Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3934

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
200.187.159/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadeclaim tegen de Staat omdat de wederpartij van eiser is opgenomen in een getuigenbeschermingsprogramma en eiser zijn vordering op die wederpartij niet meer kan innen. Is de Staat verplicht de schulden van die wederpartij te voldoen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/254
AR 2018/266
RI 2018/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.187.159/01

Rolnummer rechtbank : C/09/482600/HA ZA 15-172

arrest van 5 december 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , […] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. P.W.H.M. Dijkmans te Bladel,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. R.W. Veldhuis te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 7 maart 2016 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2016, alsmede tegen alle daaraan voorafgaande mondelinge en schriftelijke tussenvonnissen, waaronder het tussenvonnis van 20 mei 2015, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] alleen tegen het eindvonnis van 27 januari 2016 (vijf) grieven aangevoerd en zijn eis gewijzigd. De Staat heeft bij memorie van antwoord de grieven en de gewijzigde eis bestreden. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

[appellant] heeft behalve tegen het eindvonnis van 27 januari 2016 ook appel ingesteld tegen ‘alle daaraan voorafgaande mondelinge en schriftelijke tussenvonnissen, waaronder het tussenvonnis van 20 mei 2015’. Aangezien niet blijkt dat de rechtbank andere tussenvonnissen dan het tussenvonnis van 20 mei 2015 heeft gewezen, is het appel kennelijk beperkt tot twee vonnissen. Nu [appellant] geen grieven heeft aangevoerd tegen het tussenvonnis van 20 mei 2015 en overigens tegen de beslissing om een comparitie van partijen te gelasten geen hoger beroep open staat, dient hij in zijn hoger beroep daartegen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

1.2

Nu geen grieven zijn gericht tegen de feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.10 van het eindvonnis heeft vastgesteld, zal ook het hof van de aldus door de rechtbank vastgestelde feiten uitgaan. Daarnaar wordt in de eerste plaats verwezen. Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.

1.3

[X] (hierna: [X] ) was een zakenman, die door middel van een aantal vennootschappen onroerend goed ontwikkelde en daarvoor beleggers zocht. [appellant] , die indertijd als vermogensbeheerder werkte, heeft een van zijn cliënten, Embrace N.V. (hierna: Embrace), in contact gebracht met [X] . Dit resulteerde er in dat Embrace € 5 miljoen aan een vennootschap van [X] , Brixx B.V. (hierna: Brixx), leende. [X] en [appellant] hebben zich jegens Embrace garant gesteld voor de terugbetaling van deze lening.

1.4

Enig aandeelhouder en bestuurder van Brixx was BaRe Investments B.V. (hierna: BaRe Investments). Enig aandeelhouder en bestuurder van BaRe Investments B.V. was BaRe Holding B.V. Enig aandeelhouder en bestuurder van BaRe Holding B.V. was [X] .

1.5

Op 27 september 2005 is BaRe Investments in staat van faillissement verklaard. Op 21 mei 2009 is [X] in staat van faillissement verklaard.

1.6

Op 14 juli 2010 zijn [X] en zijn echtgenote ( [echtgenote] ) met de Staat overeengekomen dat zij (en hun drie kinderen) in een getuigenbeschermingsprogramma worden opgenomen. Ter uitvoering van deze overeenkomst hebben [X] en [echtgenote] een andere identiteit gekregen.

1.7

[appellant] pretendeert vorderingen te hebben op [X] ter grootte van ruim € 1,8 miljoen in totaal. Deze vorderingen vloeien volgens [appellant] voort uit (i) diverse door hem aan [X] verstrekte geldleningen, (ii) een door [X] aan [appellant] verstrekte contragarantie voor de door [appellant] aan Embrace verstrekte garantie, (iii) een tweetal vorderingen van [A] en [B] op [X] die aan [appellant] zijn gecedeerd.

1.8

[appellant] stelt zich in dit geding op het standpunt dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt, doordat de Staat [X] in een getuigenbeschermingsprogramma heeft opgenomen en zodoende aan [appellant] iedere verhaalsmogelijkheid op [X] heeft ontnomen, maar weigert de hiervoor genoemde vorderingen van [appellant] op [X] te voldoen. De Staat is volgens [appellant] aansprakelijk voor de aldus door hem geleden schade. [appellant] baseert zich daarbij met name op de Nota van Toelichting op het (hierna ter sprake te brengen) Besluit van 21 december 2005, houdende regels ter uitvoering van artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering (Stb. 2006, 21, hierna: het Besluit Getuigenbescherming), waarin volgens [appellant] is bepaald dat de Staat de schulden van de getuige overneemt indien deze onvoldoende middelen bezit om zijn schulden zelf te voldoen. Ook doet [appellant] een beroep op art. 6:99 BW, waaruit volgens hem volgt dat de Staat hoofdelijk jegens hem aansprakelijk is, nu de Staat aansprakelijk is voor een gebeurtenis die de gehele schade kan hebben veroorzaakt.

