Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4131

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
BK-17/00537 t/m BK-17/00539
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:5047, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:936
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de onderhavige navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Het bedrag van de navorderingsaanslagen als zodanig is tussen partijen niet in geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/524
V-N 2018/20.1.1
Viditax (FutD), 09-03-2018
FutD 2018-0671
Viditax (FutD), 15-06-2018
NTFR 2018/907
NLF 2018/0591 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-17/00537 tot en met BK-17/00539

Uitspraak van 19 december 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 mei 2017 nummers SGR 17/185, SGR 17/186 en SGR 17/187 betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen.

Navorderingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

BK-17/00537

1.1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.515 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.809. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 597 aan heffingsrente in rekening gebracht.

BK-17/00538

1.1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 77.520 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.666. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 1.328 aan belastingrente in rekening gebracht.

BK-17/00539

1.1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.098 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.395. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 834 aan belastingrente in rekening gebracht.

Alle zaken

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen voormelde navorderingsaanslagen en beschikkingen afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van eenmaal € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 november 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

In de jaren 2011 en 2012 heeft belanghebbende deelgenomen in [A] C.V. De activiteiten van deze commanditaire vennootschap bestaan uit het houden van de aandelen in [B] B.V., die op haar beurt de aandelen bezit in lokale vastgoedvennootschappen in [C] .

3.2.

In het jaar 2013 bezit belanghebbende beleggingen in obligaties die zijn uitgegeven door [D] en [F] . Voorts is belanghebbende in 2013 in het bezit van door [G] uitgegeven participaties. [G] is een fonds dat belegt in voor verhuur bestemd vastgoed door de uitgifte van participaties van € 25.000 per stuk. Deze participaties zijn feitelijk op één lijn te stellen met obligaties.

3.3.

In de aangiften voor de onderhavige jaren heeft belanghebbende onder meer de volgende verliezen uit onderneming (box 1) in aanmerking genomen:

2011

[A] C.V.

€ -8.517

2012

[A] C.V.

€ -25.000

2013

[D]

€ -8.000

[F]

€ -8.000

[G]

€ -7.000

€ -23.000

3.4.

Naar aanleiding van de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2014, waarin wederom een verlies uit onderneming is aangegeven, heeft de Inspecteur onderzocht of ter zake van de in die aangifte vermelde ondernemingsactiviteiten nog sprake is van een bron van inkomen. Het onderzoek naar de aangifte voor het jaar 2014 wees uit dat het aangegeven verlies betrekking heeft op beleggingen in obligaties. Vervolgens heeft de Inspecteur de aangiften voor de jaren 2011 tot en met 2013 opnieuw beoordeeld en het standpunt ingenomen dat belanghebbende de hiervoor vermelde verliezen niet in aanmerking kan nemen. In verband daarmee heeft de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd, waarbij de bij de primitieve aanslagen vastgestelde belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2011 tot en met 2013 zijn verhoogd met respectievelijk € 8.517, € 25.000 en € 23.000.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

" (…)

4. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting (Awr) te weinig geheven belasting kan worden nagevorderd. Navordering is echter niet mogelijk als het feit op grond waarvan wordt nagevorderd de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had behoren te zijn (“nieuw feit”). Is de belastingplichtige te kwader trouw, dan kan ook worden nagevorderd als geen sprake is van een nieuw feit.

5. Dat [de Inspecteur] ermee bekend werd dat het door [belanghebbende] aangegeven verlies betrekking had op beleggingen, kan volgens [belanghebbende] in dit geval niet als een nieuw feit worden aangemerkt. Immers een feit dat [de Inspecteur] pas ontdekt na onderzoek in het kader van de aanslagregeling 2014 kan niet tevens een nieuw feit kan zijn voor de jaren 2011, 2012 en 2013. Voorts voert [belanghebbende] aan dat hij in de jaren voorafgaande aan 2011 ook winst uit onderneming heeft aangegeven en [de Inspecteur] reeds toen onderzoek had moeten doen.

6. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Awr, dient te worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de door navordering te corrigeren handeling tot stand is gekomen (vgl. Hoge Raad 5 juli 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9555). De navorderingsaanslagen zijn opgelegd ter correctie van de aan [belanghebbende] opgelegde aanslagen IB/PVV voor de jaren 2011, 2012 en 2013. Omdat die aanslagen al waren vastgesteld nog voordat [de Inspecteur] had geconstateerd dat de verliezen (deels) betrekking hadden op beleggingen, vormt de latere ontdekking daarvan een nieuw feit beoordeeld naar het tijdstip waarop de aanslagen tot stand zijn gekomen. De vraag die dan nog resteert is of [de Inspecteur] de aangiften op het onderdeel van de verliezen niet had moeten onderzoeken voordat hij de aanslagen zou vaststellen.

7. Met betrekking tot de onderzoeksplicht van [de Inspecteur] bij het vaststellen van een aanslag geldt dat [de Inspecteur] als regel met vertrouwen mag afgaan op de aangifte van een belastingplichtige. [De Inspecteur] is slechts gehouden een onderzoek in te stellen indien er bijzondere omstandigheden zijn die hem reden geven om aan de juistheid van een ingediende aangifte te twijfelen (vgl. Hoge Raad 9 januari 2009, ECLI:NL:HR:BG9068). Naar het oordeel van de rechtbank behoefde [de Inspecteur], na met normale zorgvuldigheid van de door [belanghebbende] voor de jaren 2011, 2012 en 2013 ingediende aangiften IB/PVV te hebben kennis genomen, in redelijkheid niet te twijfelen aan de juistheid van de daarin vermelde gegevens. [De Inspecteur] was dus niet gehouden tot het instellen van een nader onderzoek. De rechtbank weegt in dit oordeel mee dat [belanghebbende] in de jaren voorafgaande aan 2011 ook winst uit onderneming had aangegeven en dat het aangegeven verlies uit onderneming in dat licht bezien geen bijzondere omstandigheid vormde.

8. [ Belanghebbende] heeft zich nog beroepen op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op deze rechtsbeginselen niet. Aan het enkele feit dat de voor de jaren 2011, 2012 en 2013 opgelegde aanslagen IB/PVV zijn vastgesteld conform de ingediende aangiften, kan geen in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend (vgl. Hoge Raad, 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179). Voorts is gesteld noch gebleken dat [de Inspecteur] ten aanzien van de beleggingen een standpunt heeft ingenomen waarop [belanghebbende] zich in rechte kan beroepen.

9. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte heffingsrente (2011) en belastingrente (2012 en 2013). [Belanghebbende] heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente en belastingrente onjuist zijn toegepast, zijn de beroepen ook in zoverre ongegrond.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft [de Inspecteur] de navorderingsaanslagen IB/PVV terecht opgelegd en zijn de beroepen ongegrond verklaard.

(…)"

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

In hoger beroep is in geschil of de onderhavige navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Het bedrag van de navorderingsaanslagen als zodanig is tussen partijen niet in geschil.

5.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, wordt verwezen naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente en belastingrente.

6.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de Inspecteur de te weinig geheven belasting op grond van artikel 16, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) navorderen. Het vermoeden dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven, mag niet gebaseerd zijn op een verandering of herstel van inzicht in het recht of reeds bekende feiten. Bovendien is vereist dat gaat om een feit dat de Inspecteur ten tijde van de vaststelling van de aanslag niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn, behalve in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is geweest. Op de Inspecteur rust de last feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

