Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3933

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
200.199.766
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IPR; Bevoegdheid Nederlandse rechter; Agentuur richtlijn; Geldigheid clausule arbitrage New York

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/206
NJF 2018/101
RCR 2018/37
TvA 2018/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Uitspraakdatum : 28 november 2017

Zaaknummer : 200.199.766

Zaak-/rolnummer rechtbank : 4548525 RL EXPL 15-32103

Arrest

in de zaak van:

VIMAC CONSULTANCY B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: Vimac,

advocaat: mr. G.J. Wilts (Amsterdam),

tegen

1. HONEYWELL INTERNATIONAL INC.,

gevestigd te Delaware en kantoorhoudende te Phoenix, Arizona, USA,

2. HONEYWELL INTERNATIONAL SARL,

gevestigd en kantoorhoudende te Rolle, Zwitserland,

geïntimeerden,

hierna te noemen: Honeywell Inc. en Honeywell Sarl, tezamen: Honeywell,

advocaat: mr. S.H. Bouwers (Amsterdam).

Het geding

Vimac is bij appeldagvaardingen van 24 juni 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 april 2016 dat de Rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, team kanton, heeft gewezen tussen haar als eiseres in de hoofdzaak, tevens verweerster in het incident en Honeywell Inc. en Honeywell Sarl als gedaagden in de hoofdzaak, tevens eiseressen in het incident. Bij memorie van grieven heeft zij drie grieven aangevoerd. Die zijn door Honeywell Inc. en Honeywell Sarl bij memorie van antwoord (met productie) bestreden. Vervolgens is arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

inleiding

1. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van Vimacs vordering tegen Honeywell. Die onbevoegdverklaring - waar Honeywell in een incidentele conclusie om had gevraagd - kent als motivering, kort weergegeven, dat het door Vimac aanhangig gemaakte geschil valt binnen de reikwijdte van een rechtsgeldig overeengekomen arbitraal beding in een tussen Honeywell Inc. en Vimac gesloten ‘Sales Representation Agreement’ (hierna: SRA).

feiten

2.1

De SRA - waarin Vimac is aangewezen als Sales Representative van Honeywell Inc. in Nederland en de voorwaarden voor de samenwerking zijn vastgelegd - had een initiële looptijd van 1 april 2004 tot 31 maart 2006. Na het verstrijken ervan is deze looptijd drie keer schriftelijk verlengd, laatstelijk tot 28 februari 2013. Ook nadien is de samenwerking voortgezet en zijn partijen uitvoering blijven geven aan de SAR.

2.2

Bij e-mailbericht van 16 oktober 2013 ontving Vimac van Honeywell Inc. een concept (Concept I) voor een nieuwe SRA. Naast Honeywell Inc. is daarin ook Honeywell Sarl vermeld als wederpartij van Vimac. In reactie op dit eerste concept schrijft Vimac bij e-mailbericht van 18 november 2013 o.a.: ‘As to the body of the agreement: despite several adaptions, we can agree to it.’ Verderop in dit e-mailbericht plaatst zij kanttekeningen bij de Exhibits A (lijst van Honeywell-producten) en B (compensatie-/vergoedingenschema); wat Exhibit A betreft concludeert zij: ‘maybe after further discussion between ourselves, I expect a further adaption of this Exhibit before it becomes an agreed Exhibit between Honeywell and Vimac’ en over Exhibit B merkt zij o.a. op dat er mogelijk een misverstand bestaat over een redelijke vergoeding zoals door haarzelf eerder is voorgesteld. Daarbij wijst zij erop: ‘As you know, we are working for quite a few US-based aerospace and defense industries. My proposals through you to Honeywell, were equal to or lower than those in other US based companies’ schedules.’, waarna zij in de voorlaatste alinea besluit met: ‘[..] I would rather prefer to stick with our existing agreement, with the present commission schedule.’ Honeywell laat in een reply-bericht van dezelfde datum weten: ‘[..] thank you for your email; lots of questions and comments, will set up a telecon so we can discuss [..]’. Na een bespreking op 17 januari 2014 stuurt Honeywell bij e-mailbericht van 27 februari 2014 een nieuw concept voor een SRA aan Vimac (Concept II). In het e-mailbericht schrijft zij: ‘In the meantime we have internally discussed your SRA feedback and the commission structure. One of your major complaints was that the newly offered SRA represented another reduction of the already [,..] reduced commission. I’m happy to tell you that [..] and I managed to convince the broader Honeywell team and stakeholders to keep the commission we agreed and introduced March 2010. In addition we also added [..], so in total this gives VIMAC more business opportunities to work and earn a commission for. Hope this is good news for you and allows you to sign the SRA (attached).’ Na vervolgens verzoeken van Honeywell bij e-mailberichten van 12 en 27 maart 2014 om ondertekening van dit tweede concept - dat net als het vorige voorzag in een looptijd van twee jaar tot 1 januari 2016 - reageert Vimac bij e-mailbericht van 3 april 2014. Daarin herhaalt zij haar bezwaren tegen het voorgestelde vergoedingensysteem en verzoekt zij wederom om het eerder door haar gedane voorstel in overweging te nemen. In enkele nadien - op 26 mei en 19 juni 2014 -verstuurde e-mailberichten vraagt Honeywell om spoedige ondertekening van het Concept II, waarop Vimac in een e-mailbericht van 27 juni 2014 aan Honeywell schrijft: ‘[..] We have been exchanging several discussions on the finalization of our SRA. Both in verbal discussions [..] as well as in a number of emails to you I have indicated my objections to the Honeywell proposals. I have never received a proper reply/comment/rejection of my arguments. The only point you bring forward is “please sign”.[..]’.