1.9

De Staat heeft bestaan en omvang van de vorderingen van [appellant] op [X] betwist. Daarnaast heeft de Staat aangevoerd dat hij slechts gehouden is schulden van een beschermde getuige als [X] te voldoen, voor zover diens schuldeiser, de opname in het beschermingsprogramma weggedacht, zijn vordering op de getuige had kunnen verhalen. Het is volgens de Staat niet de bedoeling van het Besluit Getuigenbescherming dat de schuldeisers van een schuldenaar er wat betreft hun verhaalspositie op vooruitgaan, doordat deze laatste in een getuigenbeschermingsprogramma wordt opgenomen. In dit geval had [appellant] zijn vorderingen nooit op [X] kunnen verhalen, onder meer gelet op diens faillissement en de totale schuldenlast van [X] die, zoals uit de uitdelingslijst in zijn faillissement blijkt, circa € 8,9 miljoen bedroeg.

1.10

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Volgens de rechtbank kan de passage in de Nota van Toelichting op het Besluit Getuigenbescherming in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat de verplichting van de Staat tot het overnemen of voldoen van de schulden van de getuige, slechts ziet op de situatie waarin ervan moet worden uitgegaan dat de schuldeisers schade lijden ten gevolge van de opname van de getuige in een beschermingsprogramma. Art. 6:99 BW is volgens de rechtbank niet op het onderhavige geval van toepassing. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de schade van [appellant] niet is veroorzaakt door de omstandigheid dat [X] in een getuigenbeschermingsprogramma is opgenomen. Ook zonder deze omstandigheid had [appellant] zijn vordering niet op [X] kunnen verhalen.

1.11

[appellant] vordert thans, na eiswijziging in hoger beroep, bij arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

1. te verklaren voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt jegens [appellant] door [X] op te nemen in een getuigenbeschermingsprogramma en de schulden die [X] aan [appellant] had, niet over te nemen en niet te voldoen.

2. te verklaren voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de schade, die [appellant] lijdt ten gevolge van het onrechtmatig handelen door de Staat, bestaande uit het ontnemen van iedere huidige en toekomstige verhaalsmogelijkheid t.a.v. de volgende vorderingen van [appellant] op [X] :

a) Geldleningen:

een bedrag van € 703.014,87 aan schadevergoeding op grond van de tekortkoming in de nakoming door [X] van de overeenkomst van Geldlening;

b) Contragarantie:

een bedrag van € 584.066,77 aan schadevergoeding op grond van een tekortkoming in de nakoming door [X] van de door hem aan [appellant] verstrekte Contragarantie;

c) Gecedeerde vordering [A] :

een bedrag van € 159.261,56 aan schadevergoeding op grond van een tekortkoming in de nakoming door [X] van een overeenkomst van opdracht tussen [X] en [A] , op welke vordering [appellant] rechthebbende is geworden door middel van cessie;

d) een bedrag van € 389.571,66 aan schadevergoeding op grond van een tekortkoming in de nakoming door [X] van een overeenkomst tot geldlening op welke vordering [appellant] rechthebbende is geworden door middel van cessie;

Subsidiair:

1. te verklaren voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt jegens [appellant] door [X] op te nemen in een getuigenbeschermingsprogramma en de schulden die [X] aan [appellant] had, niet geheel of gedeeltelijk over te nemen en niet (geheel of gedeeltelijk) te voldoen.

2. te verklaren voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de schade, die [appellant] lijdt ten gevolge van het onrechtmatig handelen door de Staat, bestaande uit het ontnemen van iedere huidige en toekomstige verhaalsmogelijkheid t.a.v. (een gedeelte van) de vorderingen van [appellant] op [X] , waarbij de hoogte van de schade door het hof in goede justitie zal worden bepaald.

Meer subsidiair:

1. te verklaren voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt jegens [appellant] door [X] op te nemen in een getuigenbeschermingsprogramma en de schulden die [X] aan [appellant] had, niet geheel of gedeeltelijk over te nemen en te voldoen.

