Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4086

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
200.219.497/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenleving. Verkoop echtelijke woning. Incident in hoger beroep strekkende tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Criteria. Toepassing daarvan op het concrete geval. Vordering in het incident afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.219.497/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/512541/HA ZA 16-663

arrest in het incident d.d. 28 november 2017

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [de man] ,

advocaat: mr. M. Erkens te Den Haag,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de vrouw] ,

advocaat: mr. D.H.J. Krouwel te Den Haag.

Het geding

[de man] is bij exploot van 12 juli 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 mei 2017, gewezen tussen [de vrouw] als eiseres in conventie, tevens verweerder in reconventie en [de man] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Bij aanvullend vonnis van 13 september 2017 heeft de rechtbank Den Haag bepaald dat het bestreden vonnis voor wat betreft de veroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Deze veroordeling luidt: “veroordeelt [de man] om, binnen één maand na de datum van het bestreden vonnis, zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de [adres] en bepaalt dat dit vonnis, zo nodig, in de plaats treedt van de medewerking van [de man] aan deze verkoop en levering.”

[de man] heeft ter rolzitting van 10 oktober 2017 een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring ingediend.

Ter rolzitting van 24 oktober 2017 heeft [de vrouw] een memorie van antwoord in het incident, tevens memorie van antwoord, ingediend.

Hierna is de datum voor het arrest in het incident bepaald op heden. De hoofdzaak staat op de rol van 21 november 2017 voor ‘beraad partijen’.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [de man] vordert in het incident dat het hof de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis van 17 mei 2017, zoals aangevuld bij vonnis van 13 september 2017, zal schorsen.

2. [de vrouw] concludeert tot afwijzing van deze vordering, met veroordeling van [de man] in de kosten van het geding in het incident.

3. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen hebben een aantal jaren een affectieve relatie gehad en een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Op 23 november 2005 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin een bepaling is opgenomen over de gemeenschappelijk bewoonde woning. De feitelijke samenwoning is geëindigd op 20 december 2014. Partijen hadden daaraan voorafgaand afgesproken dat de gezamenlijke woning aan de [adres] gezamenlijk bezit zal blijven en dat [de man] eenmalig € 25.000,- zal aflossen op de hypothecaire lening op het moment dat [de vrouw] de gezamenlijke woning verlaat. [de vrouw] heeft de woning op 20 december 2014 verlaten. [de man] heeft niet de afgesproken aflossing verricht. [de vrouw] wil tot verkoop van de woning overgaan en heeft dit in maart 2016 en april 2016 aan [de man] kenbaar gemaakt. [de man] heeft daar geen gehoor aan gegeven, waarop [de vrouw] een procedure tegen [de man] aanhangig heeft gemaakt die is uitgemond in het bestreden vonnis.

4. [de man] voert in verband met zijn vordering tot schorsing het volgende aan:

- Indien de woning is verkocht voordat in deze appelprocedure een eindvonnis is gewezen, is een appel zinloos;

- [de man] ’s belang is gelegen in het voorlopig kunnen blijven wonen in de huidige woning; er zijn geen aanvaardbare of reële alternatieven, gelet op zijn inkomen en daaraan gekoppelde (on)mogelijkheden voor een hypotheek, zijn gezondheidstoestand en gelet op de eisen die [de man] moet stellen aan een volgende woning;

- De stress rond de verkoop en het vinden van een nieuwe woning heeft een zeer negatieve impact op de gezondheidstoestand van [de man] . Zijn mantelzorg valt weg als hij moet verhuizen naar een andere regio;

- Het enige belang van [de vrouw] is dat zij de woning van haar naam wil hebben, maar zij wordt nergens in belemmerd;

- [de man] heeft inmiddels alsnog het bedrag van € 25.000,- gestort dat hij zou betalen bij vertrek van [de vrouw] uit de woning;

- Het is duidelijk geworden dat [de vrouw] niet in staat en/of voornemens is haar schuld aan [de man] te voldoen;

- De zoon van [de vrouw] wil, evenals de dochter van [de vrouw] bij [de man] gaan wonen;

- [de man] is chronisch overprikkeld en daarom moet nu geen verkoop plaatsvinden;

- [de vrouw] doet alles zonder overleg; zij heeft geen enkel belang bij een zo hoog mogelijke verkoopprijs.

