Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4090

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2017
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
200.218.011/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet te goeder trouw t.a.v. het ontstaan van een deel van de schulden; toelating tot de schuldsaneringsregeling; artikel 288 lid 3 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.218.011/01

Rekestnummer rechtbank : C/10/525390 / FT EA 17/881

arrest van 18 september 2017

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. G.H. Amstelveen te Capelle aan den IJssel.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 23 juni 2017, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2017, waarbij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Zij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij V-formulier van 21 augustus 2017 is het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg aan het hof toegezonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 september 2017. Verschenen zijn: [appellante] , bijgestaan door haar advocaat, D. Nijkamp en D. Kindermans, beschermingsbewindvoerders.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellante] heeft op 20 maart 2017 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 32.518,17.

2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellante] een schuld aan de Belastingdienst heeft die betrekking heeft op een terugvordering van kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 en 2014 en op inkomstenbelasting van 2013. Verder heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] schulden heeft gemaakt die duiden op overbesteding.

3. De gronden en argumenten van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat.

Ten aanzien van het ontstaan van het overgrote deel van haar schulden is [appellante] te goeder trouw geweest. Zij is jarenlang geterroriseerd door haar ex-partner en heeft twee jaren op verscheidene locaties als ook in Blijf van m’n Lijf-huizen verbleven. Doordat haar verblijf geheim was en zij zich niet kon inschrijven, kon zij geen post ontvangen en had zij lange tijd geen overzicht over haar financiën. Daarnaast had zij in de Blijf van m’n Lijf-huizen geen inkomen. In mei 2013 heeft [appellante] met een urgentieverklaring een woning gekregen in Capelle aan den IJssel. Tevens is zij in 2013 onder beschermingsbewind komen te staan. De huurachterstand is ontstaan doordat haar financiële zaken door de toenmalige beschermingsbewindvoerder niet goed werden beheerd. In mei 2015 is dan ook een nieuwe beschermingsbewindvoerder benoemd.

[appellante] stelt zich verder op het standpunt dat er nagenoeg geen sprake is van overbesteding. De schuld aan Zara betreft terugbetaling van loon, omdat achteraf bleek dat Zara te veel loon had uitbetaald. De schuld aan Netpoint Nederland betreft tandartskosten en de schuld aan Fit For Free is afgelost.

4. Het hof zal eerst bezien of voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw. Die goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

5. Met inachtneming van dit criterium is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden.

Daartoe wordt overwogen dat op de schuldenlijst een schuld aan de Belastingdienst staat vermeld van in totaal € 15.256,00, die betrekking heeft op de terugvordering van kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 en 2014 en een terugvordering van de inkomstenbelasting over het jaar 2013. Ter zitting is door de beschermingsbewindvoerder Kindermans verklaard dat het ingediende bezwaar door de Belastingdienst gegrond is verklaard en de totale schuld aan de Belastingdienst thans circa € 3.000,00 bedraagt. Verder is door [appellante] en Kindermans ter zitting verklaard dat de voormalige beschermingsbewindvoerder ernstig tekort is geschoten in de vervulling van zijn taken (ten aanzien van [appellante] en vele andere personen voor wie het beschermingsbewind is gevoerd). Er is door de vorige beschermingsbewindvoerder in het geheel geen dossier overgedragen zodat de huidige beschermingsbewindvoerders over de periode waarin hun voorganger bewindvoerder was geen overzicht hebben. Om die reden is dan ook niet bekend hoe de schuld aan de Belastingdienst en aan kinderdagverblijf Het Paleisje heeft kunnen ontstaan. Hoewel uit het relaas van [appellante] moet worden opgemaakt dat de vorige beschermingsbewindvoerder haar in de kou heeft laten staan, kan het hof onder deze omstandigheden niet de conclusie trekken dat [appellante] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van deze schulden.

6. Voorts is het hof met de rechtbank van oordeel dat de schulden aan Vodafone, H&M en Ziggo, die duiden op overbesteding, niet te goeder trouw zijn ontstaan. Dat, zoals [appellante] heeft gesteld, de schuld aan Vodafone eerder is ontstaan en de op de schuldenlijst vermelde ontstaansdatum niet klopt, heeft zij door het overleggen van een facturatie- en betalingsoverzicht niet voldoende aannemelijk gemaakt. Immers, dat [appellante] reeds in april/mei 2012 betalingen verrichtte aan Vodafone, betekent niet dat op dat moment ook een schuld is ontstaan aan Vodafone. Een schuld ontstaat immers pas wanneer er niet (meer) aan de betalingsverplichting wordt voldaan. Los daarvan is het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op 20 maart 2017 ingediend, dus ook als de schuld reeds in april 2012 zou zijn ontstaan, valt deze binnen de vijfjaarstermijn. Genoemde overbestedingsschulden staan in beginsel aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.

Voor de volledigheid merkt het hof nog op dat vast is komen te staan dat de schuld aan Fit For Free, die niet te goeder trouw is ontstaan, reeds is voldaan. Voorts is gebleken dat de schuld aan Zara ziet op teveel ontvangen loon en de schuld aan Netpoint Factoring B.V. tandartskosten betreft; deze schulden wijzen niet op overbesteding.

7. Hoewel [appellante] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van een deel van haar schulden, is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen. Daartoe wordt overwogen dat de omstandigheid die heeft geleid tot het ontstaan van de problematische schuldensituatie – de beëindiging van haar relatie en de afwikkeling daarvan – zich al geruime tijd geleden heeft voorgedaan. Voorts is van belang dat [appellante] een stabiele woonsituatie heeft en dat sinds de nieuwe beschermingsbewindvoerder is benoemd, geen nieuwe schulden meer zijn ontstaan.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting van het hof verklaard dat het bewind, dat in mei 2015 is uitgesproken, probleemloos verloopt, dat [appellante] haar afspraken goed nakomt en dat zij de gevraagde informatie correct aanlevert. Hij verwacht dan ook geen problemen indien [appellante] zou worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. [appellante] heeft zich ter zitting van het hof zeer gemotiveerd getoond om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Hiermee is ook voldoende aannemelijk dat [appellante] zich zal inspannen om haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen.

8. Het hof acht derhalve het beroep op de hardheidsclausule geslaagd, hetgeen betekent dat [appellante] kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

9. Het hof wijst er wel op dat voor een succesvolle afronding van de schuldsanering is vereist dat [appellante] gedurende de gehele looptijd van de schuldsanering alles in het werk zal stellen om een fulltime baan te vinden, de door de te benoemen bewindvoerder gegeven aanwijzingen stipt zal opvolgen en dat [appellante] ook overigens, gevraagd én ongevraagd, aan alle verplichtingen die de wettelijke regeling haar oplegt zal voldoen, bij gebreke waarvan de schuldsaneringsregeling tussentijds zal kunnen worden beëindigd dan wel aan het einde van de schuldsaneringsregeling haar de zogenaamde ‘schone lei’ zal kunnen worden onthouden. Tussentijdse beëindiging zou bovendien betekenen dat zij gedurende tien jaar geen beroep meer op de regeling kan doen.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2017;

en opnieuw rechtdoende:

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] uit;

- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. Vetter, D.A. Schreuder en H.J. Steinvoort en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.