2. te verklaren voor recht dat de Staat voor een door uw hof in goede justitie te bepalen gedeelte aansprakelijk is voor de schade die [appellant] lijdt, ten gevolge van het onrechtmatig handelen door de Staat, waarbij de hoogte van de schade door het hof in goede justitie zal worden bepaald.

Zowel primair als subsidiair, als meer subsidiair:

1. de Staat te veroordelen tot betaling van de door [appellant] betaalde in en buiten rechte gemaakte kosten ad € 38.631,24;

2. de Staat te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep en in eerste instantie, waaronder het salaris van de advocaat;

3. de Staat te veroordelen tot in de na het wijzen van het arrest te maken kosten van tenuitvoerlegging daarvan, door [appellant] voorlopig begroot op € 131,00, in geval van betekening te vermeerderen met € 90,28 incl. BTW volgens Btag 2014;

4. een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de dag der dagvaarding dan wel vanaf 30 januari 2015.

2.1

Met grief 1 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de passage in de Nota van Toelichting op het Besluit Getuigenbescherming in redelijkheid niet anders kan worden uitgelegd dan dat de verplichting van de Staat tot het overnemen of voldoen van de schulden van de getuige, slechts ziet op de situatie waarin ervan moet worden uitgegaan dat de schuldeisers schade lijden ten gevolge van de opname van de getuige in een beschermingsprogramma en dat niet licht mag worden aangenomen dat deze situatie zich zal voordoen. [appellant] voert aan dat in de bewuste toelichting ongeclausuleerd en imperatief is bepaald dat de Staat de schulden van de getuige-schuldenaar overneemt indien deze onvoldoende middelen bezit om zijn schulden zelf te voldoen.

2.2

De bewuste passage op pagina 8 van de Toelichting op het Besluit Getuigenbescherming luidt als volgt:

“Het tijdelijk verschaffen van een andere identiteit laat verplichtingen jegens derden in beginsel onverlet. Schuldeisers voor wie de tijdelijk nieuwe identiteit van de schuldenaar onbekend is, zullen door deze identiteitswijziging gemakkelijk gedupeerd worden. Een dergelijke benadeling kan moeilijk worden begrepen onder het risico dat schuldeisers nu eenmaal dragen in het maatschappelijk verkeer. Uitgangspunt moet zijn dat schuldeisers geen slachtoffer worden van regels op het gebied van de criminaliteitsbestrijding. Bij aanvang van het getuigenbeschermingsprogramma moet de te beschermen getuige dan ook openheid geven over zijn financiële zaken en dan in het bijzonder over zijn schulden en baten. De getuige-schuldenaar dient zijn schulden te vereffenen. Bij onvoldoende baten zal de Staat de schulden voldoen. Indien dat niet mogelijk is zal de Staat de schulden overnemen.”

2.3

Het hof stelt voorop dat in de wet of in het Besluit Getuigenbescherming zelf geen bepaling voorkomt waarin de Staat verplicht wordt om de schulden van een beschermde getuige voor zijn rekening te nemen, indien de getuige zelf niet in staat is deze te voldoen. Een dergelijke zelfstandige en verstrekkende verplichting van de Staat kan bezwaarlijk, zoals [appellant] wil, alleen op de toelichting bij het Besluit Getuigenbescherming worden gebaseerd. Ook overigens bestaat daarvoor geen grondslag. De grief stuit reeds hierop af. Daar komt bij dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de toelichting op dit punt in redelijkheid niet anders kan worden begrepen, dan dat de verplichting van de Staat tot het overnemen of voldoen van de schulden van de getuige, slechts ziet op de situatie waarin de schuldeisers schade lijden ten gevolge van de opname van de getuige in een beschermingsprogramma. De toelichting vermeldt immers dat schuldeisers van de beschermde getuige door de identiteitswijziging kunnen worden gedupeerd en dat een dergelijke benadeling ‘moeilijk [kan] worden begrepen onder het risico dat schuldeisers nu eenmaal dragen in het maatschappelijk verkeer’. De achterliggende gedachte van deze passages is onmiskenbaar dat een voorziening dient te worden getroffen voor de situatie dat schuldeisers van de getuige worden gedupeerd door de identiteitswijziging, omdat die omstandigheid niet tot het maatschappelijk risico van een schuldeiser behoort. Hiermee is niet verenigbaar de opvatting van [appellant] dat de Staat óók de schulden voor zijn rekening zou moeten nemen van een schuldenaar die, ook indien zijn identiteit wel bij zijn schuldeisers bekend was, niet in staat zou zijn geweest zijn schulden te voldoen. Dat die schulden onbetaald blijven is dan immers niet het gevolg van de identiteitswijziging, maar van het financieel onvermogen van de schuldenaar, hetgeen een omstandigheid is die in het maatschappelijk verkeer wél voor risico van de schuldeiser komt. Voor het in de toelichting uitdrukkelijk benoemen van de failliete getuige als uitzondering, zoals [appellant] voorstelt, was dan ook geen aanleiding. Hoewel aan [appellant] kan worden toegegeven dat het slot van de geciteerde passage van de toelichting in een andere richting lijkt te wijzen, moet de passage als geheel in redelijkheid worden begrepen in de hiervoor genoemde zin.

