Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4087

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
200.199.374/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksgoederen/erfrecht. Artikel 1:88 BW. Buitengerechtelijke vernietiging. Is de schenking van de vader aan zijn minnares geschiedt met toestemming van zijn (toenmalige) echtgenote, waarmee de vader in gemeenschap van goederen was gehuwd. Hof beantwoordt die vraag bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0047
JERF 2019/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.199.374/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C / 09 / 495692 / HA ZA 15-1018

arrest van 19 december 2017

inzake

1. [broer een] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [de dochter] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [broer twee] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

4. [broer drie] ,

wonende te [woonplaats] ,

in hun hoedanigheden van de gezamenlijke erfgenamen van [de echtgenote] ,

hierna tezamen: appellanten,

advocaat: mr. H. de Groen te Soest,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat mr. L.P.M. Eenens te Alphen aan den Rijn.

Het geding

Bij exploot van 13 september 2016 zijn appellanten in hoger beroep gekomen van het vonnis van 15 juni 2016 van de rechtbank Den Haag gewezen onder rolnummer C/09/495692/ HA ZA 15-1018.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven hebben appelanten vier grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven bestreden.

Beide partijen hebben nog een akte genomen.

Geïntimeerde heeft stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de rechtbank zijn vastgesteld.

Het bestreden vonnis 15 juni 2016

2. Door de rechtbank is in rechtsoverweging 4.8 op blz. 22 overwogen: “Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank de toestemming van [de echtgenote] voor de schenking van [de vader] aan [de vrouw] af te leiden. Voor het andersluidend standpunt van [de echtgenote] , die dat standpunt niet met stukken heeft gestaafd, zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden. Mogelijk heeft [de echtgenote] , nadat zij eerder toestemming had verleend voor de schenking, op een later moment spijt gekregen, doch dat kan zij [de vrouw] niet met succes tegenwerpen. Naar het oordeel van de rechtbank treft het verweer van [de vrouw] derhalve doel, zodat het beroep van [de echtgenote] op vernietiging van de schenking op grond van artikel 1:89 BW werking ontbeert. Aan bewijslevering door nader schriftelijk bewijs en getuigen, zoals [de echtgenote] bij dagvaarding in algemene zin heeft aangeboden, komt de rechtbank niet toe.”.

3. De rechtbank heeft de vorderingen van [de echtgenote] afgewezen.

De vordering van appellanten

4. Door appellanten is gevorderd: dat het het hof moge behage het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2016 tussen appellanten en geïntimeerde gewezen te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog de vorderingen van appellanten toe te wijzen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties.

5. In eerste aanleg is gevorderd:

I. voor recht te verklaren dat de schenking van € 50.000 buitengerechtelijk is vernietigd, althans deze alsnog in rechte te vernietigen;

II. [de vrouw] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 50.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2012, althans vanaf 31 maart 2015, tot de dag der algehele voldoening;

III. [de vrouw] te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder mede begrepen een veroordeling in de kosten van een eventuele executie.

Enige feiten en de kern van het geschil

6. Appellant sub 1 heeft in 2011 enige tijd een buitenechtelijke relatie gehad met geïntimeerde.

Appellant sub 1 was toen gehuwd met [de echtgenote] , hierna te noemen: erflaatster. Op 27 december 2012 heeft appellant sub 1 een bedrag van € 50.000 overgemaakt ten behoeve van geïntimeerde. Dit bedrag was afkomstig uit de huwelijksgemeenschap van appellant sub 1 en erflaatster. In de visie van appellanten is er sprake van een schenking aan geïntimeerde waarvoor erflaatster niet haar toestemming had gegeven. In de visie van geïntimeerde heeft erflaatster wel haar toestemming gegeven voor de schenking. Het bedrag van € 50.000 is door appellant sub 1 aan geïntimeerde voldaan ter compensatie van een financieel nadeel dat geïntimeerde heeft geleden door het gedrag van appellant sub 1. In de verwachting dat appellant sub 1 met geïntimeerde zou gaan samenwonen heeft zij een woning aangeschaft van € 900.000. Kort na de aankoop heeft appellant sub 1 aan geïntimeerde medegedeeld dat hij toch niet ging scheiden van zijn echtgenote met als gevolg dat geïntimeerde alleen kwam te staan met betrekking tot de lasten van het huis van € 900.000.

