Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3937

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
BK-17/00327
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:997, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht een bedrag van € 14.500 heeft belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan aftrek van specifieke zorgkosten dan reeds in aftrek is toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-01-2018
FutD 2018-0175
V-N Vandaag 2018/80

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00327

Uitspraak d.d. 25 juli 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 februari 2017, nummer SGR 16/6272, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.272 (hierna: de aanslag). Bij beschikking is een bedrag van € 389 aan belastingrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking belastingrente).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar gedeeltelijk toegewezen en heeft hij de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.177. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 juni 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende is gehuwd met de heer [Y] .

3.2.

De Inspecteur heeft een renseignement over het jaar 2013 ontvangen, waaruit blijkt dat belanghebbende een bedrag van in totaal € 18.150 heeft ontvangen uit het persoonsgebonden budget van haar echtgenoot (hierna: PGB).

3.3.

Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.772. Bij de aanslagregeling is de Inspecteur afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte en heeft hij het inkomen uit werk en woning van belanghebbende verhoogd met € 14.500 in verband met genoten inkomsten uit het PGB.

3.4.

Bij uitspraak op bezwaar is de Inspecteur gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende door een hoger bedrag aan specifieke zorgkosten in aftrek toe te laten dan belanghebbende in haar aangifte heeft opgevoerd. De Inspecteur heeft de volgende uitgaven aangemerkt als specifieke zorgkosten:

uitgaven voor hulpmiddelen € 30

genees- en heelkundige hulp € 110

voorgeschreven medicijnen € 26

kleding en beddengoed € 75

uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit € 128

Totaal € 1.069

3.5.

Belanghebbende heeft gesteld dat een bedrag van € 14.807,51 aan kosten in mindering komt op het door haar ontvangen bedrag uit het PGB. Dit bedrag heeft zij als volgt gespecificeerd:

Onderhoud echtgenoot per jaar:

o.a. kleding/taxi geld/kostgeld/bril/beddengoed/verzorgen € 12.000

Ziekenfonds € 1.680

Eigen bijdrage [A] Ziekengeld € 350

Aansprakelijkheidsverzekering € 56

[B] € 80

Tandarts € 110

Gemeente [Z] /paspoort € 50,35

Apotheek € 80

Uitvaartverzekering 12 x 20,97 € 251,64

[C] 12 x 12,46 € 149,52

Totaal € 14.807,51

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht een bedrag van € 14.500 heeft belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan aftrek van specifieke zorgkosten dan reeds in aftrek is toegestaan.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak bezwaar, primair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.772 en subsidiair tot kwijtschelding van de aanslag dan wel tot het vaststellen van een betalingsregeling.

5.2.

De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen:

"(…)

Beoordeling van het geschil

8. Vast staat dat [belanghebbende] voor de verzorging van haar echtgenoot in 2013 tenminste een bedrag van € 14.500 uit het PGB ontving. De rechtbank is van oordeel dat de inkomsten uit het PGB bij [belanghebbende] door [de Inspecteur] terecht zijn belast als resultaat uit overige werkzaamheden (zie het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007, nr. 42 044, ECLI:NL:HR:2007:AY3626).

9. Aangaande het door [belanghebbende] opgevoerde bedrag van € 14.807,51 dat zij op het resultaat uit overige werkzaamheden in mindering wenst te brengen, oordeelt de rechtbank als volgt. Alleen die kosten kunnen door [belanghebbende] in aftrek worden gebracht die in een zakelijke verband staan tot de inkomsten uit het PGB. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de kosten zijn gemaakt ten behoeve van de door [belanghebbende] verrichte arbeid voor de zorg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] terecht vastgesteld dat daarvan bij de door [belanghebbende] opgevoerde uitgaven geen sprake is, nu de uitgaven vooral betrekking hebben op levensonderhoud en aanverwante zaken. De uitgaven kunnen dan ook niet in mindering komen op de inkomsten uit het PGB.

10. Gegeven het oordeel onder 9 zal de rechtbank nog beoordelen of de door [belanghebbende] opgevoerde kosten mogelijk als specifieke zorgkosten aangemerkt kunnen worden. [De Inspecteur] heeft in de bezwaarfase alsnog de volgende kosten als specifieke zorgkosten in aftrek toegelaten, te weten € 775 wegens extra kleding en beddengoed en € 8 wegens vervoerskosten. [Belanghebbende] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat er recht bestaat op een hogere aftrek van specifieke zorgkosten dan [de Inspecteur] in de aangifte en in de bezwaarfase in aanmerking heeft genomen. Daarmee faalt ook deze beroepsgrond van [belanghebbende].

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

(…)"

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

De Rechtbank heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007, nr. 42 044, ECLI:NL:HR:2007:AY3626, BNB 2007/246 overwogen dat de door belanghebbende genoten inkomsten uit het PGB terecht zijn belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat de in 3.5 vermelde uitgaven niet in een zakelijk verband staan tot de inkomsten uit het PGB, nu deze uitgaven voornamelijk betrekking hebben op levensonderhoud en aanverwante zaken. Ook heeft belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat recht bestaat op een hogere aftrek van specifieke zorgkosten dan de Inspecteur in aanmerking heeft genomen.

7.2.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de belastbaarheid van de inkomsten uit het PGB en de door haar opgevoerde kosten haar voor de Rechtbank ingenomen standpunten herhaald. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aangedragen die in eerste aanleg niet zijn aangevoerd en die het Hof tot een ander oordeel brengen. Het Hof verenigt zich met het oordeel van de Rechtbank en de daartoe gebezigde gronden en maakt deze tot de zijne.

7.3.

Het hogerberoepschrift behelst voorts een verzoek tot kwijtschelding van de aanslag. Het Hof is echter niet bevoegd om op een verzoek tot kwijtschelding te beslissen. Belanghebbende dient zich met een dergelijk verzoek te wenden tot de ontvanger van de belastingen. Ter zitting van het Hof is gebleken dat belanghebbende na de indiening van het hogerberoepschrift de ontvanger heeft verzocht om kwijtschelding van de aanslag. Om belanghebbende een helpende hand te bieden heeft de Inspecteur ter zitting toegezegd te zullen proberen een gesprek met de ontvanger te regelen, zodat belanghebbende en de ontvanger tezamen kunnen bekijken wat de mogelijkheden zijn.

7.4.

Het Hof wijst belanghebbende nog op het volgende. Tegen een afwijzende beschikking op een verzoek tot kwijtschelding staat zogenoemd administratief beroep open bij de directeur van de belastingen. Tegen een eventuele ongegrondverklaring van dat beroep staat vervolgens geen beroep open bij de belastingrechter, maar kan uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld.

7.5.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond. Beslist dient te worden als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, E.M. Vrouwenvelder en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier drs. N. El Allaoui. De beslissing is op 25 juli 2017 in het openbaar uitgesproken.

Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. F.G.F. Peters.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.