Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4095

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
200.222.446/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toelating o.g.v. de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.222.446/01

Rekestnummers rechtbank : C/10/529162 / FT EA 17/1258 en

C/10/529164 / FT EA 17/1260

arrest van 24 oktober 2017

inzake

1. [naam 1] ,

2. [naam 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] , [appellante] , en tezamen: [appellanten] ,

advocaat: mr. M.W. Huijzer te Papendrecht.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 5 september 2017, hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 augustus 2017, waarbij hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Zij verzoeken het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hen alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij V-formulier van 6 oktober 2017 is het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg aan het hof toegezonden en op 16 oktober 2017 is door het hof nog een aantal producties ontvangen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017, waarbij [appellanten] zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellanten] hebben op 19 juni 2017 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 346.351,14.

2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat (i) [appellanten] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest en (ii) [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3. De grieven van [appellanten] hebben de strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Daarnaast is ter zitting een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw gedaan. Ter zitting van het hof hebben [appellanten] hun standpunt toegelicht.

4. Het hof zal eerst bezien of voldoende aannemelijk is geworden dat [appellanten] te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw. Die goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

5. Met inachtneming van dit criterium is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellanten] te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een deel van de schulden.

Daartoe wordt overwogen dat [appellanten] een schuld aan de Belastingdienst hebben laten ontstaan van thans € 11.624,67 (schuldoverzicht van de Belastingdienst van 5 september 2017), waarvan een bedrag van € 9.200,67 binnen de vijfjaarstermijn valt en derhalve dient te worden betrokken bij de beoordeling van de goede trouw. Dit bedrag van € 9.200,67 heeft grotendeels betrekking op aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2014 en 2015. De aanslag inkomstenbelasting 2015 (€ 3.510,00) is, naar het hof begrijpt, ontstaan doordat ten onrechte loonheffingskorting is toegepast. [appellant] heeft in hoger beroep een verklaring van zijn toenmalige werkgever overgelegd waarin door zijn toenmalige werkgever wordt verklaard dat hij de formulieren destijds niet juist heeft ingevuld. [appellant] had destijds een inkomen uit hoofde van een parttime dienstverband en daarnaast een uitkering en was zich er niet van bewust dat geen loonheffingskorting mocht worden toegepast. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst over het jaar 2015 zodanig verwijtbaar is dat deze aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg zou moeten staan.

De aanslagen die zien op de jaren voor 2015 (twee aanslagen over het jaar 2014, totaal € 5.137,67) hebben volgens [appellanten] betrekking op terugvorderingen van ten onrechte ontvangen voorlopige teruggaven hypotheekrenteaftrek. [appellanten] hebben verklaard dat zij de voorlopige teruggave maandelijks ontvingen terwijl zij hier geen recht meer op hadden, omdat de woning reeds was verkocht. Het hof is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat dit deel van de belastingschuld te goeder trouw is ontstaan. Het is de verantwoordelijkheid van [appellanten] om de Belastingdienst juist en volledig te informeren, hetgeen zij hebben nagelaten.

6. Van benadeling van schuldeisers, zoals de rechtbank in het vonnis heeft overwogen, is het hof niet gebleken. De door [appellant] toegelichte gang van zaken duidt er niet op dat schuldeisers (bewust) zijn benadeeld: de door hem ontvangen ontslagvergoeding ad € 131.000,-- dateert uit 2010. Op dat moment bestond er nog geen problematische schuldensituatie. Van benadeling van schuldeisers is derhalve niet gebleken. Mogelijke schulden die er toen waren, konden worden voldaan.

Het is dan ook voldoende aannemelijk geworden dat het niet onverantwoord is geweest dat een gedeelte van de afkoopvergoeding is aangewend om een kinderdagverblijf te starten (aanvankelijk in de vorm van een besloten vennootschap en later – op instigatie van de bank – in de vorm van een eenmanszaak op naam van de dochter van [appellanten] ) nu vóór de start van het kinderdagverblijf een ondernemingsplan is opgesteld en het kinderdagverblijf steeds over de nodige vergunningen heeft beschikt. Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat het kinderdagverblijf later als gevolg van externe omstandigheden (nieuwe regelgeving en de afbouw van subsidieregelingen) ten onder is gegaan.

De vordering van iBlue Makelaars tenslotte, is door [appellanten] in appel niet langer betwist.

7. Het hof heeft bezien of er feiten of omstandigheden zijn die – ondanks het ontbreken van de goede trouw ten aanzien van de belastingschuld uit 2014 – toelating rechtvaardigen. In dit verband is in aanmerking genomen dat [appellanten] aflossen op hun schulden, [appellant] fulltime werkt en [appellante] solliciteert naar een baan. Daarnaast hebben [appellanten] al ruim drie jaar geen nieuwe (verwijtbare) schulden laten ontstaan. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat [appellanten] hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. In dit verband is ook van belang dat [appellante] , anders dan bij de rechtbank, door het overleggen van sollicitatiebewijzen heeft aangetoond dat zij zich inspant om werk te vinden. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een wijziging van omstandigheden van zodanige aard dat de achterliggende oorzaken van de financiële problemen, anders dan zo’n drie tot vier jaar terug, inmiddels onder controle zijn.

In het licht van de specifieke omstandigheden van dit geval ziet het hof aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

8. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

De beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 augustus 2017;

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellanten] uit;

- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.W. van Baal, S.R. Mellema en F. Damsteegt-Molier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 oktober 2017 in aanwezigheid van de griffier.

In afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Damsteegt-Molier.