2.3

Tijdens een ontmoeting op 16 juli 2014 is van de zijde van Honeywell meegedeeld dat zij niet langer meewerkte aan een (door Vimac bemiddelde) verkoop van 11 Chinook cockpits aan de Nederlandse staat. Diezelfde dag schreef zij aan Vimac: ‘This letter is to inform you of Honeywell’s decision (i) to withdraw our proposal [..] to renew the Sales Representation Agreement [..], which SRA expired on February 28th 2013; and (ii) to cease the sales representative relationship with Vimac which was established upon the SRA.’ Vimac heeft Honeywell daarop bij brief van

5 september 2014 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de in haar ogen onrechtmatige beëindiging van de agentuurrelatie.

2.4

De SRA kent 15 bepalingen/artikelen. Nummer 9 daarvan - met als kopje ‘Disputes’ - bevat onder 9.A een arbitraal beding, luidende: ‘Any dispute, controversy or claim arising out of this Agreement, or the breach, termination or invalidity thereof, shall be settled by arbitration in accordance with the American Arbitration Association (AAA) International Rules as in force at the commencement of the arbitration.’

New York is aangewezen als plaats van arbitrage (9.C) en over het toepasselijke recht is bepaald (9.F): ‘Any arbitral tribunal constituted pursuant to this Agreement shall apply the laws of the State of New York, USA, except for its conflict of laws provisions, to all disputes. The UN Convention for the International Sale of Goods shall not apply.’

2.5

In de beide hiervoor onder 2.2 genoemde concepten staan vergelijkbare arbitrageclausules (in artikel 8), met dien verstande dat daarin (i) is gekozen voor arbitrage in overeenstemming met de International Chamber of Commerce (ICC) Rules of Arbitration en (ii) als plaats van arbitrage Phoenix (Arizona) - de nieuwe hoofdvestigingsplaats van Honeywell Inc. - is aangewezen.

de vordering van Vimac en de beslissing van de kantonrechter

3.1

Vimac vordert - naast een verklaring voor recht dat haar agentuurrelatie met Honeywell een looptijd had tot 1 november 2016 en door Honeywell per 16 juli 2014 onrechtmatig is beëindigd - een (hoofdelijke) veroordeling van Honeywell tot betaling van (a) een bedrag van € 1.330.500,- ter zake van verschuldigde provisie, (b) een bedrag van € 1.500.000,- als schadevergoeding wegens reputatieschade en (c) een bedrag van

€ 625.000,- ten titel van klantenvergoeding, een en ander nog vermeerderd met rente en kosten.

3.2

Als vermeld heeft de kantonrechter zich - vanwege het bestaan van een als geldig beschouwde arbitrageovereenkomst - onbevoegd verklaard om kennis te nemen van deze vordering van Vimac. Of de SRA is verlengd overeenkomstig één van de concepten I of II heeft de kantonrechter in het midden gelaten, met als overweging dat de SRA en de beide concepten een, nagenoeg gelijkluidend, arbitraal beding bevatten.

de grieven

4.1

Met grief 2 beklaagt Vimac zich over dit ‘in het midden laten’ van de vraag of overeenstemming is bereikt over (één van) de conceptversies. Vimac - die haar vordering primair baseert op het, beweerdelijk, door haar geaccepteerde Concept I - stelt dat de in dit concept opgenomen arbitrageclausule goed laat zien dat deze clausule alleen het belang van Honeywell dient, doordat na de verhuizing van Honeywells hoofdkantoor naar Phoenix de plaats van arbitrage dienovereenkomstig is ‘meeverhuisd’, terwijl de voor Honeywell gunstige rechtskeuze voor het recht van de staat New York onveranderd is gebleven. Los hiervan behoort er naar haar mening geen onduidelijkheid over te bestaan welk arbitrage-instituut bevoegd is.