2.4

Grief 1 faalt.

2.5

Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat op [appellant] de stelplicht en bewijslast rust van de stelling dat er een causaal verband bestaat tussen het opnemen van [X] in het getuigenbeschermingsprogramma en het onbetaald blijven van de vorderingen van [appellant] op [X] en dat art. 6:99 BW daaraan niet afdoet omdat het niet van toepassing is. [appellant] is van mening dat er aanleiding is de bewijslast op de Staat te leggen, aangezien [X] voor [appellant] niet bereikbaar is maar voor de Staat wel. Door het horen van [X] kan volgens [appellant] meer duidelijkheid ontstaan over voor deze procedure essentiële vragen over zijn potentiele verdiencapaciteit, zijn huidige vermogen (en waar zich dat bevindt) en over vragen zoals of hij [appellant] (met voorrang) zou hebben betaald of niet. [appellant] is daarnaast van mening dat de bewijslast op de Staat rust in verband met het bepaalde in art. 6:99 BW.

2.6

De grondslag van de vordering van [appellant] is dat de Staat [X] in een getuigenbeschermingsprogramma heeft opgenomen zonder de schulden van [X] aan [appellant] te voldoen. Zoals hiervoor is overwogen kan een dergelijke vordering slechts slagen indien voldoende aannemelijk is dat [X] , de identiteitswijziging weggedacht, vrijwillig of daartoe door de rechter gedwongen, zijn schulden aan [appellant] geheel of gedeeltelijk zou hebben voldaan. Het is aan [appellant] als eiser om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit blijkt dat dit aannemelijk is. Er is geen aanleiding de bewijslast op de Staat te leggen (hetgeen iets anders is dan de vraag of de Staat mee moet werken aan het doen oproepen en horen van [X] als getuige, zie daarover hierna 2.20). Het enkele feit dat de Staat kennelijk wel maar [appellant] niet met [X] in contact kan treden verschaft de Staat niet zonder meer een betere bewijspositie dan [appellant] , nog daargelaten dat dit op zichzelf niet voldoende is om de bewijslast op de Staat te leggen. Indien, zoals [appellant] lijkt te suggereren, [X] in het buitenland vermogen heeft verstopt, is het niet aannemelijk dat de Staat op dat punt over meer informatie beschikt of kan beschikken dan [appellant] en dat stelt [appellant] ook niet. Daarbij komt dat [appellant] jarenlange ervaring met [X] als zakenpartner heeft en, zoals uit de processtukken blijkt, in staat is geweest om gemotiveerd te betogen dat [X] ook na zijn identiteitswijziging over voldoende verdiencapaciteit beschikt om althans een deel van zijn schulden te betalen. Daar staat tegenover dat de Staat zijn verweer hoofdzakelijk baseert op openbare bronnen die ook voor [appellant] toegankelijk zijn. Voor zover [appellant] verdedigt dat de bewijslast op de Staat moet liggen omdat hij ( [appellant] ) niet in staat is om [X] als getuige voor te brengen, stuit dit betoog af op hetgeen het hof hierna overweegt: er is geen aanleiding om [appellant] tot het leveren van bewijs door het horen van [X] toe te laten. Afgezien daarvan levert bewijsnood onvoldoende reden op om de bewijslast om te keren.

2.7

Anders dan [appellant] aanvoert volgt uit art. 6:99 BW niet een andere bewijslastverdeling. De twee door [appellant] genoemde (mogelijke) oorzaken van zijn schade (het opnemen van [X] in het getuigenbeschermingsprogramma en diens faillissement) zijn namelijk geen gebeurtenissen waarvoor verschillende personen aansprakelijk zijn. Het opnemen van [X] in het getuigenbeschermingsprogramma is immers op zichzelf niet onrechtmatig (dat voert Bos ook niet aan) en dat geldt ook voor het faillissement van [X] .

