Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4022

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
22-005615-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft de politieagent [benadeelde partij 1] voor kanker homo uitgemaakt en zodoende beledigd. Daarnaast heeft de verdachte zich al dan niet samen met een ander schuldig gemaakt aan twee woninginbraken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 52 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts stelt het hof aantal bijzondere voorwaarden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005615-16

Parketnummers: 10-740558-15 en 10-227166-14 (TUL)

Datum uitspraak: 23 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2016 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1998,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 9 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, 3 primair en subsidiair en 5 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het 2, 4 primair en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van negentig dagen, waarvan tweeënvijftig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, met de bijzondere voorwaarden als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, alsmede een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen vervangende hechtenis. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing was geschorst, opgeheven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1, 3 primair en subsidiair en 5 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

2:
hij op of omstreeks 04 februari 2016 te Rotterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 1], aspirant van Politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem meermalen de woorden toe te voegen: "Kankerhomo", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4:
hij op of omstreeks 12 december 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen één of meerdere geldbedrag(en) (in verschillende valuta) en/of één of meerdere zakmes(sen) en/of sleutelbos(sen) en/of een bankpas en/of één of meerdere siera(a)d(en), in elk geval enig goed en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4 subsidiair:
hij op of omstreeks 12 december 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meerdere geldbedrag(en) (in verschillende valuta) en/of één of meerdere zakmes(sen) en/of sleutelbos(sen) en/of een bankpas en/of één of meerdere siera(a)d(en), in elk geval enig goed en/of geld, heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat/die goed(eren) en/of dat geld wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) en/of geld betrof;

6:
hij op of omstreeks 24 november 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een tablet, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die weg te nemen tablet onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van braak/verbreking.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2, 4 primair en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van negentig dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan tweeënvijftig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals nader omschreven in de rapportages, met uitzondering van het zich houden aan een avondklok.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities betoogd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 6 ten laste gelegde, nu het spoor van zijn cliënt is aangetroffen aan de buitenzijde van het binnenste schuifraam.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het dactyloscopisch spoor van de verdachte is aangetroffen op de buitenzijde van de ruit van het binnenste schuifraam van de portiekwoning op de bovenste (derde) verdieping van de flat. Dat is een plek waar een willekeurige voorbijganger niet voorbij loopt. De aanwezigheid van de vingerafdruk van de verdachte op deze plaats vraagt dan ook om nadere uitleg. De verdachte heeft echter zowel bij de politie als in eerste aanleg en in hoger beroep telkens een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Nu de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van het dactyloscopisch spoor van de verdachte op de derde verdieping van de flat aan de buitenzijde van de ruit van het binnenste schuifraam, acht het hof bewezen dat de verdachte het onder 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 4 primair en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op of omstreeks 04 februari 2016 te Rotterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 1], aspirant van Politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem meermalen de woorden toe te voegen: "Kankerhomo", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4 primair:
hij op of omstreeks 12 december 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen één of meerdere geldbedrag(en) (in verschillende valuta) en/of één of meerdere zakmes(sen) en/of sleutelbos(sen) en/of een bankpas en/of één of meerdere siera(a)d(en), in elk geval enig goed en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

6:
hij op of omstreeks 24 november 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een tablet, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die weg te nemen tablet onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van braak/verbreking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Het onder 4 primair bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 6 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft de politieagent [benadeelde partij 1] voor kanker homo uitgemaakt en zodoende beledigd. Zodoende heeft hij ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag. Ambtenaren met een publieke taak moeten - in het belang van de openbare orde - kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen vanuit het publiek.

Daarnaast heeft de verdachte zich op de wijze zoals in de bewezenverklaring omschreven al dan niet samen met een ander schuldig gemaakt aan twee woninginbraken. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van de slachtoffers en hun persoonlijke levenssfeer. Bovendien heeft hij voor de betrokkenen overlast en financiële schade veroorzaakt.

Feiten als de onderhavige brengen in de regel ook bij burgers heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer acht geslagen op de volgende rapportages:

- uitkomsten basisonderzoek en strafadvies hoger beroep van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 31 oktober 2017;

  • -

    een haalbaarheidsonderzoek voor een Harde Kern Aanpak met als hulpmiddel Elektronische Controle d.d. 7 augustus 2017;

  • -

    een gezinsplan d.d. 20 juni 2017 van Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond;

  • -

    een reclasseringsadvies voorgeleiding Raadkamer d.d. 27 juni 2017 van Bouman GGZ;

  • -

    een bijlage voor het Plan van Aanpak d.d. 16 juni 2017 van Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond;

  • -

    een gezinsplan d.d. 17 november 2016 van Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond;

  • -

    een briefrapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 29 februari 2016;

  • -

    een advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 14 januari 2016 en

  • -

    een psychologisch onderzoek Pro Justitia van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie d.d. 25 juli 2016.

Uit de meest recente rapportage ‘Uitkomsten basisonderzoek en strafadvies hoger beroep’ d.d. 31 oktober 2017 blijkt dat de verdachte op dit moment één dag per week op school zit op het [x] en drie dagen per week stage volgt bij [y]. Daarnaast werkt hij sinds anderhalve maand als bezorger bij [bedrijf]. Volgens hem ondersteunen zijn ouders en broer hem in zijn bezigheden en in wat hij wil bereiken. Verder doet de verdachte zijn best binnen het HKA-traject en de EC. Afspraken komt hij over het algemeen goed na. Hij heeft nog wel problemen met doorzetten: hij haakt nog steeds snel af. De Raad van de Kinderbescherming acht het van groot belang dat de verdachte het huidige traject (Nieuwe Kans, HKA-traject) zal afmaken. Ook de verdachte ziet in dat hij deze hulp nodig heeft en is bereid eraan mee te werken.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben mevrouw [getuige 1], jeugdbeschermer van de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna te noemen: JBRR), en mevrouw [getuige 2], raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: RvdK), een verklaring afgelegd.

