Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:412

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
200.190.766/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:1407, Overig
Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2017:1273
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie en KGB; prejudiciële vraag.

In HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011, is geoordeeld dat bij de vaststelling van kinderalimentatie het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop (KGB) niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het KGB ontvangt. Het is de vraag welke gevolgen dit heeft voor de partneralimentatie. De prejudiciële vraag wordt gesteld of het KGB geldt als inkomen van degene die dit ontvangt, zodat het KGB diens (aanvullende) behoefte vermindert en daarmee de vast te stellen partneralimentatie verlaagt, of dat het KGB evenals andere inkomensafhankelijke overheidsverstrekkingen een aanvullend karakter heeft, zodat het buiten beschouwing blijft bij de bepaling van de behoefte van de ontvanger van het KGB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0057
RFR 2017/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 22 februari 2017

Zaaknummer : 200.190.766/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-5622

Zaaknummer rechtbank : C/09/492820

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.C.J. Smallenbroek te Leiderdorp,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.J.W. de Water te Katwijk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 6 mei 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 februari 2016 van de rechtbank Den Haag. Aangezien 5 mei volgens de Algemene termijnenwet is gelijkgesteld aan een algemeen erkende feestdag en 6 mei 2016 als een daarmee overeenstemmende dag was aangewezen, is het betreffende beroepschrift tijdig ingediend.

De vrouw heeft op 4 juli 2016 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 19 mei 2016 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage, op 8 juni 2016 ingekomen via de gewone post;

- op 10 juni 2016 een brief van 9 juni 2016 met als bijlage een V-formulier van 9 juni 2016

met bijlage;

- op 15 november 2016 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier

van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 8 november 2016 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 16 november 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

Na de zitting zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

  • -

    van de zijde van de vrouw op 17 november 2016 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    van de zijde van man op 23 november 2016 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

Het hof heeft bij brief van 6 februari 2017 de advocaten van partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van het hof om een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad, alsmede over de inhoud van de prejudiciële vraag.

Bij faxbericht van 14 februari 2017 heeft mr. Smallenbroek aan het hof medegedeeld geen nadere opmerkingen te hebben.

Bij faxbericht van 15 februari 2017 heeft mr. De Water het hof bericht geen nadere opmerkingen te hebben.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 10 maart 2015 van de rechtbank Den Haag – de door de man met ingang van 16 juli 2015 tot januari 2016 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 627,- per maand bepaald en met ingang van 1 januari 2016 op € 619,- per maand, vanaf de datum van de beschikking telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het meer of anders verzochte is afgewezen. Bij genoemde beschikking van 10 maart 2015 was de bijdrage bepaald op € 119,- met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook: de partneralimentatie.

2. De man verzoekt het hof:

  • -

    de bestreden beschikking te vernietigen;

  • -

    opnieuw beschikkende uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de alimentatieverplichting per 15 juli 2015 op nihil wordt gesteld;

  • -

    de terugbetalingsverplichting vast te stellen en te bepalen dat het terug te betalen bedrag binnen 14 dagen na de datum van, het hof leest, de te wijzen beschikking door de vrouw voldaan moet worden aan de man en indien de vrouw in gebreke is, dat de man executiemaatregelen mag treffen ten laste van de vrouw, waarbij alle executiekosten voor rekening van de vrouw komen.

3. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof het beroep van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

Ontvankelijkheid vrouw

4. De man voert, samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft het verweer van de man dat de vrouw niet-ontvankelijk is, niet behandeld. Volgens de man had het verzoek van de vrouw onvoldoende feitelijke grondslag om in behandeling te kunnen worden genomen.

5. De vrouw is van mening dat onduidelijk is wat de man bedoelt. Op het moment dat wordt vastgesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden dient beoordeeld te worden of sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De rechtbank heeft volgens de vrouw terecht geoordeeld dat er sprake is van een wijzing van omstandigheden, immers de echtelijke woning is verkocht en geleverd per 16 juli 2015, terwijl bij de berekening van de draagkracht van de man in de beschikking van 10 maart 2015 voor de partneralimentatie nog rekening was gehouden met de door hem betaalde woonlasten van de echtelijke woning. Daarom is de vrouw ontvangen in haar verzoek. Er is immers niet alleen sprake van een wijziging van omstandigheden maar ook van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, aldus de vrouw.

6. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank Den Haag heeft bij de berekening van de partneralimentatie in de beschikking van 10 maart 2015 inderdaad rekening gehouden aan de zijde van de man met woonlasten van de voormalige echtelijke woning, die op dat moment door hem werden betaald. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de voormalige echtelijke woning op 16 juli 2015 is verkocht en geleverd, zodat de man deze woonlasten vanaf dat moment niet langer voor zijn rekening hoeft te nemen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verkoop van de voormalige echtelijke woning een wijziging van omstandigheden oplevert in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zodat de vrouw op de juiste gronden door de rechtbank is ontvangen in haar verzoek tot wijziging van de partneralimentatie met ingang van 16 juli 2015. Het hof gaat voorts voorbij aan de stelling van de man dat het verzoek van de vrouw onvoldoende feitelijk is. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval.

Ingangsdatum

7. Het hof gaat, evenals de rechtbank, uit van een ingangsdatum van de beoordeling van de partneralimentatie van 16 juli 2015, zijnde de datum van de wijziging van omstandigheden.

Behoefte en behoeftigheid vrouw

8. De rechtbank heeft volgens de man geen aandacht besteed aan het verweer van de man dat uitgangspunt is dat ieder verantwoordelijk is voor het genereren van eigen inkomen. De vrouw wist vanaf begin 2013 dat zij voor zichzelf inkomen moest gaan verdienen. Zij heeft niet geprobeerd om haar deeltijd functie aan te vullen dan wel te vervangen. De overgelegde sollicitaties zijn niet serieus en de vrouw heeft na het uiteengaan ook geen cursussen of opleidingen gevolgd die haar positie op de arbeidsmarkt kunnen verbeteren. Er moet derhalve van worden uitgegaan dat er geen reden is dat de vrouw inmiddels geen minimuminkomen kan verdienen. Gezien de behoefte van de vrouw is er geen reden om alimentatie te vragen. De rechtbank heeft geen enkele aandacht besteed aan de inkomenspositie van de vrouw of aan de door de man overgelegde berekening van de inkomenssituatie van de vrouw. Het kindgebonden budget maakt deel uit van het inkomen van de vrouw. Zij heeft een hoger netto inkomen dan de “hofnorm” terwijl zij een lagere behoefte heeft dan die “hofnorm”.

9. De vrouw kan zich verenigen met het uitgangspunt van de rechtbank dat de wijziging van omstandigheden uitsluitend betrekking heeft op de verkoop en levering van de echtelijke woning en de daarmee samenhangende lasten, derhalve op de draagkracht van de man. Er is dan ook geen aanleiding om de behoefte van de vrouw opnieuw vast te stellen. De behoefte van de vrouw is recent bij beschikking van 10 maart 2015 van de rechtbank Den Haag voor het eerst vastgesteld en de man heeft daartegen geen beroep ingesteld. Verder stelt de vrouw dat het bij haar huidige werkgever niet mogelijk is om haar uren uit te breiden, terwijl inschrijving bij het UWV en de tot heden verrichte sollicitaties geen resultaat hebben gehad. De rechtbank heeft volgens de vrouw terecht overwogen dat voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat de behoefte van de vrouw ten opzichte van de beschikking van 10 maart 2015 is gewijzigd, dit door de man onvoldoende is onderbouwd. De behoefte bedraagt € 1.079,- per maand, geïndexeerd € 1.093,- per maand.

De vrouw stelt voorts dat er geen enkele aanleiding voor de rechtbank was om de inkomenspositie van de vrouw dan wel de behoefte nader/opnieuw vast te stellen. Overigens maakt het kindgebonden budget geen onderdeel uit van het inkomen van de vrouw, omdat dat wordt aangewend ten behoeve van de minderjarige kinderen van partij, aldus de vrouw.

10. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank Den Haag heeft bij de beschikking van 10 maart 2015 de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vastgesteld op € 1.256,- netto per maand, na de toepassing van de hofnorm (60% van € 2.094,-). De man heeft hier destijds geen hoger beroep tegen ingesteld, terwijl er wel een bijdrage is opgelegd en hij dus daarbij wel belang had, zodat de behoefte van de vrouw naar het oordeel van het hof is komen vast te staan op € 1.256,- netto per maand. In zijn beroepschrift stelt de man de behoefte van de vrouw opnieuw aan de orde. Echter, in de door de advocaat van de man ter zitting bij het hof overgelegde en voorgedragen pleitnota stelt de man dat de behoefte van de vrouw circa € 1.500,- netto per maand bedraagt. De man stelt derhalve de behoefte van de vrouw op een hoger bedrag vast dan de rechtbank heeft gedaan in de bestreden beschikking, zoals ook ter zitting door de man is erkend. Het hof zal derhalve voorbijgaan aan de stellingen van de man betreffende de hoogte van de behoefte van de vrouw en uitgaan van een behoefte van de vrouw van € 1.256,- netto per maand.

11. Ten aanzien van het betoog van de man dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien – derhalve met betrekking tot haar behoeftigheid – overweegt het hof als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vrouw thans een parttime functie heeft in de thuiszorg en daarnaast voor de twee minderjarige kinderen van partijen zorgt. De afgelopen periode heeft de vrouw meermalen op diverse vacatures gesolliciteerd, zo blijkt uit de diverse door haar overgelegde sollicitatiebrieven. Gezien haar opleiding, werkervaring en de branche waarin zij werkt, acht het hof het aannemelijk dat de vrouw de door haar verzochte uitbreiding van haar uren bij haar huidige werkgever niet heeft kunnen realiseren, alsmede dat zij nog geen andere baan, met meer uren dan wel aanvullende uren, heeft kunnen vinden. Het hof gaat bij de berekening van de behoeftigheid/de aanvullende behoefte van de vrouw dan ook uit van haar huidige inkomen, zoals blijkt uit de door haar overgelegde jaaropgave 2015, zijnde € 12.775,- bruto per jaar. De vrouw heeft betwist dat van dit jaarinkomen moet worden uitgegaan omdat in dat bedrag de inkomsten uit overwerk zijn begrepen. Het hof zal hieraan voorbijgaan nu uit de stukken is gebleken dat de vrouw structureel overwerk verricht.

Behoefte, kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop

12. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011, geoordeeld dat bij de vaststelling van kinderalimentatie het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop moeten derhalve worden beschouwd als inkomensondersteuning van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.

13. Nadien is in de rechtspraak de vraag gerezen wat hiervan de gevolgen moeten zijn voor de vaststelling van partneralimentatie. Deze vraag is in de rechtspraak tot op heden op verschillende wijzen beantwoord. Enerzijds is er de stroming volgens welke het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop dienen te worden beschouwd als (eigen) inkomen van degene die de bijdrage ontvangt, zodat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop van invloed zijn op de hoogte van de (aanvullende) behoefte van de onderhoudsgerechtigde in die zin dat zij de (aanvullende) behoefte en daarmee de vast te stellen partneralimentatie verminderen. Anderzijds is er de stroming die het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop als van aanvullende aard ziet, evenals andere inkomensafhankelijke overheidsverstrekkingen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag, met als gevolg dat zij buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de bepaling van de behoefte van degene die deze bijdrage ontvangt.

14. Zo heeft hof Arnhem-Leeuwarden op 19 januari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:309, geoordeeld dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop in mindering strekt op de aanvullende behoefte van de gerechtigde tot partneralimentatie, waarbij wel diens aandeel in de kosten van de kinderen op het kindgebonden budget in mindering worden gebracht, evenals het aan hem toegerekende gedeelte van het tekort aan draagkracht voor kinderalimentatie.

15. Daarentegen heeft hof Den Haag in zijn beschikking van 27 januari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:116, geoordeeld dat bij de bepaling van de aanvullende behoefte geen rekening moet worden gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Het hof wees er daarbij op dat het ontvangen van partneralimentatie van invloed is op de omvang van het verzamelinkomen en dus op de hoogte van het kindgebonden budget. Aangezien een verlaging van het kindgebonden budget de aanvullende behoefte aan partneralimentatie weer beïnvloedt, ontstaat als het ware een vicieuze cirkelberekening. Voorts wees het hof op Hoge Raad 27 januari 1995, NJ 1995/291 (de beschikking vermeldt per abuis NJ 1995/295), waarin is geoordeeld dat huursubsidie vanwege haar aanvullende aard niet in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de behoefte, en oordeelde dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop eveneens een aanvullend karakter hebben.

