Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4020

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
000252-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikel 591a Sv. Vergoeding kosten van rechtsbijstand. Verzoeker is politieagent van beroep.

Het hof stelt voorop dat op grond van de wet (artikel 6:170 lid 1 BW) een werkgever (naast de werknemer zelf) aansprakelijk is voor de onrechtmatige daden van een werknemer indien de werknemer bij het begaan van de onrechtmatige daad handelde ter vervulling van de hem opgedragen taak en zeggenschap bestond over de gedragingen waarin de onrechtmatige daad gelegen is. In een dergelijk geval is in de onderlinge verhouding tussen de werkgever en werknemer de werkgever draagplichtig voor de door die onrechtmatige daad veroorzaakte schade, tenzij de werknemer schade veroorzaakt heeft door opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 6:170 lid 3 BW).

Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat het past in het stelsel van de wet en aansluit bij de in de wet geregelde gevallen dat, in een zaak als de onderhavige, waarin weliswaar geen sprake is van een onrechtmatige daad van de verzoeker – hij is immers vrijgesproken van het hem ten laste gelegde – maar de gedragingen die aanleiding gaven tot de vervolging wel tot zijn taak als werknemer behoorden en zijn werkgever daar ook zeggenschap over had, niet de verzoeker de genoemde kosten van de raadsvrouw dient te dragen, maar zijn werkgever. Dit op grond van de dwingendrechtelijke verplichting van de werkgever zich als goed werkgever jegens de werknemer te gedragen als bedoeld in artikel 7:611 BW.

Het hof stelt vast dat de werkgever zijn dwingendrechtelijke plicht heeft vervuld door de genoemde kosten van de raadsvrouw te betalen. Het hof acht het in strijd met doel en strekking van de genoemde wettelijke plicht dat het voldoen daaraan door een werkgever tot gevolg heeft dat de Staat de kosten van rechtsbijstand van een gewezen verdachte niet zou hoeven te betalen.

Ter zijde merkt het hof op dat, gelet op het bepaalde in artikel 5 derde lid van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie, verzoeker verplicht is ervoor zorg te dragen dat de vergoeding toekomt aan zijn werkgever, zijnde de Nationale politie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/50
O&A 2018/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AV-nummer: 000252-17

Rolnummer: 22-000447-16

Datum uitspraak: 14 november 2017

GERECHTSHOF DEN HAAG

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gewezen naar aanleiding van een ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering ingediend door:

[verzoeker],

geboren te [plaats] op [datum],

adres: [adres].

Procesgang

Dit gerechtshof heeft bij arrest van 17 november 2016 met bovengenoemd rolnummer het vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Den Haag van 20 januari 2016 in de strafzaak tegen de verzoeker vernietigd en de verzoeker van het hem ten laste gelegde vrijgesproken.

Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.

Namens de verzoeker is vervolgens bij een tijdig ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift vergoeding gevraagd van in totaal € 144.636,52, bestaande uit € 144.086,52 ter zake van kosten van rechtsbijstand, alsmede € 550,-, ter zake van kosten voor het door zijn advocaat, mr. C.L.A. de Sitter, opstellen en in de raadkamer behandelen van het onderhavige verzoekschrift.

De raadkamer van dit gerechtshof heeft dit verzoekschrift in het openbaar op 10 oktober 2017 behandeld. Daarbij zijn gehoord de advocaat mr. De Sitter en de advocaat-generaal mr. D.M. van Gosen.

De advocaat-generaal heeft – overeenkomstig de schriftelijke conclusie van haar ambtgenoot – geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Beoordeling van het verzoek

Het hof stelt het volgende vast:

- Verzoeker is politieagent van beroep;

- In die hoedanigheid wilde verzoeker, belast met de handhaving van de rechtsorde (artikel 2 Politiewet 2012), op 20 juni 2013 een bekeuring uitschrijven aan de bestuurder van een auto die verkeerd stond geparkeerd. Een derde persoon heeft zich daarmee bemoeid en de verzoeker beledigd;

- Verzoeker heeft vervolgens deze derde persoon ter zake van belediging aangehouden;

- Ten gevolge van het verzet dat door deze derde persoon werd gepleegd bij de aanhouding was verzoeker overeenkomstig het gestelde in artikel 2 Politiewet 2012 bevoegd en genoodzaakt om geweld toe te passen.

- Deze geweldstoepassing heeft geleid tot verdenkingen van mishandeling en poging tot mishandeling;

- De gemaakte en verzochte kosten van rechtsbijstand zijn op grond van het bepaalde in artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 2, lid 1, van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie door de Nationale politie voldaan.

Het hof stelt voorop dat op grond van de wet (artikel 6:170 lid 1 BW) een werkgever (naast de werknemer zelf) aansprakelijk is voor de onrechtmatige daden van een werknemer indien de werknemer bij het begaan van de onrechtmatige daad handelde ter vervulling van de hem opgedragen taak en zeggenschap bestond over de gedragingen waarin de onrechtmatige daad gelegen is. In een dergelijk geval is in de onderlinge verhouding tussen de werkgever en werknemer de werkgever draagplichtig voor de door die onrechtmatige daad veroorzaakte schade, tenzij de werknemer schade veroorzaakt heeft door opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 6:170 lid 3 BW).

Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat het past in het stelsel van de wet en aansluit bij de in de wet geregelde gevallen dat, in een zaak als de onderhavige, waarin weliswaar geen sprake is van een onrechtmatige daad van de verzoeker – hij is immers vrijgesproken van het hem ten laste gelegde – maar de gedragingen die aanleiding gaven tot de vervolging wel tot zijn taak als werknemer behoorden en zijn werkgever daar ook zeggenschap over had, niet de verzoeker de genoemde kosten van de raadsvrouw dient te dragen, maar zijn werkgever. Dit op grond van de dwingendrechtelijke verplichting van de werkgever zich als goed werkgever jegens de werknemer te gedragen als bedoeld in artikel 7:611 BW.

Het hof stelt vast dat de werkgever zijn dwingendrechtelijke plicht heeft vervuld door de genoemde kosten van de raadsvrouw te betalen. Het hof acht het in strijd met doel en strekking van de genoemde wettelijke plicht dat het voldoen daaraan door een werkgever tot gevolg heeft dat de Staat de kosten van rechtsbijstand van een gewezen verdachte niet zou hoeven te betalen.

Ter zijde merkt het hof op dat, gelet op het bepaalde in artikel 5 derde lid van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie, verzoeker verplicht is ervoor zorg te dragen dat de vergoeding toekomt aan zijn werkgever, zijnde de Nationale politie.

Uit het voorgaande volgt dat moet worden beslist als hierna is aangegeven.

Beslissing

Het hof:

wijst het verzoek toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 144.636,52, (honderdvierenveertig duizend zeshonderdzesendertig EURO en tweeënvijftig EUROCENT).

Deze beschikking is gewezen door mr. J.M. Reinking, voorzitter,mrs. R.M. Bouritius en T.J.P. van Os van den Abeelen, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.Th.A. de Ridder, en uitgesproken in het openbaar op 14 november 2017.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.