Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4126

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
200.219.169/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderbewindstelling in de zin van artikel 1:431 BW; rechthebbende als gevolg van zijn geestelijke toestand niet in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig behoorlijk waar te nemen; inschrijving van het beschermingsbewind in de openbare registers?; beroep op artikel 12 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; extra bescherming van inschrijving van het bewind in het register (alleen) geboden is in die gevallen waarin het gevaar bestaat dat de rechthebbende, ondanks het bewind, voor hem nadelige rechtshandelingen zal verrichten; het in onderhavige zaak zeer beperkte risico rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de inperking van de privacy die de registratie van het bewind voor de rechthebbende meebrengt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0070
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 13 december 2017

Zaaknummer : 200.219.169/01

Rekestnummer rechtbank : EJ VERZ 17-82210

Zaaknummer rechtbank : 5750901

[appellant] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat mr. W.G. Nieman te Leiden.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. de Stichting [A-Stichting] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

hierna te noemen: [A-Stichting] ;

2. [naam 1] ,

gevestigd te [plaats] ,

hierna te noemen: de bewindvoerder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De rechthebbende is op 10 juli 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 april 2017 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Leiden (verder: de bestreden beschikking).

Bij het hof zijn daarna de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de rechthebbende:

  • -

    op 19 september 2017 een brief van 15 september 2017 met bijlage;

  • -

    op 3 november 2017 een brief van 2 november 2017 met bijlage;

van de zijde van de bewindvoerder:

- op 15 september 2017 een brief van 14 september 2017 met bijlage.

De zaak is op 8 november 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    [naam 2] namens [A-Stichting] ;

  • -

    de bewindvoerder;

Tevens is verschenen [naam 3] , schrijftolk. Bijzondere toegang tot de zitting is verleend aan [naam 4] , de mentor van de rechthebbende.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en is de bewindvoerder benoemd. Daarbij is bepaald dat het bewind wordt ingeschreven in het openbaar Centraal Curatele- en bewindregister.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de onderbewindstelling van de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende, de inschrijving van het bewind in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister en de persoon van de bewindvoerder.

2. De rechthebbende verzoekt het hof:

primair de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek alsnog af te wijzen;

subsidiair de bestreden beschikking te bekrachtigen voor wat betreft de uitspraak van het beschermingsbewind, maar tot bewindvoerder te benoemen [A BV] , [naam 5] , [adres] .

3. De bewindvoerder verzet zich niet tegen het subsidiaire verzoek.

De onderbewindstelling

4. De rechthebbende stelt voorop dat hij niet gehoord is voorafgaand aan de instelling van het bewind. De rechthebbende heeft het idee dat er over in plaats van met hem is beslist, hetgeen zijn vertrouwen in de bewindvoering ondermijnt. De rechthebbende stelt voorts dat de bestreden beschikking niet behoorlijk gemotiveerd is, waardoor het de rechthebbende niet duidelijk is op welke gronden de rechtbank tot haar oordeel is gekomen. Dat maakt acceptatie van de bestreden beschikking lastig. De rechthebbende voert daarnaast aan dat hij altijd in staat is geweest zijn eigen boontjes te doppen. Hij is hoogopgeleid en hij is zakenman geweest. De rechthebbende stelt dat de over hem opgemaakte medische rapportages niet valide zijn, nu die rapportages steunen op testen die zijn afgenomen in een periode dat hij door lichamelijke problemen verzwakt en labiel was. De rechthebbende vraagt zich dan ook af of bewind nodig is. De rechthebbende doet al zijn betalingen nog zelf en de problemen met de fiscus zijn opgelost. Mogelijk dat vrijwillige hulp dan ook volstaat.

5. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:431, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van

  1. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

  2. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

6. Naar het oordeel van het hof is de rechthebbende als gevolg van zijn geestelijke toestand niet in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig behoorlijk waar te nemen. Het hof overweegt daartoe dat uit de medische verklaring van [naam 6] , psychiater - opgemaakt naar aanleiding van een consult in samenhang met recent neuropsychologisch onderzoek - blijkt dat bij de rechthebbende sprake is van ernstige cognitieve functiestoornissen passend bij een dementiesyndroom, alsmede dat ziektebesef ontbreekt. Ook de indruk die de rechthebbende ter terechtzitting heeft gemaakt, bevestigt de noodzaak van het beschermingsbewind. Het hof neemt tot slot in aanmerking dat de advocaat van de rechthebbende ter terechtzitting heeft verklaard dat de rechthebbende in het verleden financiële hulpverlening heeft gehad via de gemeente, maar dat dit traject bepaald niet succesvol is verlopen en de rechthebbende om die reden op vrijwillige basis geen financiële hulpverlening meer zal accepteren. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen ten aanzien van de onderbewindstelling.

De inschrijving van het beschermingsbewind in de openbare registers

7. De rechthebbende stelt dat inschrijving van het beschermingsbewind in de openbare registers niet noodzakelijk is en derhalve achterwege gelaten dient te worden. De rechthebbende beroept zich daarbij op artikel 12 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, in die zin dat hij aanspraak maakt op toepassing van de minst ingrijpende maatregel. De rechthebbende is kort gezegd van mening dat de inschrijving van het bewind een te grote inbreuk maakt op zijn persoonlijke levenssfeer en ook niet nodig is.