16. Ook in zijn beschikking van 23 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:806, oordeelde hof Den Haag dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop niet van invloed zijn op de (aanvullende) behoefte. Het hof wees er in deze uitspraak op dat zowel de huurtoeslag, de zorgtoeslag als het kindgebonden budget onder de Wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: AWIR) vallen, dat partneralimentatie belastbare inkomsten oplevert in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en dat het toetsingsinkomen in de zin van de AWIR is het verzamelinkomen van artikel 2.18 Wet IB 2001. Vervolgens overwoog het hof dat zowel bij de huurtoeslag als bij het kindgebonden budget sprake is van inkomensondersteuning die afhankelijk is van het verzamelinkomen, en dat naar zijn oordeel de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn ex-echtgenote prevaleert boven de ondersteuning die de vrouw kan krijgen van de staat indien zij niet volledig in haar levensonderhoud kan voorzien. Ter onderbouwing van dat oordeel verwees het hof wederom naar HR 27 januari 1995, NJ 1995/291.

17. Hof Amsterdam heeft in zijn beschikking van 29 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1149, geoordeeld dat het redelijk is om de behoefte van de gerechtigde aan partneralimentatie te verminderen met het kindgebonden budget indien de alimentatieplichtige volledig in de behoefte van de kinderen voorziet. In een dergelijk geval zou het kindgebonden budget als netto inkomen aan de zijde van de verzorgende ouder moeten worden beschouwd.

18. In zijn beschikking van 12 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1396, heeft hof Amsterdam het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget niet in mindering gebracht op haar behoefte, aangezien vaststond dat het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen het door haar ontvangen kindgebonden budget oversteeg.

19. Hof Den Haag heeft in zijn beschikking van 18 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1389, aangegeven omwille van de rechtseenheid en het geringe verschil in uitkomst in de verschillende benaderingen het standpunt van de andere hoven ten aanzien van de vaststelling van de (aanvullende) behoefte voor partneralimentatie en het kindgebonden budget te volgen en dus vooralsnog niet langer te beslissen in de lijn van zijn eerdere uitspraak van 23 maart 2016 (genoemd in r.o. 16 hiervóór). Het hof heeft vervolgens het netto maandinkomen van de vrouw vermeerderd met het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop, nadat dit is verminderd met het voor rekening van de vrouw komende aandeel in de kosten van de kinderen.

20. Het rapport alimentatienormen versie 2017 van de expertgroep alimentatienormen merkt in paragraaf 5.3. bij de vaststelling van de partneralimentatie het kindgebonden budget aan als inkomen van de onderhoudsgerechtigde:

“Bij de onderhoudsplichtige wordt het aandeel in de kosten kinderen dat voor zijn rekening komt, dat wil zeggen voor toepassing van de eventuele zorgkorting (voor hun beider of andere kinderen) als last in mindering op de draagkracht gebracht, [...]. De door de onderhoudsgerechtigde ontvangen kinderalimentatie wordt direct toegerekend aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel wordt bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening gehouden met de aan die ouder toekomende fiscale voordelen van het tot het gezin behoren van kinderen, zoals de extra heffingskorting alsmede het kindgebonden budget waarop aanspraak bestaat.”

Hierbij zij opgemerkt dat deze passage is opgenomen in het kader van de in een later stadium van de alimentatieberekening gemaakte zogenoemde ‘jusvergelijking’. Een dergelijke vergelijking wordt gemaakt wanneer sprake is van eigen inkomen van de onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht en heeft tot doel te bezien of de onderhoudsgerechtigde bij vaststelling van een in eerste instantie berekend bedrag aan alimentatie niet meer vrij besteedbaar inkomen (‘jus’) overhoudt dan de onderhoudsplichtige.

21. Ook in de literatuur zijn verschillende standpunten ingenomen met betrekking tot de aan de uitspraak van 9 oktober 2015 van de Hoge Raad voor de vaststelling van partneralimentatie te verbinden gevolgen. Enerzijds wordt verdedigd dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop bij de vaststelling van de (aanvullende) behoefte in aanmerking moeten worden genomen omdat sprake is van inkomensondersteuning voor de verzorgende ouder. Anderzijds wordt het standpunt ingenomen dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop daarbij buiten aanmerking moeten blijven, omdat de onderhoudsverplichting van de ene gewezen echtgenoot jegens de andere prevaleert boven de door de staat aan de laatste geboden inkomensondersteuning indien deze niet (volledig) in zijn levensonderhoud kan voorzien. Het hof verwijst kortheidshalve naar het overzichtsartikel van I. van der Kamp, ‘Partneralimentatie en kindgebonden budget’, EB 2016/91, en de aldaar genoemde literatuur.

