Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:4002

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
200.194.805/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Executele. Erfgenamen vorderen vergoeding van onderscheiden schadeposten van de executeur. Vordering ook in hoger beroep afgewezen als onvoldoende onderbouwd, behalve voor wat betreft de kosten van juridische buitengerechtelijke bijstand, gemaakt om een advocaat in te schakelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0015
Jurisprudentie Erfrecht 2018/28
JERF Actueel 2018/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.194.805/01

Zaak- rolnummer rechtbank : 3138040/RL EXPL 14-17911

arrest van 12 december 2017

inzake

1. [erfgenaam een] ,

wonende in [woonplaats] ,

en

2. [erfgenaam twee] ,

wonende in [woonplaats] ,

appellanten, tevens geïntimeerden in incidenteel appel,

hierna gezamenlijk te noemen: [de erfgenaam] ,

advocaat: mr. T.V. Janssens te Amsterdam,

tegen

[de executeur] ,

wonende in [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: [de executeur] ,

advocaat: mr. A.F. Mandos te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 20 juni 2016 is [de erfgenaam] in hoger beroep gekomen tegen het tussenvonnis van 15 december 2015 en tegen het eindvonnis van 5 april 2016 van de rechtbank Den Haag, team kanton, tussen partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld.

[de erfgenaam] heeft bij memorie van grieven vier grieven geformuleerd tegen de bestreden vonnissen en heeft daarbij negen producties overgelegd.

Bij memorie van antwoord, tevens akte incidenteel appel, heeft [de executeur] de grieven bestreden en zijnerzijds heeft [de executeur] één incidentele grief geformuleerd.

[de erfgenaam] heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel appel verweer gevoerd.

Beide partijen hebben hun procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in de bestreden vonnissen zijn vastgesteld.

De bestreden vonnissen

2. Door de kantonrechter is – zakelijk weergegeven en voor zover relevant in hoger beroep - beslist als volgt. [de executeur] hoeft [de erfgenaam] als erfgenamen niet te compenseren voor het verwijderen van de door hem bepaalde tekst op de grafsteen en het alsnog aanbrengen van de door hen gewenste tekst. Hij hoeft de waarde van sieraden niet te vergoeden. De waarde van de inboedel heeft de kantonrechter als te gering beschouwd en de kosten van de buitengerechtelijke rechtsbijstand van de erfgenamen heeft hij slechts ten dele voor vergoeding door [de executeur] vatbaar geacht. Het meer of anders gevorderde heeft de kantonrechter afgewezen.

Het geschil

3. [de erfgenaam] klaagt in de eerste grief dat de kantonrechter de door hen gestelde schade aan de grafsteen ten onrechte onvoldoende bepaalbaar achtte. Te zijner tijd, te weten na overlijden van appellant sub 1, weduwnaar van erflaatster, zal de definitieve tekst op de grafsteen bepaald worden. Daartoe dient de grafsteen te worden hersteld, hetgeen technisch mogelijk is en waarvoor [de erfgenaam] een offerte heeft overgelegd.

4. Het hof overweegt als volgt. De grief sluit niet uit dat [de erfgenaam] , althans appellante sub 2, op enig moment zullen/zal besluiten om de op instructie van [de executeur] aangebrachte tekst op de grafsteen te handhaven. Immers, niet wordt gesteld dat die tekst onjuist is. Reeds daaruit volgt dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld als in het bestreden eindvonnis vervat. Het hof neemt de overwegingen van de kantonrechter over en maakt die tot de zijne. De eerste grief wordt daarom gepasseerd.

5. In de tweede grief klagen [de erfgenaam] dat [de executeur] het verlies van sieraden niet hoeft te compenseren, omdat niet vaststaat dat de sieraden, benoemd in het taxatierapport uit 1984, ten tijde van het overlijden van erflaatster in de kluis aanwezig hadden moeten zijn.

6. Gelet op de betwisting door [de executeur] rust op [de erfgenaam] de bewijslast. Even als bij de kantonrechter hebben [de erfgenaam] geen bewijs geleverd van hun stelling of nader bewijs aangeboden. Ook hier geldt dat het hof de overwegingen van de kantonrechter overneemt en tot de zijne maakt. Het hof wijst de grief dus af.

7. Volgens de derde grief achtte de kantonrechter de kosten van de door [de erfgenaam] ingeroepen juridische buitengerechtelijke bijstand ten onrechte niet voor volledige vergoeding vatbaar.