4.2

Dat laatste is juist. En afgezien daarvan is er de omstandigheid dat Honeywell Sarl alleen in de beide concepten als contractspartij van Vimac figureert; indien ter zake van die concepten geen overeenstemming is bereikt, speelt (de geldigheid van) het daarin opgenomen arbitraal beding daarom verder geen rol bij de door Honeywell Sarl aan de orde gestelde - en trouwens ook ambtshalve te beantwoorden - bevoegdheidsvraag ten aanzien van de tegen haar ingestelde vordering. Voldoende reden derhalve om stil te staan bij de vraag of kan worden uitgegaan van het bestaan van overeenstemming over de concepten. In dat verband is het volgende van belang. De stellingen van Vimac volgend, gaat het in deze zaak om een internationale agentuurovereenkomst. Daarop is hier te lande van toepassing het Haags Vertegenwoordigingsverdrag van 14 maart 1978. Dit verdrag bepaalt in artikel 8 dat het (krachtens de artikelen 5 en 6) toepasselijke recht onder meer de totstandkoming van de overeenkomst en de geldigheid van de vertegenwoordingsverhouding beheerst. In het onderhavige geval leidt dit tot toepassing van het recht van de staat New York als het gekozen recht of anders van Nederlands recht als het recht van het land waar Vimac als agent haar gewone verblijfplaats heeft. Toepassing van de Rome I-Verordening (Verordening (EG) Nr. 593/2008) zou overigens tot eenzelfde resultaat leiden; die ten aanzien van de Concepten I en II temporeel geldende verordening bevat in artikel 25 een samenloopbepaling waarin voorrang wordt verleend aan het Haags Vertegenwoordigingsverdrag.

Beoordeeld naar beide genoemde rechtstelsels - die het beginsel van contractsvrijheid kennen - blijkt niet van overeenstemming tussen partijen over Concept I en/of Concept II. Voor haar andersluidende standpunt beroept Vimac zich op haar hiervoor onder 2.2 aangehaalde e-mailbericht van 18 november 2013, maar voor zover dat e-mailbericht getuigt van aanvaarding/instemming gaat het daarbij om de tekst van de overeenkomst zelf (‘As to the body of the agreement: despite several adaptions, we can agree to it.’) en duidelijk niet om de van die overeenkomst deel uitmakende Exhibits A en B over de productenlijst en het vergoedingensysteem, waarvan niet kan worden gezegd dat het daarbij niet om wezenlijke onderwerpen/onderdelen van het contract gaat. Dat blijkt ook wel uit de daarover gevoerde correspondentie en besprekingen, die niet tot overeenstemming hebben geleid, alsook uit het feit dat Vimac zelfs het tweede concept, waarin deels aan haar wensen werd tegemoetgekomen, herhaalde verzoeken ten spijt, niet wenste te ondertekenen. De conclusie moet dan ook zijn dat Vimac - tegenover de betwisting van de juistheid ervan door Honeywell - haar stelling over het bestaan van overeenstemming over of op basis van Concept I en/of II onvoldoende heeft onderbouwd.

4.3

Bij deze stand van zaken moet verder worden geconcludeerd dat een bevoegdheidsgrond met betrekking tot de tegen Honeywell Sarl gerichte vordering ontbreekt: nu Honeywell Sarl woonplaats heeft in Zwitserland dient zij op grond van artikel 2 van het Verdrag van 30 oktober 2007, PbEU 2007, L 147 (EVEX-Verdrag 2007) te worden opgeroepen voor het bevoegde gerecht aldaar. Voor een bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van één van de bepalingen uit de afdelingen 2 tot en met 7 van het verdrag bieden de stellingen van Vimac onvoldoende basis. Die stellingen gaan uit van overeenstemming over Concept I of Concept II. En nu aanstonds duidelijk is dat die overeenstemming ontbreekt, ontvalt daarmee de grond aan een daarop gebaseerde verbintenis die tot bevoegdheid zou kunnen leiden.

5.1

Grief 1 houdt vrij weergegeven in dat de kantonrechter - ten onrechte - is uitgegaan van het bestaan een rechtsgeldige arbitrageovereenkomst en op die grond tot onbevoegdheid heeft besloten. In haar toelichting op de grief stelt Vimac onder meer het volgende:

(i) de arbitrageovereenkomst is ongeldig, althans niet afdwingbaar naar het op de

overeenkomst toepasselijke recht, in welk verband Vimac spreekt over Amerikaans

recht, naar welk recht de overeenkomst met Honeywell (Inc.) volgens Vimac wordt gezien als een ‘adhesion contract’, waarbij zij als zwakke partij tegenover het machtige Honeywell (Inc.) stond, zonder onderhandelingsruimte ten aanzien van de voor haar uit onder meer kostenoogpunt onredelijk bezwarende arbitrageclausule;

(ii) de rechtskeuze voor het recht van de staat New York zal ertoe leiden dat aan Vimac de dwingendrechtelijke bescherming uit het Europese en Nederlandse recht wordt onthouden (meer speciaal de bepalingen van Nederlands recht gebaseerd op de EU-Richtlijn 86/653, hierna: de Agentuurrichtlijn), wat volgens Vimac in strijd is met de openbare orde, reden waarom de arbitrageclausule buiten toepassing moet blijven;

(iii) het inroepen van de arbitrageclausule door Honeywell (Inc.) is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en/of levert misbruik van recht op.