22. Ten slotte wijst het hof nog op het volgende. In zijn reeds genoemde uitspraak van 9 oktober 2015 heeft de Hoge Raad in r.o. 3.3.2 overwogen dat de wetgever met de alleenstaande ouderkop heeft beoogd twee doelen na te streven: aanvullende inkomensondersteuning van de alleenstaande ouder en, als onderdeel van het kindgebonden budget, een tegemoetkoming in de kosten van kinderen. In r.o. 3.4.2 is gepreciseerd dat de overheidsondersteuning in de vorm van het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop erop is gericht de ouders in staat te stellen om in de behoefte van hun kind te voorzien; beoogd is de verzorgende (alleenstaande) ouder inkomensondersteuning te bieden om in de behoefte van zijn kind te voorzien. De daaraan verbonden conclusie is dat deze tegemoetkomingen de draagkracht van die ouder verhogen bij de vaststelling van kinderalimentatie.

Indien het kindgebonden budget bij de gerechtigde tot partneralimentatie het netto inkomen verhoogt en daarmee diens (aanvullende) behoefte verlaagt, kan het gevolg daarvan zijn dat het kindgebonden budget gedeeltelijk moet worden aangewend om te voorzien in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde. In zoverre zou het kindgebonden budget dan niet kunnen worden aangewend om in de behoefte van diens kind te voorzien.

De situatie kan zich ook voordoen dat de partneralimentatieplichtige de verzorgende ouder is. Indien het kindgebonden budget bij de partneralimentatiegerechtigde het netto inkomen verhoogt en daarmee diens (aanvullende) behoefte verlaagt, lijkt het voor de hand te liggen dat dit ook het geval zal zijn bij de partneralimentatieplichtige indien deze als verzorgende ouder het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop ontvangt. Dat zou in een voorkomend geval tot gevolg kunnen hebben dat het kindgebonden budget gedeeltelijk moet worden aangewend om de alimentatiegerechtigde, zijnde de niet-verzorgende ouder, van partneralimentatie te voorzien. Indien en voor zover het kindgebonden budget wordt aangewend om te voorzien in de behoefte van de gewezen partner van de verzorgende (alleenstaande) ouder, kan het kindgebonden budget niet worden benut om in de behoefte van het kind te voorzien, hetgeen niet lijkt te stroken met de strekking van het kindgebonden budget, zoals de Hoge Raad deze heeft verwoord in zijn uitspraak van 9 oktober 2015.

23. In de onderhavige zaak is geen sprake van een gering verschil in uitkomst als bedoeld in hof Den Haag 18 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1389, tussen de verschillende benaderingen van de hoven. Immers, uitgaande van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 1.256,- netto per maand, het eigen inkomen van de vrouw van € 935,- netto per maand, een kindgebonden budget van in totaal € 445,- en het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen van € 130,- per maand bedraagt de vast te stellen partneralimentatie:

  • -

    volgens de lijn van hof Den Haag 23 maart 2016: € 1.256,- minus € 935,- = € 321,- netto per maand;

  • -

    volgens de hierboven geschetste lijn van de andere hoven: € 1.256,- minus € 935,- en minus (€ 445 minus het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen ad € 130 =) € 315,- = € 6,- netto per maand.

24. Het hof ziet dan ook, gelet op de verschillende opvattingen en het grote verschil in uitkomst in de onderhavige zaak, aanleiding voor het ambtshalve stellen van een prejudiciële vraag op de voet van artikel 392 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het antwoord op deze vraag is rechtstreeks van belang voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen waarin dezelfde vragen zich voordoen.

25. Het hof zal de Hoge Raad vragen bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvraag te beantwoorden:

Moet in het kader van de vaststelling van de op de voet van artikel 1:157 BW door de ene aan de andere (gewezen) echtgenoot verschuldigde uitkering tot levensonderhoud rekening worden gehouden met het door de onderhoudsgerechtigde echtgenoot ontvangen kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, door dit te beschouwen als inkomen van laatstgenoemde echtgenoot, met als gevolg dat het kindgebonden budget in mindering strekt op diens behoefte aan een uitkering tot levensonderhoud, dan wel is bij het kindgebonden budget sprake van een overheidsbijdrage van aanvullende aard waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage bij het vaststellen van die behoefte buiten beschouwing moet worden gelaten en enkel bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsgerechtigde (in het kader van de jusvergelijking) in aanmerking moet worden genomen?