8. De bewindvoerder heeft ter terechtzitting verklaard dat er bij de aanvang van het bewind enkele betalingsachterstanden bestonden, maar dat die inmiddels zijn ingelopen. Het hof concludeert daaruit dat er geen sprake is van verkwisting of het hebben van problematische schulden.

9. Ingevolge artikel 1:436, derde lid, BW kan de kantonrechter op verzoek of ambtshalve bepalen dat een beschikking tot onderbewindstelling wegens een lichamelijke of geestelijke toestand vanwege de griffier zal worden ingeschreven in het register. Deze mogelijkheid bestaat sinds 1 januari 2014 en is onderdeel van een ingrijpende wijziging van de wettelijke regeling inzake de beschermingsmaatregelen voor meerderjarigen.

10. Uit de memorie van toelichting van de genoemde wetsbepaling (Tweede Kamer 2011-2012, kamerstukken 33 054, pagina 28) volgt dat de verzochte registratie volgens de wetgever in beginsel dient te gelden als een inperking van de privacy van de betrokken rechthebbende.

11. Voorts hanteert de wetgever volgens de parlementaire geschiedenis (pagina 3 van de genoemde memorie van toelichting) het uitgangspunt dat een toe te passen beschermingsmaatregel niet verder moet ingrijpen dan noodzakelijk is. Hierbij verwijst de wetgever onder meer naar artikel 12, vierde lid, van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarin dit uitgangspunt is neergelegd.

12. Gelet op het voorgaande acht het hof inschrijving in het register van een bewind dat is ingesteld op grond van een geestelijke of lichamelijke toestand alleen aan de orde indien dit in het concrete geval voor de bescherming van de betreffende rechthebbende noodzakelijk is.

13. Uit artikel 1:439, eerste lid, van het BW volgt dat een rechtshandeling ongeldig is indien deze, ondanks het bewind, is verricht door of is gericht tot de rechthebbende. Deze ongeldigheid kan aan de wederpartij van de rechthebbende slechts worden tegengeworpen, zo deze het bewind kende of had behoren te kennen. Aangezien inschrijving van een bewind in het register ertoe kan leiden dat de wederpartij het bewind had behoren te kennen, is de meerwaarde van de inschrijving in het register erin gelegen dat de bewindvoerder de ongeldigheid van een door de rechthebbende verrichte rechtshandeling aan de wederpartij kan tegenwerpen. Dit betekent dat de extra bescherming van de inschrijving van het bewind in het register (alleen) geboden is in die gevallen waarin het gevaar bestaat dat de rechthebbende, ondanks het bewind, voor hem nadelige rechtshandelingen zal verrichten.

14. Naar het oordeel van het hof is in onderhavige zaak het gevaar dat de rechthebbende ondanks het bewind voor hem nadelige rechtshandelingen zal verrichten niet, althans in zeer beperkte mate, aanwezig. Dit zeer beperkte risico rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de inperking van de privacy die de registratie van het bewind voor de rechthebbende meebrengt. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen voor zover daarin is bepaald dat het bewind in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister wordt ingeschreven.

De persoon van de bewindvoerder

15. De rechthebbende verzoekt het hof subsidiair om - indien het hof de gronden voor het bewind aanwezig acht - een andere bewindvoerder te benoemen, namelijk [naam 7] van [A BV] . De advocaat van de rechthebbende heeft ter terechtzitting verklaard dat het wel klikt tussen de rechthebbende en de huidige bewindvoerder, maar dat de huidige bewindvoerder om medische redenen het bewind niet kan voortzetten.

16. De bewindvoerder heeft bevestigd dat zij het bewind niet kan voortzetten en het hof verzocht om haar te ontslaan van haar taak.

17. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:448, tweede lid, BW wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden. Het hof zal het verzoek van de bewindvoerder om ontslag derhalve toewijzen.

18. Op grond van artikel 1:435, derde lid, BW volgt de rechter bij de benoeming van een bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Het hof zal [naam 7] [A BV] tot opvolgend bewindvoerder benoemen, nu zij zich bereid heeft verklaard de bewindvoering op zich te nemen en niet is gebleken van enige redenen die zich tegen deze benoeming verzetten.

19. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat het bewind wordt ingeschreven in het openbaar Centraal Curatele- en bewindregister;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor wat betreft het ingestelde bewind en de benoeming van de bewindvoerder;

ontslaat met ingang van heden op grond van artikel 1:448, tweede lid, BW [naam 1] voornoemd op eigen verzoek als bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende;

benoemt met ingang van heden tot bewindvoerder over de bij de bestreden beschikking onder bewind gestelde goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan de rechthebbende, [naam 7] van [A BV] , gevestigd aan de [adres] ;

bepaalt dat de voormalig bewindvoerder eindrekening en eindverantwoording over het gevoerde bewind dient af te leggen aan de opvolgend bewindvoerder;

stelt vast dat de voormalig bewindvoerder gerechtigd is om voor het opmaken van de eindrekening en -verantwoording een eenmalige vergoeding in rekening te brengen conform artikel 3 lid 5 sub d van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren van € 194,80;

stelt vast dat de opvolgend bewindvoerder gerechtigd is om maandelijks voor de werkzaamheden een vergoeding in rekening te brengen, als beloning zoals vermeld in artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Den Haag in verband met doorhaling van de aantekening in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, D. Wachter en N.P.C. van Wijk, bijgestaan door mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en is op 13 december 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.