5.2

Deze grief slaagt voor zover het de (motivering van de) onbevoegdverklaring ten aanzien van de tegen Honeywell Sarl gerichte vordering betreft, maar om andere reden dan door Vimac aangevoerd en ook zonder het door haar beoogde resultaat, omdat de onbevoegdverklaring gehandhaafd blijft op de hiervoor bij de bespreking van grief 2 vermelde grond. Bij de beoordeling van grief 1 gaat het er derhalve alleen om of Honeywell Inc. zich met succes op het arbitraal beding in de SRA kan beroepen. Dat zij dit arbitraal beding - schriftelijk - is overeengekomen met Vimac is niet in geschil. De vraag of het beding niettemin in de weg staat aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter dient te worden beantwoord aan de hand van de artikelen 1074 Rv en II, lid 3, van het Verdrag van New York.1 Dit omdat een arbitrageplaats is aangewezen die buiten Nederland, maar binnen een andere verdragsstaat bij genoemd verdrag ligt. Volgens artikel 1074 Rv heeft een arbitrageovereenkomst geen onbevoegdheid tot gevolg indien de overeenkomst naar het daarop toepasselijke recht ongeldig is. Bij de vervolgvraag, welk recht toepasselijk is, dient onderscheid te worden gemaakt tussen de formele en de materiële geldigheid. Wat de formele geldigheidsaspecten betreft kan worden gedacht aan het bepaalde in artikel II, lid 1 en 2, en, naar analogie, artikel V, lid 1, van het Verdrag van New York. Daarnaast pleegt te worden aangesloten bij het (formele) recht van de plaats van arbitrage, in casu het recht van de staat New York. Op dat recht - de lex fori prorogati - wordt ook uitgekomen op basis van de conflictenrechtelijke regel van artikel 10:154 BW; de aanwijzing van de arbitrageplaats en van het door de arbiters toe te passen recht, te weten dat van de staat New York, maken dat het arbitraal beding het nauwst met die staat verbonden is. Ten aanzien van de materiële geldigheid zijn de artikelen II, lid 3, en V van het Verdrag van New York van belang, alsook artikel 10:166 BW, dat van toepassing is op arbitrageovereenkomsten, ongeacht of deze voorzien in arbitrage in Nederland of daarbuiten. Laatstbedoelde bepaling biedt drie opties. Die maken het in dit geval mogelijk dat het recht van de staat New York ook op de materiële geldigheid wordt toegepast. Anders dan Honeywell Inc. meent, betekent dit niet dat de Nederlandse openbare orde en de hier te lande geldende (communautaire) bepalingen van bijzonder dwingend recht geen rol meer kunnen spelen bij de geldigheids-/bevoegdheidstoets (vgl. de artikelen 10:6 en 10:7 BW). Nederland kan er immers belang bij hebben dat hier te lande gevestigde partijen voldoende toegang hebben tot een adequate vorm van geschillenbeslechting en dat aan hen de hun - mede vanuit ordeningsperspectief wenselijk geachte - dwingendrechtelijk toekomende bescherming niet wordt onthouden. Verder vormt ook artikel 6 lid 1 EVRM - met een eigen, autonoom, begrippenkader - een toetssteen bij de beoordeling van de geldigheid van het arbitraal beding. Dit verdragsartikel, dat voorziet in het recht op toegang tot de gewone rechter, bergt tevens voorwaarden in zich waaraan een afstand van dat recht moet voldoen; volgens de rechtspraak van het EHRM moet sprake zijn van ‘vrijwilligheid’ en ‘ondubbelzinnigheid’. Aan die voorwaarden zal minder snel zijn voldaan indien de strekking of het gevolg van een arbitraal beding is dat aan de wederpartij van de opsteller ervan de bescherming van dwingendrechtelijke bepalingen wordt onthouden. Ook houdt artikel 6 lid 1 EVRM in dat afstand van het recht op toegang tot de gewone rechter niet in strijd mag komen met enig belangrijk openbaar belang, waaronder in dit geval begrepen: een Europees en een Nederlands openbaar belang.

