Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4128

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
22-000844-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak.

Het feit dat er- een bedrag van in totaal € 126.665,- in de auto bij verdachte is aangetroffen, wil niet zeggen dat er sprake is van witwassen. Naar het oordeel van het hof (gezien de overlegde bewijsstukken) mogelijk dat het om een deel van zijn bedrijfsomzet gaat die de verdachte buiten het zicht van de fiscus wilde houden. Dit levert op zichzelf op dat tijdstip nog geen strafbaar feit op, nu het bedrijf nog geen belasting-aangifte had gedaan of hoeven doen.

Het hof gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten geld en een personenauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000844-17

Parketnummer: 10-740300-12

Datum uitspraak: 22 december 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortejaar] 1982,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 8 december 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het eerste cumulatief/alternatief (geld) en het tweede cumulatief/alternatief (auto) ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het inbeslaggenomen geld (€ 126.665,-) en de auto zullen worden verbeurd verklaard.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Voorts is beslist omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als vermeld in het vonnis.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 september 2012 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen (in totaal 126.600 euro of daaromtrent), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op dat/die voorwerpen waren

en/of

een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen (126.600 euro of daaromtrent) en/of een auto, merk BMW,type 3 serie, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, althans van voormelde voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededaders wisten, althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

In geval van witwassen dient te worden bewezen dat de tenlastegelegde voorwerpen – in dit geval een geldbedrag en een auto – uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Naar het oordeel van het hof was in de onderhavige zaak met betrekking tot het geld een vermoeden van witwassen gerechtvaardigd, met verwijzing naar de omstandigheden waaronder het geld - een bedrag van in totaal € 126.665,- in de auto bij verdachte is aangetroffen, in combinatie met de verklaringen die hij in eerste instantie ten overstaan van de politie heeft afgelegd.
Vervolgens heeft verdachte alsnog verklaringen gegeven voor de herkomst van het geldbedrag. Daarbij heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat het geldbedrag de optelsom betreft van zijn bedrijfsomzet en zakelijke en persoonlijke leningen. Anders dan het openbaar ministerie, is het hof van oordeel dat die latere verklaringen van verdachte concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Het feit dat de door verdachte overgelegde boekhouding mogelijk niet (geheel) sluitend is en er verschillen bestaan tussen de bij verdachte aangetroffen handgeschreven boekhouding en de boekhouding die door de accountant van verdachte is opgemaakt, brengt niet met zich mee dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat (een groot deel van) het geldbedrag uit een andere bron dan de bedrijfsomzet afkomstig is.

Het gegeven dat de verdachte mogelijk een deel van die bedrijfsomzet buiten het zicht van de fiscus wilde houden, kan een verklaring voor de rommelige boekhouding zijn en levert op zichzelf op dat tijdstip nog geen strafbaar feit op, nu het bedrijf nog geen belasting-aangifte had gedaan of hoeven doen.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen auto, een BMW, type 3 serie, is het hof eveneens van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het geld, waarmee verdachte de auto heeft gekocht, geen legale herkomst had, zodat de verdachte ook daarvan behoort te worden vrijgesproken.


Het oordeel van het hof is dan ook dat verdachte behoort te worden vrijgesproken van de hem cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    geld (€ 126.665,-) en

  • -

    een personenauto (BMW, type 3, kenteken [x]).

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge,

mr. W.A.G.J.W. Ferenschild en mr. O.E.M. Leinarts, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 december 2017.