5. [de vrouw] voert in haar memorie van antwoord in het incident daartegen het volgende aan:

- [de vrouw] wenst niet langer mede eigenaar van de woning en hoofdelijk aansprakelijk voor de bijbehorende hypothecaire lening te zijn; [de man] is niet in staat gebleken de woning en de hypothecaire lening over te nemen;

- [de man] weigert medewerking aan de verkoop van de woning; de rechtbank heeft overwogen dat het belang van [de vrouw] bij verkoop van de woning zwaarder weegt dan het belang van [de man] om nog langer in de woning te blijven;

- Er is geen sprake van een juridische of feitelijke misslag en er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden op basis waarvan een noodtoestand dient te worden aangenomen, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard;

- [de man] miskent dat tussen partijen niet in geschil is dat de woning moet worden verkocht; partijen verschillen van mening over de termijn waarop verkoop van de woning dient plaats te vinden;

- [de man] heeft ruim de tijd gehad om vervangende woonruimte te zoeken nu de dagvaarding in eerste aanleg dateert van 27 mei 2016; dat [de man] bij uitvoering van het vonnis de woning eerder moet verlaten dan door hem gewenst maakt niet dat [de vrouw] daarom het vonnis niet zou mogen uitvoeren;

- De redenen die [de man] aanvoert zullen ook bestaan indien [de man] op enig ander (later) moment de woning moet verlaten;

- [de man] is [de vrouw] op geen enkele wijze tegemoet gekomen door een gebruiksvergoeding te voldoen of door een redelijke termijn voor te stellen voor het te koop zetten van de woning; het is niet redelijk dat [de vrouw] moet wachten tot [de man] klaar is om te verhuizen; [de man] dient het risico te dragen van het feit dat hij na het verbreken van de relatie in de gezamenlijke woning is blijven wonen, wetende dat hij de woning niet kan overnemen;

- [de vrouw] wil verder gaan met haar leven; zij kan nu geen andere woning kopen, zij kan niet beschikken over de te verwachten overwaarde en haar aanvraag voor een lening voor een motor is ook afgewezen omdat zij een hypothecaire lening heeft;

- Daarnaast heeft [de vrouw] geen zicht op het onderhoud van de woning door [de man] ;

- De rechtbank heeft een uitgebreid gemotiveerde beslissing gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad;

- [de man] kan [de vrouw] nu niet langer aan een afspraak houden omdat hij alsnog € 25.000,- zou hebben afgelost en hij verblijft inmiddels al weer langer in de woning dan überhaupt de bedoeling was;

- De belangen van de kinderen behoren bij de beoordeling van deze vordering niet te worden meegewogen, [de vrouw] houdt dit belang in het oog;

- [de vrouw] heeft getracht [de man] te bewegen mee te werken aan het te koop zetten van de woning, maar [de man] werkt niet mee; ook [de vrouw] heeft belang bij een zo hoog mogelijke verkoopprijs.

6. Het hof overweegt als volgt. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis op de voet van artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012 en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688) het volgende:

(I) De eiser in het incident moet belang hebben bij de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging.

(II) Bij de beoordeling moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval.

(III) Bij deze afweging moet ervan worden uitgegaan dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen, in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Uitgangspunt zijn de bestreden beslissing en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel blijft in beginsel buiten beschouwing. Dit kan anders zijn indien het bestreden vonnis, waarvan beroep is ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

(IV) Indien in de vorige instantie een gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de incidenteel verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

(V) Indien in de vorige instantie geen gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (IV) vermelde eis niet en dient te worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (I)-(III) vermelde.