7. De kern van het geschil tussen partijen is, of erflaatster aan appellant sub 1 toestemming heeft gegeven voor de schenking door appellant sub 1 aan geïntimeerde van een bedrag van € 50.000.

Grieven

8. Gezien de onderlinge samenhang bespreekt het hof de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk.

9. De kern van het betoog van appellanten komt erop neer dat erflaatster geen toestemming heeft gegeven voor de schenking aan geïntimeerde van € 50.000. Door appellanten wordt onder meer naar voren gebracht:

  • -

    in randnummer 9 stellen appellanten: erflaatster heeft appellant sub 1 geen toestemming gegeven voor deze schenking. Het betrof het spaargeld van appellant sub 1 en erflaatster dat was bedoeld voor de studie van de kinderen. Zij keurde de schenking dan ook ten zeerste af, vanaf het moment dat appellant sub 1 erflaatster hierover informeerde (op dezelfde dag na het geld te hebben overgemaakt op 27 december 2012);

  • -

    in randnummer 10 stellen appellanten: zoals blijkt uit de beschikbare correspondentie door geïntimeerde ingebracht bij de rechtbank, in het bijzonder de email van 11 februari 2013, bleef erflaatster zeuren over het feit dat appellant sub 1 de € 50.000 had weggeven aan zijn (ex-)minnares;

  • -

    in randnummer 15 stellen appellanten: erflaatster heeft zich nooit over de schenking heen kunnen zetten en bleef ook na het sluiten van de levensverzekering appellant sub 1 deze schenking verwijten. Erflaatster zag wel in dat een terugbetaling van € 800 tegenover de weggegeven € 50.000 een minieme compensatie was. Op enig moment heeft zij nader onderzoek gedaan op internet naar de juridische mogelijkheden, waarbij zij er achter kwam dat bij een buitensporige schenking de toestemming van de echtgenoot vereist is. Omdat zij die toestemming nooit heeft gegeven heeft erflaatster besloten mr. [naam] in te schakelen die namens erflaatster op 16 maart 2015 buitengerechtelijk de schenking heeft vernietigd;

  • -

    in randnummer 19 stellen appellanten: wanneer de toestemming in de zin van artikel 1:88 BW snel wordt geacht stilzwijgend te zijn gegeven, wordt aan deze bescherming weer snel afbreuk gedaan;

  • -

    In randnummer 20 stellen appellanten: het geven van toestemming is een wilsverklaring die in beginsel voorafgaand aan de schenking is vereist. Vast staat dat deze toestemming vooraf niet is gegeven. Dan bestaat vervolgens de mogelijkheid dat de toestemming achteraf wordt gegeven, waarmee de schenking door de echtgenoot kan worden bekrachtigd. Evenmin is echter een toestemmingsverklaring achteraf in enige vorm door erflaatster gegeven;

  • -

    in randnummer 22 stellen appellanten: daarbij is van belang dat er een termijn van drie jaar geldt voor vernietiging en derhalve iemand gerechtigd is om tot drie jaar te doen om tot de beslissing te komen (voor zover op de hoogte van de vernietigbaarheid). Erflaatster was beroepsmatig geen juriste. Zij had wel ooit rechten gestudeerd, maar vervolgens is erflaatster gaan werken in de verzekeringsbranche;

  • -

    in randnummer 24 stellen appellanten: zelfs wanneer uit stilzwijgen en uit meerdere gedragingen de toestemmingsverklaring zou worden afgeleid, had dit nader moeten worden aangewezen. In het vonnis worden echter alleen enkele omstandigheden genoemd en vervolgens zeer algemeen gesteld dat een toestemming kan worden aangenomen;

  • -

    in randnummer 25 stellen appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat erflaatster kennis heeft gehad van de schenking en haar toestemming uit een reeks van feiten en omstandigheden en gedragingen kan worden afgeleid;

