Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4099

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
200.225.607/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toelating o.g.v. de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.225.607/01

Rekestnummer rechtbank : C/09/536860 / FT RK 17/1344

arrest van 21 november 2017

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. S. Zahri te Rotterdam.

Het geding

Bij verzoekschrift (met productie), ingekomen ter griffie van het hof op 18 oktober 2017, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 oktober 2017, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 27 oktober 2017 zijn de stukken van de eerste aanleg en een aantal producties aan het hof toegezonden. Op 13 november 2017 is het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg ontvangen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Verschenen is: [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat en de tolk de heer B.P. den Butter.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] heeft op 24 juli 2017 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 115.148,72.

2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw). De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen. [appellant] heeft twee ondernemingen gehad. Het controlerapport van 9 april 2013 inzake het boekenonderzoek van de Belastingdienst vermeldt dat over de verkoop van de activa en het afwikkelen van de staking nog moet worden verantwoord in de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2013. Nu het de rechtbank niet is gebleken dat dit daadwerkelijk is gebeurd, is onduidelijk of de schuldenlijst juist is en of de belastingschuld niet hoger is. Verder acht de rechtbank [appellant] niet te goeder trouw ten aanzien van de belastingschuld van in totaal € 63.817,34, omdat hij heeft nagelaten tijdig aangifte te doen. Ook de schuld aan het CJIB van € 277,- is niet te goeder trouw ontstaan, aldus de rechtbank.

3. De grieven van [appellant] hebben de strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Daarnaast doet hij een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw. Ter zitting van het hof heeft [appellant] zijn standpunt toegelicht.

4. Het hof zal eerst bezien of voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw. Die goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

5. Met inachtneming van dit criterium is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden.

Daartoe wordt overwogen dat [appellant] volgens het schuldoverzicht van de Belastingdienst van 10 januari 2017 een schuld aan de Belastingdienst heeft laten ontstaan van in totaal

€ 63.817,34. Dit bedrag heeft betrekking op aanslagen inkomstenheffing over het jaar 2011, omzetbelasting over de jaren 2011 tot en met 2013 en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over de jaren 2010 tot en met 2012. Deze aanslagen zijn vastgesteld bij beschikkingen van 28 november 2012 of latere datum. De beschikkingen zijn derhalve gedateerd binnen de termijn van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek en dienen dan ook betrokken te worden bij de beoordeling van de goede trouw.

Schulden aan de Belastingdienst die betrekking hebben op het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van belasting zijn in beginsel niet te goeder trouw ontstaan (artikel 5.4.4 bijlage IV bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken). Ter verontschuldiging heeft [appellant] aangevoerd dat een boekhouder de boekhouding, inclusief de aangiften, verzorgde. Daar heeft [appellant] volledig op vertrouwd. Maar ook indien dit juist is kan hierin geen excuus worden gezien. Afspraken met derden, boekhouders, accountants, fiscaal adviseurs, over wie wat zou doen in het kader van de administratie en (het doen van) belastingaangiften en (toezien op) tijdige afdracht van verschuldigde belasting, laten immers onverlet dat [appellant] zelf, als ondernemer, verantwoordelijk was voor de juiste nakoming van dergelijke verplichtingen. Gesteld noch gebleken is dat het aan hem niet is toe te rekenen dat hij in de nakoming van die verplichtingen is tekortgeschoten. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat hem ter zake geen verwijt treft en dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de belastingschulden.

De schuld aan de Belastingdienst staat in beginsel aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg.

6. Verder vermeldt de crediteurenlijst een schuld aan het CJIB van € 277,-. Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat deze schuld betrekking heeft op een parkeerboete. Gezien de achtergrond ervan is deze schuld naar haar aard niet te goeder trouw ontstaan. Dat dit hier anders is en er een voldoende excuus is voor het ontstaan van deze schuld, is niet aannemelijk geworden.

7. Voor de volledigheid merkt het hof nog op dat in hoger beroep door het overleggen van de belastingaangifte over het jaar 2013 en de ter zitting gegeven toelichting voldoende aannemelijk is geworden dat de staking van de onderneming fiscaal correct is afgewikkeld in de belastingaangifte over het jaar 2013. [appellant] heeft in dat verband verklaard dat nog aanwezige activa van de onderneming ten tijde van de stopzetting van de ondernemingen al waren afgeschreven.

8. Het hof heeft vervolgens bezien of er feiten of omstandigheden zijn die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen. Gelet op hetgeen in dat kader door [appellant] naar voren is gebracht, is het hof er voldoende van overtuigd geraakt dat hij zijn financiële en persoonlijke omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan van de schulden, onder controle heeft gekregen. Daartoe wordt het volgende overwogen. Een aanzienlijk deel van de schuldenlast houdt verband met de door [appellant] gevoerde ondernemingen. [appellant] heeft zijn ondernemingen inmiddels geruime tijd geleden gestaakt. Sindsdien is [appellant] geen ondernemer meer en zijn er geen nieuwe schulden meer ontstaan. Daarnaast maakt hij sinds 26 juni 2014 gebruik van budgetbeheer. Zijn financiële situatie is, vergeleken met de situatie in 2015 ten tijde van de afwijzing van zijn eerdere verzoek, (verder) gestabiliseerd. Verder is gebleken dat, nu [appellant] wordt bijgestaan door zijn ex-partner, er voldoende hulp aanwezig is. Het hof is van oordeel dat hiermee ook voldoende aannemelijk is dat [appellant] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een wijziging van omstandigheden van zodanige aard dat de achterliggende oorzaken van de financiële problemen, anders dan zo’n drie jaar terug, inmiddels onder controle zijn.

9. Het hof acht derhalve het beroep op de hardheidsclausule terecht, hetgeen betekent dat [appellant] kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

10. Het hof wijst er wel op dat voor een succesvolle afronding van de schuldsanering is vereist dat [appellant] – indien hij door de rechter-commissaris niet wordt vrijgesteld van de sollicitatieverplichting – alles in het werk zal stellen om een fulltime baan te vinden, de door de te benoemen bewindvoerder gegeven aanwijzingen stipt zal opvolgen en dat [appellant] ook overigens, gevraagd én ongevraagd, aan alle verplichtingen die de wettelijke regeling hem oplegt zal voldoen, bij gebreke waarvan de schuldsaneringsregeling tussentijds zal kunnen worden beëindigd dan wel aan het einde van de schuldsaneringsregeling hem de zogenaamde ‘schone lei’ zal kunnen worden onthouden. Om de nakoming van de verplichtingen te waarborgen, zou [appellant] , gelet op zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal, naast de hulp die hij krijgt van zijn ex-partner, zich kunnen (of moeten) laten begeleiden door een instelling voor maatschappelijk werk, of een andere instantie, bij het vinden waarvan zijn advocaat hem wellicht behulpzaam kan zijn.

11. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

De beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 oktober 2017;

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit;

- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. Vetter, W.M.G. Visser en P.W. van Baal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.