen onvoldoende aangetoond, althans is aannemelijk dat de belangrijkste beweegreden voor [de vrouw] lag in haar overweging, zowel tijdens als na het einde van de relatie, dat het handelen van [de man] onrechtmatig was jegens wensmoeders.

24. Voor zover [de man] beoogt te stellen dat de oorzaak van de negatieve publiciteit bij [de vrouw] lag, geldt dat zij niet het initiatief heeft genomen om de media te benaderen; zij is ingegaan op een uitnodiging van de media. Gelet op het onrechtmatige handelen van [de man] als zaaddonor en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs konden worden gediend heeft [de man] niet of onvoldoende aangetoond dat [de vrouw] informatie heeft verschaft aan de media waarvan zij zich, gelet op hetgeen zij wist of hetgeen haar bekend had moeten zijn, had moeten weerhouden. Voor zover nog van belang geldt dat tussen het zenden van vertrouwelijke documentatie aan [de wensmoeder] en de bemoeienis van de media een te ver verwijderd verband bestaat om [de vrouw] de daaruit voortgevloeide publiciteit te verwijten. Door zich op het internet aan te bieden als zaaddonor heeft [de man] de drempel voor publieke belangstelling, derhalve voor belangstelling van de media, bovendien zelf verlaagd.

25. Nu geen sprake is van onrechtmatig handelen van [de vrouw] jegens [de man] , komt het hof aan de vorderingen van [de man] wegens geleden (immateriële) schade en een publicatie- dan wel verspreidingsverbod niet meer toe.

26. Voor zover hiervoor grieven van [de man] niet expliciet of impliciet zijn behandeld, geldt dat deze individueel of in onderling verband bezien niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het hof zal dat vonnis derhalve bekrachtigen.

Kosten van de procedure

27. Nu [de man] in het ongelijk is gesteld dient hij in beginsel te worden verwezen in de kosten van de procedure. Aangezien [de vrouw] in de procedure niet is verschenen is voor een kostenveroordeling ten gunste van [de vrouw] geen plaats.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 26 oktober 2016 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, C.M. Warnaar en O.I.M. Ydema, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2017 in aanwezigheid van de griffier.