  • -

    in randnummer 58 stellen appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat erflaatster begin 2013 een concept kwijtscheldingsovereenkomst zou hebben opgesteld;

  • -

    in randnummer 64 stellen appellanten dat de rechtbank ten onrechte concludeert dat uit de door haar genoemde omstandigheden een (stilzwijgende) toestemming van erflaatster kan worden afgeleid en de vorderingen van erflaatster afwijst. De kwijtscheldingsovereenkomst is in de visie van appellanten buiten erflaatster om opgesteld;

  • -

    in randnummer 10 van de akte uitlating stellen appellanten: erflaatster heeft aan geïntimeerde op 14 februari 2013 een brief gestuurd per email, welke wordt ingebracht als productie 6. Hierin heeft erflaatster gesteld: appellant sub 1 heeft betaald, maar dat bedrag was niet van hem om weg te geven.

10. Door geïntimeerde is verweer gevoerd. Door geïntimeerde is onder meer aangevoerd:

  • -

    in randnummer 43 stelt geïntimeerde dat door appellant sub 1 is voldaan aan een natuurlijke verbintenis. De rechtbank had de vordering van erflaatster dus moeten laten stranden op het primaire verweer van geïntimeerde;

  • -

    in randnummer 44 stelt geïntimeerde dat erflaatster toestemming voor de gift heeft gegeven;

  • -

    de toestemming is vormvrij en behoeft niet expliciet te zijn, maar kan ook impliciet zijn;

  • -

    in randnummer 60 stelt geïntimeerde dat erflaatster niet blij was met de schenking. Voor haar was de schenking een sequeel van het overspel van haar echtgenoot. Dat doet niet af dat erflaatster de toestemming heeft gegeven en dit meerdere malen heeft bekrachtigd;

  • -

    in randnummer 61 stelt geïntimeerde dat erflaatster juriste was en bekend was met het regiem van artikel 1:88 BW;

  • -

    in randnummer 62 geeft geïntimeerde aan wanneer erflaatster toestemming heeft gegeven voor de schenking;

  • -

    in randnummer 65 stelt geïntimeerde dat appellant sub 1 over een periode van 9 maanden bij herhaling en consequent heeft bevestigd dat erflaatster toestemming heeft gegeven voor de schenking;

  • -

    in randnummer 107 stelt geïntimeerde, dat als erflaatster daadwerkelijk geen toestemming zou hebben gegeven, zij natuurlijk onmiddellijk juridische actie zou hebben ondernomen, nu zij volgens appellanten al op 27 december 2012 kennis had van de schenking;

  • -

    in randnummer 119 geeft geïntimeerde nogmaals een aantal feiten en omstandigheden aan op basis waarvan kan worden afgeleid dat erflaatster toestemming heeft gegeven voor de schenking. Deze feiten zijn: a) de aanwezigheid van erflaatster bij het Face Timegesprek op 24 december 2012, b) erflaatster heeft de betaling van € 50.000 op 26 december 2012 niet tegen gehouden, c) de door erflaatster bedongen overlijdensrisico verzekering, het door erflaatster bedongen artikel 20 van de kwijtscheldingsovereenkomst.

11. Het hof overweegt als volgt. De wetgever acht een aantal rechtshandelingen zo bezwarend voor het gezin dat een echtgenoot die handelingen niet kan verrichten zonder toestemming van de andere echtgenoot. Deze gezinsbeschermende bepalingen zijn neergelegd in artikel 1:88 BW. Voor een gift met uitzondering van de gebruikelijke, niet bovenmatige dient degene die schenkt van zijn echtgenoot toestemming te krijgen. De sanctie op niet inachtneming van het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 is te vinden in artikel 1:89 BW, dat de mogelijkheid geeft om de rechtshandeling die zonder de toestemming is verricht te vernietigen. De toestemming is in beginsel vormvrij, maar moet schriftelijk of langs elektronische weg worden verleend indien de wet voor het verrichten van de rechtshandeling een vormvoorschrift geeft. De toestemming dient te worden gericht aan de wederpartij. In het onderhavige geval geldt voor de rechtshandeling geen vormvoorschrift, derhalve geldt voor de toestemming niet de schriftelijke vorm. Of toestemming is verleend kan mede worden afgeleid uit het gedrag van degene die zich op het ontbreken van de toestemming beroept. Voor de kenbaarheid van de schenking gaat het om de subjectieve bekendheid. Uit de stukken volgt dat erflaatster op de hoogte was van de schenking, zie onder meer de brief van erflaatster aan geïntimeerde van 14 februari 2013.

12. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot haar oordeel is gekomen dat op basis van de door de rechtbank relevant geachte feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat erflaatster heeft ingestemd met de schenking aan geïntimeerde.

13. Mede door het handelen en gedrag van appellant sub 1 is er voor geïntimeerde een financieel nadelige situatie ontstaan. Om de financieel nadelige positie van geïntimeerde te verlichten heeft in ieder geval appellant sub 1 de intentie gehad om aan geïntimeerde een bedrag van € 50.000 ter beschikking te stellen om bij te dragen: a) in de maandelijkse hypotheektermijnen, b) de helft van de 10% boete bij niet afname van het huis.

14. Het hof is evenals de rechtbank op basis van de door geïntimeerde in het geding gebrachte stukken alsmede hetgeen appellanten zelf in appel hebben gesteld er van overtuigd dat erflaatster op de hoogte was van de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de betaling van € 50.000 aan geïntimeerde. Op 21 december 2012 zendt erflaatster een email aan geïntimeerde. Deze email begint met: “Ik hoop dat je geniet van je vakantie en geniet van je overwinning.” en eindigt met: “Vandaag eindigt mijn leven.”. Op 22 december 2012 stuurt erflaatster wederom een email aan geïntimeerde. Deze email begint met: “Ik hou van hem.” en eindigt met: “Als ik niet bij hem kan zijn dan wil ik niet meer leven!!!”. Op 23 december 2012 stuurt erflaatster wederom een email aan geïntimeerde. De email begint met: “Wat je moet weten over het gezin waar [de vader] van houdt.” en eindigt met: “Alles is nu echt anders en er is als je eerlijk bent denk ik te weinig basis voor zoveel leed in een nieuwe relatie.”.

15. In randnummer 10 van de memorie van grieven verwijzen appellanten naar een email van appellant sub 1 aan geïntimeerde. Volgens appellant sub 1 bleef erflaatster maar zeuren over het feit dat appellant sub 1 de € 50.000 had weggeven aan zijn ex-minnares. Erflaatster wist dat er door geïntimeerde een levensverzekering was afgesloten op het leven van appellant. In randnummer 11 stellen appellanten dat zij dit vervolgens als zoethoudertje aan erflaatster hebben gepresenteerd als een acceptabele oplossing. De oplossing die aan erflaatster was voorgelegd was voor haar geen aanleiding om nog meer eisen te stellen aan de betaling door appellant sub 1 aan geïntimeerde.

16. Door appellanten is bij akte van 25 april 2017 een brief van erflaatster aan geïntimeerde in het geding gebracht. Deze brief is van 14 februari 2013. Ook deze brief bevestigt nogmaals dat erflaatster volledig op de hoogte was van de gang van zaken met betrekking tot de betaling van € 50.000. In de P.S.1. stelt erflaatster: “Na het feest komt altijd de rekening.”.

17. Uit de vorenstaande feiten in onderlinge samenhang beschouwd moet het er voor worden gehouden dat erflaatster – weliswaar contre coeur – aan geïntimeerde heeft doen blijken dat zij instemde met de betaling aan haar van het meervermelde bedrag. Daarmee is voldaan aan het vereiste van toestemming als bedoeld in art.1:88 BW.

18. Uit het vorenstaande volgt derhalve dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Proceskosten

19. Gezien het feit dat appellanten in het ongelijk worden gesteld acht het hof het redelijk hen in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 15 juni 2016 van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen;

veroordeelt appellanten in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op € 3.165,-, en aldus gespecificeerd:

  • -

    € 718,- griffierecht;

  • -

    € 2.447,- kosten advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en O.I.M. Ydema, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2017 in aanwezigheid van de griffier.