7.2.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat hij beschikte over een feit dat navordering rechtvaardigt en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Belanghebbende heeft in het verleden geparticipeerd in een aantal scheepvaart-cv's en de daaruit genoten resultaten in zijn aangiften IB/PVV verantwoord als winst uit onderneming. De omstandigheid dat belanghebbende in een reeks van jaren (2007 tot en met 2014) verliezen uit onderneming heeft aangegeven vormde reden om bij de aanslagregeling voor het jaar 2014 te onderzoeken of nog sprake was van een bron van inkomen ter zake van de in de aangifte vermelde ondernemingsactiviteiten. Bij de beoordeling van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 is geconstateerd dat de in die aangifte opgevoerde verliezen betrekking hebben op beleggingen in obligaties. Naar aanleiding hiervan zijn de aangiften IB/PVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 opnieuw beoordeeld en is vastgesteld dat belanghebbende (een gedeelte van) de verliezen uit onderneming ten onrechte in aanmerking heeft genomen. Dit omdat deze verliezen enerzijds betrekking hebben op deelname in een cv die geen onderneming uitoefent maar slechts aandelen houdt, en anderzijds op beleggingen in obligaties. In verband daarmee zijn de onderhavige aanslagen opgelegd.

7.3.

Belanghebbende heeft hier in de eerste plaats tegenover gesteld dat een onderzoek naar de aangifte voor het jaar 2014 nooit kan leiden tot een nieuw feit in de jaren 2011 tot en met 2013. Die stelling berust echter op een onjuist begrip van de in artikel 16 AWR neergelegde navorderingsregeling. Zoals de Rechtbank met juistheid heeft overwogen, dient het antwoord op de vraag of sprake is van een feit dat navordering rechtvaardigt te worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de door navordering te corrigeren handeling tot stand is gekomen. Gelet op hetgeen de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, moet ervan worden uitgegaan dat hij na het opleggen van de primitieve aanslagen bekend is geworden met het feit dat de onderhavige verliezen betrekking hebben op beleggingen. Beoordeeld naar het moment waarop de primitieve aanslagen zijn vastgesteld, is dus geen sprake is van een feit dat de Inspecteur bekend was.

7.4.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat sprake is van een ambtelijk verzuim omdat de Inspecteur bij de regeling van de onderhavige aanslagen beter had moeten opletten. De Inspecteur had volgens belanghebbende de in de aangiften gepresenteerde verliezen moeten onderzoeken, vooral omdat hij in de aangiften voor 2007 en vanaf 2009 ook verliezen uit onderneming heeft opgevoerd. Nu de Inspecteur heeft nagelaten onderzoek te doen naar de juistheid van de aangiften alvorens primitieve aanslagen vast te stellen, kan de Inspecteur naar de mening van belanghebbende niet navorderen.

7.5.

Naar het Hof begrijpt, behelst het in 7.4 weergegeven betoog van belanghebbende het standpunt dat in het onderhavige geval navordering niet mogelijk is omdat sprake is van een feit dat de Inspecteur ten tijde van vaststelling van de primitieve aanslagen redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Ter beoordeling van dit standpunt moet vooropgesteld worden, gelijk de Rechtbank heeft gedaan, dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.

7.6.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur in het onderhavige geval in redelijkheid niet aan de juistheid van de ingediende aangiften behoefde te twijfelen, zodat het nalaten van het instellen van een onderzoek naar de aangegeven verliezen niet als een ambtelijk verzuim kan worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat belanghebbende verliezen heeft aangegeven brengt immers op zichzelf niet mee dat de Inspecteur bij de aanslagregeling de aard van de activiteiten van [A] C.V. in twijfel behoefde te trekken, noch dat hij behoorde te vermoeden dat de verliezen (gedeeltelijk) betrekking hebben op beleggingen in obligaties. Bij dit oordeel is in aanmerking genomen dat belanghebbende sinds 2007 deel heeft genomen in een aantal (scheepvaart-)cv's ter zake waarvan hij als medegerechtigde winstaangiften heeft ingediend. De Inspecteur beschikte dus over een navordering rechtvaardigend nieuw feit.

7.7.

Belanghebbende heeft zich tot slot beroepen op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof op goede gronden beslist dat het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet zijn geschonden.

Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat een andere conclusie rechtvaardigt.

7.8.

Gelet op al het vorenoverwogene is de slotsom dat de onderhavige navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Het hoger beroep is ongegrond en beslist dient te worden als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, E.M. Vrouwenvelder en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier N. El Allaoui. De beslissing is op 19 december 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.