26. Het hof tekent daarbij aan dat de andere hoven na consultatie hebben aangegeven dat zij het op prijs zouden stellen als de Hoge Raad in het kader van de beantwoording van bovengenoemde vraag ook aandacht zou (kunnen) besteden aan de door hen gevolgde benadering als bedoeld in rechtsoverweging 14.

27. Nu met de beantwoording van de prejudiciële vraag naar verwachting enkele maanden zullen zijn gemoeid en partijen belang hebben bij een beslissing, zal het hof, omwille van de rechtseenheid en de rechtszekerheid, ook in dit geval bij wijze van voorlopige beslissing het standpunt van de andere hoven in dezen volgen en dus niet beslissen in de lijn van meergenoemde eerdere uitspraak van 23 maart 2016.

Het hof zal gelet hierop het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop, zijnde op basis van het jaarinkomen van de vrouw, € 5.335,- netto per jaar, € 445,- netto per maand, optellen bij het eigen inkomen van de vrouw, zijnde afgerond € 935,- netto per maand. Daarop moet in mindering worden gebracht het vastgestelde aandeel in de kosten van de kinderen dat voor rekening komt van de vrouw.

28. Uit de beschikking van 10 maart 2015 van de rechtbank Den Haag blijkt dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen € 543,- per maand bedraagt. Voorts blijkt uit deze beschikking, en partijen hebben dat in hoger beroep niet weersproken, dat het aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen € 298,- per maand en de zorgkorting € 115,- per maand bedragen, zodat het aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen in totaal € 413,- per maand bedraagt en het (resterende) aandeel van de vrouw derhalve € 130,- per maand, in welk kader zij ook sportkosten voor de minderjarigen voldoet, zijnde € 72,- per maand.

29. Uitgaande van voornoemde bedragen, is het hof van oordeel dat de vrouw bij toepassing van het standpunt van de andere hoven een te verwaarlozen aanvullende behoefte van € 6,- per maand heeft aan partneralimentatie. Het hof zal dan ook in afwachting van een beslissing op de te stellen prejudiciële vraag de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voorlopig op nihil bepalen met ingang van de datum van deze beschikking. Het hof zal de bijdrage met ingang van 16 juli 2015 definitief bepalen na beantwoording door de Hoge Raad van de voor te leggen vraag. Het hof zal de zaak daartoe aanhouden en na de beslissing op de prejudiciële vraag een nieuwe behandeling bepalen ter gelegenheid waarvan partijen zich kunnen uitlaten over de gevolgen van het antwoord op de prejudiciële vraag voor deze zaak.

30. In het licht van de te stellen vraag overweegt het hof te dien aanzien nog als volgt. Gezien de geboortedatum van de minderjarige kinderen van partijen, beiden zijn geboren op [geboortedatum] 1999, zullen zij op [geboortedatum] 2017 18 jaar worden. Als gevolg hiervan zal de vrouw met ingang van die datum niet langer recht hebben op het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Gelet op het voorgaande en indien de omstandigheden van partijen ongewijzigd blijven, bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw met ingang van 25 oktober 2017 € 321,- netto per maand (behoefte € 1.256 minus het eigen inkomen van € 935).

31. Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 10 maart 2015 van de rechtbank Den Haag - de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van heden voorlopig op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de Hoge Raad om bij wijze van prejudiciële beslissing de in r.o. 25 omschreven rechtsvraag te beantwoorden;

bepaalt dat de griffier onverwijld een afschrift van deze beschikking zendt aan de civiele griffie van de Hoge Raad, Postbus 20303, 2500 EH Den Haag;

bepaalt dat de griffier afschriften van de overige op de procedure betrekking hebbende stukken op eerste verzoek aan voornoemde civiele griffie van de Hoge Raad zendt;

houdt de behandeling van de zaak voor het bepalen van de definitieve bepaling van de partneralimentatie aan tot zaterdag 30 september 2017 pro forma in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vraag door de Hoge Raad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.G.F. Peters, C. van Nievelt en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2017.