2.8

Grief 2 loopt op het voorgaande stuk.

2.9

Met grief 3 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat, kort gezegd, niet aannemelijk is dat [X] , ware hij niet opgenomen in het getuigenbeschermingsprogramma, op termijn in staat en bereid zou zijn geweest om de vorderingen van [appellant] voor een (substantieel) deel te voldoen. Volgens [appellant] (a) is wel degelijk aannemelijk dat [X] (een deel van) de vordering terug zou kunnen en willen betalen (met voorrang op andere schuldeisers), (b) zou ook voldoening door [X] van een gering deel (bijvoorbeeld 10%) van de vordering neerkomen op een substantieel bedrag, en (c) dient hij tot bewijslevering te worden toegelaten.

2.10

Tussen partijen zijn de volgende feiten niet in geschil:

(i) [X] is persoonlijk failliet verklaard; de schulden in het faillissement bedroegen ruim € 8,9 miljoen, waarvan ruim € 700.000 preferent; alleen aan de preferente crediteuren werd iets (ruim € 39.000) uitgekeerd;

(ii) de onroerend goed onderneming die [X] had opgezet is mislukt; meerdere van zijn BV’s zijn failliet verklaard;

(ii) door de curator is aangifte tegen [X] gedaan wegens bedrieglijke bankbreuk; ook zijn broer heeft aangifte tegen hem gedaan;

(iv) [X] onderhield contacten met personen die worden geassocieerd met zware criminaliteit; dit is ook de reden dat hij in het getuigenbeschermingsprogramma werd opgenomen.

2.11

Tegen deze achtergrond, en gelet op het feit dat stelplicht op [appellant] rust, had het op de weg van [appellant] gelegen om concrete feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan moet worden aangenomen dat [X] , het getuigenbeschermingsprogramma weggedacht, enig bedrag in mindering op zijn schuld aan [appellant] zou hebben willen en kunnen betalen. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Hij heeft er mee volstaan aan te voeren dat het, gelet op een aantal denkbare situaties, niet op voorhand uitgesloten moet worden geacht dat [X] bereid en in staat zou zijn geweest iets aan [appellant] te betalen. Het gaat er echter niet om of uitgesloten is dat [X] ooit enige betaling aan [appellant] zou (kunnen) doen. Het gaat om de vraag of de Staat, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder hetgeen bij hem bekend was – en is – omtrent de solventie en de vooruitzichten van [X] , [X] mocht opnemen in het getuigenbeschermings-programma zonder [appellant] financieel tegemoet te komen ten aanzien van diens vordering op [X] . Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden was – en is – enige betaling van [X] aan [appellant] dermate speculatief dat de Staat niet tot betaling verplicht was zodat de Staat, door [appellant] niet tegemoet te komen, niet onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. Het is immers niet vast komen te staan dat [appellant] door het op zichzelf rechtmatige handelen van de Staat onevenredige schade is toegebracht.

2.12

Ten overvloede geldt ten aanzien van de door [appellant] aangevoerde argumenten nog het volgende.

2.13

[appellant] stelt dat [X] niet verplicht is om zijn schuldeisers pondspondsgewijs te voldoen, het zou hem vrij staan [appellant] als eerste te betalen. Die stelling berust in zijn algemeenheid op een onjuiste rechtsopvatting (HR 12 juni 1998, NJ 1998, 727). Bijzondere omstandigheden die meebrengen dat het [X] zou zijn toegestaan welbewust één concurrente crediteur voor te trekken boven andere crediteuren, met name de preferente schuldeisers, heeft [appellant] niet aangevoerd. Mede in het licht van de in 2.10 weergegeven feiten, is er ook onvoldoende aangevoerd om aan te kunnen nemen dat [X] [appellant] zou willen voortrekken boven met name de onvoldaan gebleven preferente schuldeisers. Evenmin is het aannemelijk dat de andere schuldeisers, met name de preferente, [X] ongemoeid zouden hebben gelaten indien zou blijken dat hij de beschikking had over geld om uit te keren.

