Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4026

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
22-002013-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft het slachtoffer tegen het hoofd geschopt/getrapt en meermalen met kracht tegen het hoofd geslagen/gestompt, toen het slachtoffer reeds roerloos op de grond lag, midden op straat en tussen het uitgaanspubliek. Beroep op noodweerexces wordt door het hof verworpen, de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte waren zeer disproportioneel gezien ook de camerabeelden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002013-16

Parketnummer: 10-740000-16

Datum uitspraak: 29 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1987,

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in Huis van Bewaring Zwolle te Zwolle.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van dit hof op

3 augustus 2016 en 15 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 september 2015 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (terwijl die [benadeelde partij] op de grond lag) die [benadeelde partij] meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het impliciet primair ten laste gelegde (poging doodslag) vrijgesproken en ter zake van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging zware mishandeling) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 20 september 2015 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (terwijl die [benadeelde partij] op de grond lag) die [benadeelde partij] meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Beroep op noodweerexces

De verdediging heeft een beroep op noodweerexces gedaan en op grond daarvan om ontslag van alle rechtsvervolging gevraagd. Ter onderbouwing is door de verdediging kort gezegd het volgende aangevoerd.

Voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten schold het slachtoffer op de zus van de verdachte en haar vriendin. Toen de zus en haar vriendin naar het slachtoffer toeliepen, escaleerde de situatie. De verdachte zag dat het slachtoffer zijn zus, die zwanger was, bespuugde en een klap wilde geven. De verdachte wilde dat laatste voorkomen en kwam tussenbeide. Hij is toen door het slachtoffer aangevallen en heeft een klap van hem gekregen. In reactie daarop heeft hij het slachtoffer een klap gegeven waardoor deze naar de grond ging. Vervolgens heeft hij verder geweld gebruikt. Met betrekking tot dat verdere geweld, dat bestaat uit de bewezenverklaarde handelingen, beroept de verdachte zich op noodweerexces. Volgens de verdachte was dat verdere geweld (eveneens) het onmiddellijke gevolg van de door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.

Het hof overweegt als volgt.

Tijdens de terechtzitting van 15 november 2017 heeft het hof de zich in het dossier bevindende camerabeelden afgespeeld en bekeken. Op deze camerabeelden, die op 20 september 2015 vanaf zes uur en 46 seconden door de afdeling cameratoezicht van de gemeente Rotterdam zijn gemaakt op de hoek Coolsingel/Stadhuisstraat, is volgens het hof – in navolging van de rechtbank - onder meer het volgende te zien.

De verdachte zit aanvankelijk op een bankje op de Coolsingel. Verderop is een aantal mensen aan het duwen en trekken. De verdachte staat op, loopt naar die mensen toe, en geeft het latere slachtoffer een paar vuistslagen. Het slachtoffer komt hierdoor ten val. Nog tijdens die val, dan wel direct daarna, geeft de verdachte het slachtoffer met kracht een schop tegen het hoofd. De verdachte buigt zich vervolgens over het roerloos op de grond liggende slachtoffer heen, duwt de arm van diens gezicht opzij en slaat hem twee keer met een vuist met kracht tegen het hoofd. Vervolgens trapt de verdachte in de richting van het hoofd van het slachtoffer.

Het hof gaat er, hoewel de camerabeelden daarover geen uitsluitsel geven, vanuit dat in eerste instantie sprake is geweest van een situatie waarin de verdachte geweld heeft gebruikt in de noodzakelijke verdediging van zichzelf en zijn zus. Die situatie was naar het oordeel van het hof echter beëindigd toen het slachtoffer door toedoen van de verdachte naar de grond ging. De vraag die moet worden beantwoord is of de verdachte zich met betrekking tot de gewelddadige handelingen die daarop volgden, bestaande uit de bewezenverklaarde handelingen, met succes kan beroepen op noodweerexces. Die vraag kan slechts dan bevestigend worden beantwoord indien die gewelddadige handelingen van de verdachte – ook al was de noodweersituatie reeds beëindigd – het onmiddellijke gevolg waren van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Naar het oordeel van het hof kunnen de bewezenverklaarde gewelddadige handelingen van de verdachte in de omstandigheden van het geval niet worden aangemerkt als het onmiddellijke gevolg van een door de voorafgaande wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte zeer disproportioneel waren. Hij heeft op het bespugen van zijn zus, de dreiging dat zijn zus een klap van het slachtoffer zou krijgen en op de klap die hij naar eigen zeggen zelf van het slachtoffer heeft gekregen gereageerd met bijzonder grof geweld. Illustratief is dat de verdachte in dit verband bij de rechtbank heeft verklaard dat hij wreed op het slachtoffer los is gegaan. Naar het oordeel van het hof biedt de voorafgaande wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer geen enkele rechtvaardiging voor het bewezenverklaarde handelen door de verdachte.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte zich niet met succes op noodweerexces kan beroepen. Het verweer wordt verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft het slachtoffer tegen het hoofd geschopt/getrapt en meermalen met kracht tegen het hoofd geslagen/gestompt, toen het slachtoffer reeds roerloos op de grond lag, midden op straat en tussen het uitgaanspubliek. Het slachtoffer heeft hierdoor verwondingen opgelopen, waaronder een kleine bloeding in zijn hersenen en een breuk door de middenste oogwand. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het is evident dat dit feit een grote impact heeft op het slachtoffer. Dit soort geweld veroorzaakt bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Het hof heeft acht geslagen op de een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 oktober 2017, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte eerder, zij het niet recent, is veroordeeld voor mishandeling en mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het hof is - alles afwegende en in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van de geweldshandelingen - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. Lückers, mr. R.F. de Knoop en mr. W.M. Limborgh, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 november 2017.