6. Het hof overweegt als volgt.

7. Uit het aanvullend vonnis van 13 september 2017, waarbij de veroordeling van [de man] om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning alsnog uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, maakt het hof het volgende op. [de vrouw] heeft bij brief van 3 juli 2017 verzocht om aanvulling van het bestreden vonnis met een uitvoerbaarverklaring bij voorraad. [de man] is in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten, van welke gelegenheid [de man] bij brief van 10 juli 2017 gebruik heeft gemaakt. [de man] heeft bezwaar gemaakt tegen de inwilliging van dit verzoek, omdat er in zijn visie geen grondslag was voor een verzoek tot aanvulling ex artikel 32 Rv of verbetering ex artikel 31 Rv. De rechtbank heeft in de motivering van het aanvullend vonnis overwogen waarom een aanvulling ex artikel 32 Rv van het bestreden vonnis er moest komen. De rechtbank heeft in dit vonnis echter niet een gemotiveerde beslissing gegeven over de vraag of een uitvoerbaarverklaring bij voorraad in deze zaak geboden was. Het debat tussen partijen is niet over het inhoudelijke aspect van die beoordeling gegaan. Dit leidt tot de conclusie dat alleen de hiervoor onder I) tot en met IV) weergegeven criteria in de beoordeling van de vordering van [de man] moeten worden betrokken.

8. Het hof is van oordeel dat aan het onder I) weergegeven criterium is voldaan. [de man] heeft belang bij de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging, nu deze tot gevolg zal hebben dat [de man] de woning voorlopig niet zou hoeven te verlaten. Echter, niet is gesteld of gebleken, [de man] heeft dit niet ten grondslag gelegd aan zijn incidentele vordering, dat sprake is van een feitelijke of juridische misslag. Evenmin is het hof gebleken van feiten of omstandigheden die na het bestreden vonnis zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

9. Dit betekent dat het hof de belangen van partijen moet afwegen met inachtneming van de omstandigheden van het geval en daarbij zal uitgaan van de bestreden beslissing en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen.

10. Het hof is van oordeel dat het belang van [de man] niet zwaarder weegt dan het belang dat [de vrouw] heeft bij onverwijlde tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. [de vrouw] is in december 2014 uit de gezamenlijke woning vertrokken. Sedert die datum verblijft alleen [de man] in de woning. De procedure loopt al sedert mei 2016 zodat [de man] er in elk geval vanaf dat moment rekening mee heeft kunnen houden dat hij op enig moment de woning zou moeten verlaten, nu tussen partijen niet in geschil is dat [de man] de woning niet kan overnemen. [de man] stelt wel dat er voor hem geen reële of aanvaardbare alternatieven zouden zijn, maar onderbouwt deze stelling in het geheel niet. Het is het hof dan ook niet duidelijk wat [de man] al heeft gedaan om vervangende woonruimte in de regio te vinden. De omstandigheid dat de kinderen van [de vrouw] in de woning bij [de man] zouden (willen) verblijven acht het hof in deze zaak niet van doorslaggevende betekenis. Dit kan er niet aan in de weg staan dat de woning moet worden verkocht.

[de vrouw] wordt al bijna drie jaren belemmerd in haar financiële mogelijkheden, doordat zij al geruime tijd geen lening dan wel een andere hypothecaire lening kan afsluiten. Zij heeft er daarom belang bij dat de woning nu wordt verkocht. Gesteld noch gebleken is dat de medische omstandigheden waar [de man] zich op beroept op korte termijn zullen wijzigen, laat staan in positieve zin, zodat daarin geen belang kan zijn gelegen om het bestreden vonnis te schorsen. Dat [de man] nu wel € 25.000,- heeft afgelost op de hypothecaire lening maakt de belangenafweging niet anders. Het hof heeft, zoals hiervoor is overwogen, uit te gaan van het oordeel van de rechtbank, dat inhoudt dat [de vrouw] de overeenkomst terecht heeft ontbonden.

11. Het vorenoverwogene leidt er toe dat het hof de incidentele vordering van [de man] zal afwijzen.

12. Het hof zal de proceskosten in het incident compenseren, gelet op het feit dat partijen voormalig levensgezellen zijn.

Beslissing

Het hof:

wijst de vordering van [de man] in het incident af;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, J.A. van Kempen en J.M. van Baardewijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.