8. Deze grief treft doel. De kantonrechter heeft voldoende aannemelijk geacht dat [de erfgenaam] de bijstand van een advocaat nodig had teneinde [de executeur] te bewegen zijn wettelijke verantwoordelijkheden als executeur na te komen. [de executeur] heeft dit oordeel onvoldoende bestreden in zijn verweer, casus quo in zijn hierna te bespreken incidentele grief. Daarmee staat het onrechtmatig handelen van [de executeur] vast. Daarmee staat ook vast dat de kosten die [de erfgenaam] heeft moeten maken door een advocaat in te schakelen, zijn te kwalificeren als schade, welke schade als aan [de executeur] toe te rekenen in beginsel voor vergoeding vatbaar is. [de erfgenaam] heeft ter onderbouwing van de grief facturen van mr. Morshuis overgelegd waarvan niet kan worden vastgesteld dat die individueel of in samenstel bezien onredelijk of buitenproportioneel zijn. [de executeur] heeft de hoogte van de kosten ook niet betwist. De vordering van [de erfgenaam] ligt derhalve voor toewijzing gereed.

9. De vierde en laatste grief klaagt dat de kantonrechter een substantiële waarde had moeten toekennen aan de inboedel, welke waarde voor vergoeding door [de executeur] vatbaar is.

10. Het hof verwerpt deze grief. Het hof neemt de overwegingen van de kantonrechter over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is geen argument naar voren gekomen waaruit valt af te leiden dat aan de inboedel een hogere dan geringe waarde moet worden toegekend. Het hof passeert daarbij het aanbod van [de erfgenaam] te bewijzen dat de inboedel van een bovengemiddeld niveau was. De omstandigheid dat de genoemde getuigen zouden kunnen verklaren over de inrichting van de woning ten tijde van het overlijden van erflaatster kan nog niet tot de gevolgtrekking leiden dat de inboedel een waarde had van tenminste EUR 5.000.

11. [de executeur] klaagt in zijn incidentele grief dat de kantonrechter de rechtsgronden van zijn vorderingen had moeten aanvullen, omdat hij en zijn advocaat hebben geworsteld met de kwalificatie van zijn werkzaamheden als executeur, in het licht van de onwerkbare houding van [de erfgenaam] c.s.

12. Het hof verwerpt deze grief, als niet of onvoldoende onderbouwd. Ten eerste is niet van een onwerkbare houding van [de erfgenaam] gebleken. Integendeel zelfs, uit de overgelegde e-mails waarin bijvoorbeeld het feit dat [de erfgenaam] [de executeur] toestond een aantal inboedelgoederen zonder vergoeding te behouden volgt dat [de erfgenaam] zich redelijk jegens [de executeur] heeft opgesteld. Voor het overige, en wat er ook zij van de worsteling van [de executeur] en zijn advocaat, uit de grief blijkt niet waarom het oordeel van de kantonrechter onjuist zou zijn en op welke grond de kantonrechter anders had moeten beslissen. Aan het bewijsaanbod van [de executeur] komt het hof derhalve niet meer toe.

Kosten van de procedure

13. Nu [de erfgenaam] overwegend en [de executeur] geheel in het ongelijk is gesteld, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

Het hof:

In het appel:

vernietigt het tussenvonnis van 15 december 2015 en het eindvonnis van 5 april 2016, voor zover daarin de vordering tot volledige vergoeding van buitengerechtelijke rechtsbijstand is afgewezen;

veroordeelt [de executeur] tot het betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellanten van een bedrag van EUR 10.545,54, onder aftrek van hetgeen [de executeur] reeds terzake van vergoeding van kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand aan appellanten heeft betaald, in die zin dat bij betaling aan één van de appellanten, [de executeur] zal zijn gekweten, te verhogen met de wettelijke rente vanaf zeven (7) dagen na betekening van dit arrest tot de dag van de algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in de zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

In het incidentele appel:

wijst het gevorderde af;

In het appel en incidentele appel:

bekrachtigt de bestreden vonnissen van 15 december 2015 en 5 april 2016 tussen de partijen gewezen en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor zover hierboven niet anders is beslist.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, J.M. van Baardewijk en O.I.M. Ydema, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2017 in aanwezigheid van de griffier.