5.3

Getoetst aan voornoemde im- en expliciete geldigheidsvereisten moet de conclusie zijn dat het arbitraal beding daaraan voldoet. Dat geldt in de eerste plaats voor de (formele) eisen die het recht van de staat New York stelt. Die, ook naar federaal recht geldende, eisen houden kort gezegd in dat de arbitrageovereenkomst op schrift is gesteld en dat het onderliggende geschil vatbaar is voor arbitrage, aan welke voorwaarden is voldaan. Weliswaar stelt Vimac dat door het dwingendrechtelijke karakter van de bepalingen uit de Agentuurrichtlijn een geschil betreffende de beëindiging van een agentuurrelatie niet ter vrije bepaling van partijen staat en reeds daarom niet aan buitenlandse arbitrage mag worden onderworpen, maar die - niet onderbouwde - stelling kan niet als juist worden aanvaard; net als bijvoorbeeld arbeidszaken zijn geschillen over agentuurovereenkomsten in beginsel vatbaar voor arbitrage en dit wordt niet anders door de toepasselijkheid van - niet-rechtstreeks werkende - bepalingen van EU-recht op die overeenkomsten. Iets anders is dat een binnen de Europese Unie werkzame agent aanspraak moet kunnen maken op de bescherming volgens de geïmplementeerde bepalingen van bedoelde richtlijn. Zie in dit verband HvJ EG 9 november 2000, Ingmar, C-381/98 (ECLI:EU:C:2000:605), waarin is uitgemaakt dat het voor de communautaire rechtsorde van wezenlijk belang is dat een in een derde staat gevestigde principaal wiens handelsagent zijn activiteiten binnen de Unie uitoefent, die bepalingen niet kan ontwijken door eenvoudigweg een rechtskeuzebeding in de overeenkomst op te nemen; ‘[d]e functie van de [artikelen 17 en 18 van de richtlijn] vereist immers, dat deze ongeacht welk recht de partijen op de overeenkomst van toepassing hebben verklaard, toepassing vinden zodra de situatie een nauwe band met de Gemeenschap vertoont, met name omdat de handelsagent zijn activiteiten op het grondgebied van een lidstaat verricht’, aldus punt 25 van het arrest. Het nadien gewezen arrest HvJ EU 17 oktober 2013, Unamar, C-184/12 (ECLI:EU:C:2013:663) herhaalt in de punten 39 en 40 (i) dat de artikelen 17 en 18 van de Agentuurrichtlijn van doorslaggevend belang zijn omdat zij het beschermingsniveau omschrijven dat de wetgever van de Unie redelijk heeft geacht voor handelsagenten in het kader van de totstandbrenging van de interne markt en (ii) dat de regeling die bij die richtlijn is ingevoerd van dwingende aard is. Daarbij is acht geslagen op het bepaalde (over bijzonder dwingend recht, respectievelijk voorrangsregels) in de artikelen 7, lid 2, van het toen inmiddels in werking getreden Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Rome, 19 juni 1980 (hierna: EVO) en 9 van de toen nog niet in werking getreden Rome I-Verordening. In het begin van dit jaar gewezen arrest HvJ EU 16 februari 2017, Agro Foreign Trade & Agency Ltd / Petersime NV, C-507/15 (ECLI:EU:C:2017:129) wordt uitdrukkelijk aangehaakt bij deze eerdere arresten en de genoemde overwegingen daaruit en wordt als nuancering/verduidelijking eraan toegevoegd dat, wanneer de handelsagent zijn activiteiten buiten de Unie verricht, het feit dat zijn principaal in een lidstaat is gevestigd, voor de toepassing van de Agentuurrichtlijn geen voldoende nauwe band met de Unie schept. Die buiten de Unie werkzame handelsagent valt daarom niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn. Dit laatste geval doet zich hier niet voor, aangezien Vimac haar activiteiten binnen de Unie en meer speciaal in Nederland verrichtte.