2.14

[appellant] voert aan dat [X] ook een deel van zijn schulden zou kunnen terugbetalen uit een salaris uit dienstbetrekking of uit een uitkering. Dat het daarbij om meer dan een ten opzichte van de schuld verwaarloosbaar bedrag zou gaan acht het hof echter niet aannemelijk, enerzijds gelet op het feit dat [X] een gezin had te onderhouden en anderzijds in aanmerking nemend de omvang van zijn (ook nog deels preferente) schulden. De stelling van [appellant] dat [X] over uitzonderlijke capaciteiten beschikte maakt dit niet anders. Deze capaciteiten hebben in het verleden niet tot oplossing van de (enorme) schulden kunnen leiden. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden is het onwaarschijnlijk dat hij een vergelijkbare positie had kunnen verwerven als die hij indertijd bij PWC bekleedde. [appellant] verliest ook uit het oog dat uitzonderlijke capaciteiten geen garantie zijn voor een hoog inkomen en dat de schulden van [X] ook reeds voor diens toetreding tot het getuigenbeschermingsprogramma lange tijd onbetaald zijn gebleven.

2.15

[appellant] stelt dat aannemelijk is dat [X] nog over een aanzienlijk vermogen beschikt dat hij (via een fiscale constructie via Zuid-Amerika) voor de curator verborgen heeft gehouden. Dit argument wordt slechts onderbouwd met de stelling dat [X] gespecialiseerd was in deze Zuid-Amerikaroute en dat raadpleging van de Panama Papers laat zien dat er drie Bare Holdings zijn die daarin voorkomen. Dat [X] inderdaad beschikt over verborgen gehouden vermogen valt hieruit echter niet af te leiden. Het is bovendien niet zonder meer aannemelijk dat [X] , het beschermingsprogramma weggedacht, een dergelijk verborgen vermogen zou hebben aangewend voor de voldoening van [appellant] , of dat [appellant] zich (anders dan de curator in het faillissement) op dit vermogen had kunnen verhalen.

2.16

[appellant] biedt bewijs aan door het horen van [X] als getuige. [appellant] heeft evenwel niet voldoende concreet vermeld op welke van zijn stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft, zodat het hof ook niet kan beoordelen of die stellingen relevant zijn voor de beslissing van de zaak. Het hof gaat dan ook aan dit bewijsaanbod voorbij omdat het niet voldoet aan de eisen die aan een bewijsaanbod in hoger beroep moeten worden gesteld. Voor zover [appellant] bedoelt dat hij bewijs wil leveren van zijn stelling dat [X] bereid en in staat zou zijn geweest om hem ( [appellant] ) met voorbijgaan aan andere (deels preferente) crediteuren te voldoen, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 2.13 is overwogen. Aangenomen moet worden dat [X] daarmee onrechtmatig jegens die andere (preferente) crediteuren zou hebben gehandeld, zodat dit niet zou zijn toegelaten. Het hof kan bij het vaststellen van de causaliteit dus niet van dat hypothetische scenario uitgaan.

2.17

Grief 3 faalt.

2.18

Grief 4 bouwt deels voort op de voorafgaande grieven. In zoverre moet deze grief het lot van de overige grieven delen.

2.19

[appellant] voert nog aan dat zijn schade zou moeten worden berekend op basis van de jurisprudentie inzake de ‘gemiste kans’. Voor zover dat leerstuk echter al zou kunnen worden toegepast op de onderhavige zaak, waarin het er om gaat of de Staat zich de belangen van [appellant] had moeten aantrekken door hem financieel tegemoet te komen, volgt uit het voorgaande dat de Staat zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat er geen reële, dat wil zeggen niet zeer kleine kans bestond dat [X] , het beschermingsprogramma weggedacht, enig bedrag aan [appellant] zou hebben betaald. Ook toepassing van het leerstuk van de gemiste kans leidt dus niet tot een voor [appellant] gunstig resultaat.

2.20

Het voorgaande betekent dat het hof niet hoeft in te gaan op de vraag of en op welke wijze [X] , na zijn identiteitswijziging, als getuige zou kunnen worden gehoord en of de Staat verplicht is [appellant] daartoe in staat te stellen.

2.21

Grief 4 faalt.

2.22

Grief 5 ziet op de proceskostenveroordeling en volgt het lot van de overige grieven.

3.1

Nu alle grieven falen zal het eindvonnis van de rechtbank worden bekrachtigd. De in hoger beroep vermeerderde eis zal worden afgewezen.

3.2

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het tussenvonnis van 20 mei 2015;

- bekrachtigt het vonnis van 27 januari 2016;

- wijst de in hoger beroep gewijzigde eis af;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van de Staat begroot op € 5.213,-- voor verschotten en € 4.580,-- voor salaris van de advocaat, en bepaalt dat over deze bedragen bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na deze uitspraak vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente verschuldigd zal zijn;

- verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, G. Dulek-Schermers en J.J. van der Helm, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017, in aanwezigheid van de griffier.