Mevrouw [getuige 1] heeft ter zitting verklaard dat zij één à twee keer per week met de verdachte afspreekt; er is elke dag contact; de verdachte wilde graag naar school en heeft dat nu via ‘Nieuwe Kans’ bereikt; het thuisfront en de wijkagent bevestigen de positieve ontwikkeling. De ouders worden door JBRR bij de gesprekken met de verdachte betrokken.

Mevrouw [getuige 2] heeft ter zitting verklaard dat de verdachte blij is dat hij nu hulp krijgt. De verwachting bij de RvdK is dat hij het traject volledig zal doorlopen.

De verdachte heeft op zitting aangegeven dat hij gesprekken heeft met Palier over zijn toekomst. Hij gaat weer naar school en doet stage bij ‘Nieuwe Kans’. Hij werkt en probeert geld te sparen, omdat hij graag op zichzelf wil wonen. Hij heeft echter nog schulden te betalen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur met oplegging van bijzondere voorwaarden een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 5]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade tot een bedrag van € 21.000,00 en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 500,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 9.640,00 aan materiële schade is geleden, bestaande uit:

kosten [merk 1] ketting diamant: € 9.241,00

kosten [merk 2] ketting diamant: € 249,00

1. set [merk 3] oorbellen (gemiddelde prijs): € 150,00

----------

Totaal: € 9.640,00

Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder

4 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof ziet geen aanleiding om het hierboven genoemde totaalbedrag te matigen, zoals door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. De verdachte kan een deel van het door hem aan de benadeelde partij te betalen bedrag eventueel verhalen op zijn medeverdachten middels een civielrechtelijke procedure.

Het hof zal het deel van de vordering dat ziet op de gestelde immateriële schade afwijzen, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoendegebleken dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer is toegebracht tot een bedrag van € 9.640,00. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Het hof zal derhalve de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Aangezien er in het kader van de schadevergoedingsmaatregel voldoende verhaalsmogelijkheden zijn ziet het hof –gezien de hoogte van dit bedrag- af van het opleggen van vervangende jeugddetentie.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.000,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 405,63 aan materiële schade is geleden, bestaande uit:

kosten deurslot: € 55,63

contant geld: € 150,00

schade aan meubelen (naar billijkheid): € 200,00

--------

totaal: € 405,63

Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder

4 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof ziet geen aanleiding om het hierboven genoemde totaalbedrag te matigen, zoals door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. De verdachte kan een deel van het door hem aan de benadeelde partij te betalen bedrag eventueel verhalen op zijn medeverdachten middels een civielrechtelijke procedure.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer is toegebracht tot een bedrag van € 405,63. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Het hof zal derhalve de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 11.720,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is de vordering tot schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. Daarmee levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 4]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van €500,00 en materiële schade ten bedrage van €850,00 als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair ten laste gelegde.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is de vordering tot materiële en immateriële schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. Daarmee levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering tot schadevergoeding [stichting]

In het onderhavige strafproces heeft [stichting] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 6 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 993,63.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat, gelet op de braaksporen van eerdere inbraken via hetzelfde raam, naar billijkheid tot een bedrag van € 273,73 (1/3 van het bruto bedrag) aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 6 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof ziet geen aanleiding om het hierboven genoemde bedrag te matigen, zoals door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [stichting]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer is toegebracht tot een bedrag van € 273,73. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Het hof zal derhalve de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 10 december 2014 onder parketnummer 10-227166-14 is de verdachte veroordeeld tot een werkstraf van twintig uren, subsidiair tien dagen vervangende jeugddetentie, met bevel dat die jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie, met dien verstande dat hij de tenuitvoerlegging vordert van de vervangende jeugddetentie voor de duur van tien dagen, op de grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

In plaats van de door de advocaat-generaal gevorderde tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie, zal het hof evenwel – aangezien de wet de omzetting naar vervangende jeugddetentie heeft verbonden aan het niet naar behoren uitvoeren van de taakstraf - niet gelasten in de vorm van vervangende jeugddetentie doch als taakstraf voor de duur van twintig uren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 266, 267 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, 3 primair en subsidiair en 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover nog aan de orde - en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 4 primair en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 4 primair en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot

52 (tweeënvijftig) dagen,niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van

2 ( twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op de door Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen tijdstippen te melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang deze instelling dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], zolang de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd zal meewerken aan begeleiding vanuit Palier (ACT) zolang als de behandelinstelling en/of Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond dit noodzakelijk achten.

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 9.640,00 (negenduizend zeshonderdveertig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst af de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van de gevorderde immateriële schade.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.640,00 (negenduizend zeshonderdveertig euro) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover (een of meer van) de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 405,63 (vierhonderdvijf euro en drieënzestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 405,63 (vierhonderdvijf euro en drieënzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover (een of meer van) de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [stichting]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [stichting] ter zake van het onder 6 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 273,73 (tweehonderddrieënzeventig euro en drieënzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [stichting], ter zake van het onder 6 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 273,73 (tweehonderddrieënzeventig euro en drieënzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 10 december 2014, parketnummer 10-227166-14, te weten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van

20 (twintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels, mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen en mr. H.J.M. Smid-Verhage,

in bijzijn van de griffier mr. C.M.A. Ellens-Veenhof.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 november 2017.