Nederland heeft de Agentuurrichtlijn geïmplementeerd in afdeling 4 van Boek 7, titel 7, BW (artikel 7:428 e.v. BW). Artikel 16 van het Haags Vertegenwoordigingsverdrag maakt het mogelijk om voorrang te verlenen aan de geïmplementeerde bepalingen van dwingend EU-recht, in casu de artikelen 17 en 18 van de Agentuurrichtlijn, die, zoals uit het Ingmar-arrest volgt (punt 20 en 23), strekken tot bescherming van de handelsagent (als zwakkere partij bij een overeenkomst), maar daarnaast ook een statelijk belang dienen, waaronder de uniformering van de mededelingsvoorwaarden. Die voorang zou, blijkens het Unamar-arrest, ook mogelijk zijn op grond van artikel 7, lid 2, EVO. Wat de in december 2009 inwerkinggetreden Rome I-Verordening betreft geldt dat deze - ook - temporeel niet van toepassing is op de voordien totstandgekomen en vervolgens verlengde SRA. Daarom wordt hier niet ingegaan op de in de literatuur wel verdedigde opvatting dat vanwege het bepaalde in artikel 3, lid 4, Rome I-Verordening het Ingmar-arrest onder die verordening niet langer gelding heeft. Volstaan wordt met de constatering dat de zojuist genoemde uitspraken van 17 oktober 2013 en 16 februari 2017 en meer speciaal hetgeen daarin is herhaald over het doel en de reikwijdte van de desbetreffende dwingende richtlijnbepalingen geen steun bieden aan die opvatting. Van belang is verder dat de principaal - Honeywell Inc. - onderschrijft dat de gemaakte rechtskeuze de toepasselijkheid van de dwingendrechtelijke bescherming volgens de Agentuurrichtlijn onverlet laat. Zie voor de eerste aanleg bijvoorbeeld haar incidentele conclusie houdende exceptie van bevoegdheid onder 4.11: ‘Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de belangen van Vimac voor een bekend en gevestigd internationaal arbitrageinstituut zoals het AAA niet gewaarborgd zouden worden.’ en onder 4.12: ‘Arbitrage volgens de regels van de AAA biedt Vimac ook de rechten van artikel 17 en 18 van de Arbitragerichtlijn, net als bij de Nederlandse rechter. Het Europees gemeenschapsrecht wordt niet feitelijk illusoir als het arbitrageinstituut kennisneemt van het geschil [..].’ En voor het hoger beroep haar memorie van antwoord onder 73: ‘Bovendien lijkt Vimac te vergeten dat de bescherming van artikel 17 en 18 van de Agentuurrechtlijn dwingendrechtelijk van aard is.’ en onder 139: ‘Hiervoor is reeds toegelicht dat als het dwingende Nederlandse en/of Europese [recht] meer bescherming biedt voor de agent, de arbiters dit toepassen.’ Uit deze uitlatingen volgt dat de partijen bij de SRA het erover eens zijn dat, in aanvulling op het gekozen recht van de staat New York, tevens de dwingendrechtelijke bepalingen uit de Agentuurrichtlijn over de beëindigingsvergoeding tussen hen van toepassing zijn. De vraag naar de juridische status van deze geïmplementeerde dwingendrechtelijke richtlijnbepalingen behoeft ook om die reden niet verder te worden uitgediept.

5.4

Na aldus te hebben stilgestaan bij het dwingendrechtelijke karakter van de richtlijnbepalingen wordt thans ingegaan op de stelling van Vimac dat de arbitrageovereenkomst naar Amerikaans recht niet afdwingbaar is. Dit laatste vanwege (i) een gebrek aan onderhandelingsruimte voor haar als kleine partij tegenover het grote/machtige/dominante Honeywell Inc., die slechts haar eigen belang diende met het opstellen van het arbitraal beding en het toepasselijk verklaren van het recht van de staat New York (adhesion contract), in combinatie met (ii) onredelijke (unconscionable) contractuele bedingen. Dat er inderdaad dergelijke gebreken aan de onderhavige arbitrageovereenkomst kleven, heeft Vimac onvoldoende onderbouwd. Anders dan zij meent volgt het door haar gestelde gebrek aan onderhandelingsruimte niet reeds uit de omstandigheid dat partijen - die allebei een commerciële onderneming exploiteren - in financieel en economisch opzicht ongelijkwaardig zijn en evenmin uit het feit dat er niet over de door Honeywell Inc. opgestelde en voorgestelde arbitrageclausule/rechtskeuze is gecorrespondeerd/onderhandeld, in het onderhavige geval te minder nu Vimac met betrekking tot andere onderwerpen - zoals haar beloning - haar wensen wèl kenbaar heeft gemaakt en daar ook over heeft onderhandeld, waarbij Honeywell Inc. zich bereid toonde om haar in elk geval ten dele tegemoet te komen; vgl. het citaat onder 2.2: ‘I’m happy to tell you [..]’. Kennelijk heeft Vimac het voorgestelde arbitrale beding zonder op- of aanmerkingen geaccepteerd en heeft zij er ook in het kader van de (onderhandelingen over de) verlengingen geen punt van gemaakt. Dat dit op voorhand zinloos was en dat zij er om die reden vanaf heeft gezien, volgt niet reeds uit de omstandigheid dat de onderhandelingen over de door Vimac gewenste beloningsstructuur niet tot het door haar gewenste resultaat hebben geleid en is ook anderszins niet aannemelijk geworden. Bovendien doet zich hier niet een combinatie met ‘onredelijke bedingen’ voor. Weliswaar heeft Vimac aangevoerd - overigens zonder onderbouwing - dat het door de arbiter(s) toe te passen recht van de staat New York haar niet eenzelfde bescherming biedt als de artikelen 17-19 van de Europese Agentuurrichtlijn, maar daarmee is niet gezegd dat, wat Honeywell Inc. bestrijdt, de bepaling over het toe te passen recht van de staat New York eraan in de weg staat dat - in het kader van een arbitraal geding - de te benoemen arbiter - bij diens beoordeling van de als handelsagentuurovereenkomst aan te merken relatie tussen Honeywell Inc. en haar Nederlandse agent Vimac - voorrang verleent aan de dwingendrechtelijke bepalingen uit bedoelde richtlijn en een op basis van die richtlijn berekende aanspraak, voor zover meeromvattend dan die volgens het recht van de staat New York, honoreert. Anders gezegd, verhindert de rechtskeuze niet de toepassing van (buitenlandse) dwingendrechtelijke voorrangsregels door de arbiter(s). En nu stelt Vimac wel dat arbiters in New York bij een rechtskeuze voor het recht van de staat New York alleen dat recht toepassen, maar dat dit ook het geval is indien een in Nederland/Europa werkzame agent aandacht vraagt voor diens - ongeacht de rechtskeuze - dwingendrechtelijke bescherming volgens de Europese Agentuurrichtlijn, waarvan - als gezegd; zie hiervoor onder 5.3 - ook de principaal vindt dat die in acht moet worden genomen, ligt onvoldoende in deze toch al nauwelijks onderbouwde stelling besloten en is ook anderszins niet gebleken of aannemelijk geworden. Vimac heeft bijvoorbeeld niet een verklaring van The American Arbitration Association overgelegd waarin de juistheid/gegrondheid van haar bewering/vrees wordt bevestigd. Wel biedt zij aan om ‘een Amerikaanse advocaat verder te laten verklaren over [..] het gegeven dat rechters en arbiters in New York bij een rechtskeuze voor het recht van New York alleen dat recht toepassen’, maar aan dit aanbod (tot het doen horen van een partijdeskundige ex art. 200 Rv) wordt voorbijgegaan, reeds omdat het - door een gebrek aan precisering van bijvoorbeeld de naam en kwaliteiten van de desbetreffende persoon - te vaag is. Bovendien blijkt er niet uit dat rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat sprake is van dwingend recht, dat volgens beide partijen door de arbiter(s) in acht dient te worden genomen. Ter zijde wordt nog toegevoegd dat Vimac, naar mag worden aangenomen, een verklaring als door haar bedoeld ook wel schriftelijk in het geding had kunnen brengen.

