Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4091

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
200.221.105%
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging niet-ontvankelijkheid; afwijzing verzoek om de schuldsaneringsregeling van toepassing te veklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.221.105/01

Rekestnummer rechtbank : C/09/534546 / FT RK 17/1106

arrest van 10 oktober 2017

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. M.C. Schmidt te Delft.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 11 augustus 2017, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van

4 augustus 2017, waarbij hij niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. [appellant] verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Op 15 september 2017 is het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg aan het hof toegezonden en op 22 september 2017 is door het hof een aantal producties ontvangen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Verschenen is: [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] heeft op 20 juni 2017 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 32.748,06.

2. De rechtbank heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, omdat, nu er geen jaarstukken van de door hem gedreven onderneming zijn overgelegd, het door hem ingediende verzoek niet compleet was. Voorts heeft de rechtbank opgemerkt dat een origineel uittreksel (niet ouder dan één maand) van de Kamer van Koophandel bij het verzoekschrift ontbrak.

3. In zijn beroepschrift stelt [appellant] zich op het standpunt dat hij alsnog in zijn verzoek dient te worden ontvangen, nu hij in hoger beroep de ontbrekende stukken heeft overgelegd.

Ten aanzien van de CJIB-boete die is opgelegd vanwege het niet betalen van accijnzen op tabak, heeft [appellant] aangevoerd dat het onvoorwaardelijk opgelegde gedeelte van de geldboete van € 750,00 is verlaagd naar € 400,00, welke boete door [appellant] in vier maandelijkse termijnen van € 100,00 zal worden voldaan.

4. In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of [appellant] in zijn beroep ontvankelijk is. Het hof stelt vast dat, nu de bij de rechtbank ontbrekende stukken in hoger beroep alsnog zijn overgelegd, het verzoekschrift compleet is. Derhalve is [appellant] alsnog ontvankelijk in zijn verzoek.

5. Het hof zal vervolgens bezien of voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw. Die goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

6. Met inachtneming van dit criterium is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden.

Daartoe wordt overwogen dat uit de aan het hof overgelegde crediteurenlijst ex artikel 284 Fw blijkt dat [appellant] een schuld aan het CJIB heeft laten ontstaan van € 2.518,00. Deze schuld heeft betrekking op de door de politierechter opgelegde boete vanwege het niet betalen van accijnzen op tabak en drie WAHV-boetes. Afgaande op de datum zoals die op de crediteurenlijst staat vermeld, is deze schuld binnen de vijfjaarstermijn ontstaan. Indien [appellant] zich op het standpunt stelt dat de schuld aan het CJIB eerder is ontstaan en de ontstaansdatum die op de crediteurenlijst is vermeld niet klopt, acht het hof dit onvoldoende aannemelijk geworden, nu hij zijn stelling niet met schriftelijke bewijsstukken heeft onderbouwd en de juistheid ervan evenmin op een andere manier is gebleken. Het hof kan hier dan ook niet zonder meer van uit gaan. Dat [appellant] redelijkerwijs geen verwijt treft ten aanzien van het ontstaan van de boetes is niet aannemelijk geworden. Dat het onvoorwaardelijk opgelegde gedeelte van de geldboete in hoger beroep van € 750,00 is verlaagd naar € 400,00, – het voorwaardelijk gedeelte is overigens verhoogd van € 250,00 naar € 1.400,00 – doet er niet aan af dat nog een forse schuld resteert die niet te goeder trouw is ontstaan.

Vanwege de verwijtbaarheid en de omvang ervan, staat alleen al de schuld aan het CJIB aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg.

7. Het hof merkt op dat deze boete – € 1.800,00 waarvan € 1.400,00 voorwaardelijk – bij arrest van hof Amsterdam van 5 september 2017 is opgelegd vanwege – kort gezegd – het invoeren van rooktabak zonder dit voor de douanebelasting aan te geven. Bij deze straf is in aanmerking genomen dat [appellant] voor een soortgelijk feit eerder een strafbeschikking van € 1.423,-- is opgelegd. Uiteindelijk is de opgelegde boete bovendien nog enigszins gematigd omdat de voor berechting in hoger beroep redelijke termijn is overschreden. Deze boete resulteert naar de aard en in de omvang in een niet te goeder trouw ontstane schuld en staat aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg.

8. Daarnaast blijkt uit de crediteurenlijst dat [appellant] een schuld aan de Belastingdienst heeft laten ontstaan van € 1.288,00. Volgens de overgelegde brief van 22 juli 2017 van de Belastingdienst bedraagt het thans openstaande bedrag € 1.245,00. Deze schuld heeft betrekking op aanslagen inkomstenbelasting over het jaar 2015 en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het jaar 2014. Schulden aan de Belastingdienst die betrekking hebben op het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van belasting zijn in beginsel niet te goeder trouw ontstaan (artikel 5.4.4 bijlage IV bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken). Dat dit hier anders is en er een voldoende excuus is voor het ontstaan van deze schuld, is niet aannemelijk geworden.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat het verzoek van [appellant] om de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren dient te worden afgewezen. Hetgeen meer of anders is aangevoerd kan in het kader van het onderhavige toelatingsverzoek niet tot een ander oordeel leiden en behoeft daarom geen nadere bespreking.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 augustus 2017;

en opnieuw rechtdoende:

wijst af het verzoek van [appellant] om de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, C.J. Verduyn en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2017 in aanwezigheid van de griffier.