5.5

De omstandigheid dat de - ook door Honeywell Inc. onderschreven - inachtneming van de dwingendrechtelijke beschermingsbepalingen uit de Agentuurrichtlijn niet met zoveel woorden is voorgeschreven in het arbitraal beding, maakt dit beding niet ongeldig; die omstandigheid impliceert niet dat deze beschermingsbepalingen niet in acht zullen worden genomen, terwijl dit ook overigens niet aannemelijk is geworden. En waar Vimac als verder bezwaar aanvoert dat in een eventuele (bevestigings-/)herzieningsprocedure (volgens de US Federal Arbitration Act) alleen het recht van de staat New York zal worden toegepast, gaat zij er wederom ten onrechte vanuit dat de toepasselijkverklaring van dat recht in de weg staat aan de dwingendrechtelijke bescherming volgens de Agentuurrichtlijn, waarvan beide partijen vinden dat die door de arbiter(s) dient te worden gerespecteerd. Reeds vanwege de onjuistheid van dit uitgangspunt wordt ook aan dit bezwaar voorbijgegaan. Toegevoegd wordt nog, ten overvloede, dat aan een met schending van de richtlijnbepalingen totstandgekomen uitspraak hier te lande erkenning kan worden onthouden.

5.6

Naar aanleiding van het kostenargument van Vimac wordt overwogen dat Vimac - die in hoofdsom € 3.455.500 vordert; omgerekend USD 3.668.000 - haar stelling dat de met een arbitrageprocedure in New York samenhangende kosten onoverkomelijk zijn voor haar en dat zij die kosten, wegens een gebrek aan financiële middelen, niet kan dragen, onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft slechts verwezen naar haar jaaromzet zoals blijkend uit de door haar gedeponeerde jaarrekening over 2014. Uit die jaarrekening blijkt echter dat zij deel uitmaakt van een groep van vennootschappen met aan het hoofd Oosthove Participation B.V. Van die groepsholding heeft zij geen financiële gegevens verstrekt; meer in het bijzonder volgt uit haar stellingen niet dat, voor zover zij ten tijde van het hoger beroep niet zelf (reeds) over voldoende financiële middelen beschikte, die ook niet binnen de groep beschikbaar zijn of anderszins kunnen worden verkregen. Dat de kosten hoog zullen zijn, maakt het beroep op het arbitraal beding niet reeds om die reden onredelijk bezwarend. De door Vimac verder genoemde factoren, zoals de Engelse processtaal, de moeite en kosten van het reizen voor het bijwonen van zittingen, maken dit niet anders; niet aannemelijk is dat het voeren van arbitraal geding als overeengekomen hierdoor voor haar feitelijk onmogelijk is of niet in redelijkheid van haar kan worden verlangd.

5.7

Hierboven is in het midden gelaten of de – zich hier niet voordoende – beletselen voor de afdwingbaarheid deel uitmaken van het recht van de staat New York. Een reden hiervoor is dat die beletselen ook de eisen van vrijwilligheid en ondubbelzinnigheid raken die ingevolge artikel 6 lid 1 EVRM gelden voor een rechtsgeldige afstand van het recht op toegang tot de gewone rechter. Indien immers Vimac als het gevolg van het arbitraal beding, in combinatie met het door de arbiter(s) toe te passen recht, de bescherming verliest die de dwingendrechtelijke bepalingen van de Agentuurrichtlijn haar bieden, rijst de vraag in hoeverre sprake is geweest van een vrijwillige en ondubbelzinnige instemming met die wijze van geschillenbeslechting. Die vraag kan hier echter verder onbeantwoord blijven omdat het ervoor moet worden gehouden dat geen zodanig gevolg aan het arbitraal beding is verbonden. Voor het overige geven de over en weer aangevoerde stellingen geen aanleiding tot het plaatsen van vraagtekens bij het voldaan zijn aan de voorwaarden op basis van beide voornoemde verdragen. Uit het voorgaande volgt voorts dat zich geen strijdigheid met de openbare orde als bedoeld in artikel 10:6 BW voordoet, noch met dwingendrechtelijk toe te passen voorrangsregels als bedoeld in artikel 10:7 BW. Wat Vimac verder aanvoert tegen het beroep op het arbitraal beding - onder andere dat dit beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en misbruik van recht oplevert - is telkens gebaseerd op (veronder)stellingen die hiervoor als ongefundeerd zijn verworpen.

5.8

De conclusie na het voorgaande moet dan ook zijn dat het (beroep op het) arbitraal beding in de SRA in de weg staat aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Een kanttekening wordt nog wel geplaatst bij de geldigheidsduur van het arbitraal beding. Dit omdat Honeywell in haar onder 2.3 aangehaalde beeindigingsbrief van 16 juli 2014 schrijft ‘which SRA expired on February 28th 2013.’, terwijl de vordering geheel of ten dele de periode van daarna zal betreffen. Aan bedoelde mededeling in de brief van 16 juli 2014 kan echter voorbij worden gegaan, nu Honeywell Inc in de procedure een en andermaal het standpunt heeft ingenomen dat partijen na 28 februari 2013 feitelijk uitvoering zijn blijven geven aan de SRA. Van een einde van de agentuurrelatie volgens de SRA per 28 februari 2013 is dan ook geen sprake. Door de stilzwijgende verlenging - die naar het toepasselijke recht en de SRA zelf geldig is - is ook het arbitraal beding geldig gebleven. Het tegendeel ligt ook niet in de stellingen van partijen besloten. De conclusie is dat ook deze grief faalt.

6.1

Grief 3 luidt: ‘De rechtbank heeft zich ten onrechte niet laten voorlichten over Amerikaans recht voor zij de incidentele vordering van Honeywell c.s. toewees, terwijl Vimac een bewijsaanbod deed en een verzoek om een deskundigenbericht dan wel een rogatoire commissie heeft gedaan.’

6.2

Deze grief wordt eveneens verworpen. Het gaat in dit geschil niet zozeer om de vaststelling van vreemd recht, als wel om de vraag of het door de arbiters toe te passen recht van de staat van New York eraan in de weg staat dat de arbiters daarbij voorrang verlenen aan de dwingendrechtelijke bepalingen van de Agentuurrichtlijn, waarvan beide partijen vinden dat die in acht dienen te worden genomen. Voor het antwoord op die vraag – dat slechts ontkennend kan luiden – is geen nader onderzoek nodig naar de (verdere) inhoud en werking van het recht van de staat New York.

7. De slotsom na het voorgaande is dat de onbevoegdverklaring gehandhaafd blijft. Vimac is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de kosten van het hoger beroep dragen.

De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt, onder aanvulling van gronden, het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt Vimac in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Honeywell bepaald op € 718,= aan verschotten en € 894,= aan salaris voor de advocaat en op € 131,= aan nasalaris voor de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de hierbij op vier weken gestelde betalingstermijn;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M.M. Olthof en B.R. ter Haar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.

1 Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, New York, 10 juni 1958, Trb. 1958, 145. http://wetten.overheid.nl/BWBV0005176/1964-07-23