Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:389

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
200.208.098/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Teruggeleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 22 februari 2017

Zaaknummer : 200.208.098/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-8300

Zaaknummer rechtbank : C/09/521016

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.H.A. van Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , Kenia,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. T.M. Coppes te Aerdenhout.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 26 januari 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 januari 2017 van de rechtbank Den Haag.

De vader heeft op 9 februari 2017 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

Van de zijde van de moeder:

- op 10 februari 2017 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

van de zijde van de vader:

- op 9 februari 2017 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 13 februari 2017 twee V-formulieren van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 14 februari 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat en [naam tolk] , tolk in de Engelse taal.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is – voor zover in hoger beroep van belang – de terugkeer gelast van de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2013 te [geboorteplaats] , Kenia (hierna: de minderjarige), naar Kenia uiterlijk op 4 februari 2017, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Kenia, en bevolen is, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen, dat de moeder de minderjarige met de benodigde reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 4 februari 2017, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Kenia.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- partijen zijn gehuwd [in] 2011 te [plaats] , Uganda;

- zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [in] 2013 te [geboorteplaats] , Kenia;

- de vader heeft de Ugandese nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en de minderjarige heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit;

- de vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit;

- de ouders hebben in Kenia een tehuis voor straatkinderen opgezet, genaamd [naam tehuis] . Het inkomen van partijen is afhankelijk van sponsoren uit onder meer de Verenigde Staten en Nederland (onder andere de Stichting [naam stichting] ) die het project steunen. Daarnaast geeft de vader muziekoptredens in binnen- en buitenland;

- partijen zijn als gezin op 1 oktober 2015 naar Nederland gegaan en op 28 december 2015 weer teruggekeerd naar Kenia. Sinds eind januari 2016 verblijft de moeder met de minderjarige in Nederland.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Kenia.

2. De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerde alsnog niet- ontvankelijk te verklaren, althans deze haar te ontzeggen en af te wijzen.

3. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

4. De moeder voert het volgende aan. Zij stelt dat de éénjaarstermijn van artikel 12 lid 1 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van 25 oktober 1980 (hierna: HKOV) was verstreken op de datum van de indiening van het verzoek door vader, te weten 1 november 2016, omdat de minderjarige op 1 oktober 2015 in Nederland was aangekomen. Naar haar mening dient op grond van artikel 12 lid 2 HKOV geen onmiddellijke terugkeer te worden gelast omdat de minderjarige is geworteld in Nederland en dient eventueel artikel 18 HKOV te worden toegepast. Indien als datum eind januari 2016 wordt aangehouden voor het ongeoorloofd overbrengen, acht de moeder het van belang dat de minderjarige méér dan 12 maanden in Nederland woont op de datum waarop de behandeling van het verzoek plaatsvindt. Voorts doet de moeder een beroep op verschillende weigeringsgronden van artikel 13 HKOV. Zij stelt dat de vader heeft ingestemd met de overbrenging naar Nederland omdat de ouders gedurende hun verblijf in Nederland een overeenkomst hebben gesloten inhoudende voorwaardelijk verblijf in Kenia vanaf 28 december 2015 c.q. dat hij achteraf in de overbrenging heeft berust. Daarnaast bestaat er naar de mening van de moeder een ernstig risico dat de minderjarige na terugkeer wordt blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar. Ten eerste ontbreekt het haars inziens zowel de vader als de moeder in Kenia aan financiële middelen. Ten tweede heeft de Nederlandse regering een negatief reisadvies gegeven ten aanzien van Kenia. Het is voor de vrouw, als alleenstaande vrouw en de minderjarige te gevaarlijk om in Kenia te verblijven. Ter zitting geeft de moeder aan dat, indien de terugkeer wordt gelast, zij met de minderjarige zal terugkeren naar Kenia en daar bij vrienden zal verblijven. Zij benadrukt dat zij haar uitkering, die zij momenteel in Nederland geniet, zal verliezen en dat het verkrijgen van een werkvergunning in Kenia problematisch zal zijn.

5. De vader verweert zich daartegen als volgt. Hij stelt dat de moeder de minderjarige eind januari 2016 zonder zijn toestemming heeft meegenomen naar Nederland. De vader betwist dat hij vooraf heeft ingestemd met c.q. achteraf heeft berust in de overbrenging van de minderjarige naar Nederland. Tevens betwist hij dat er sprake zou zijn van weigeringsgronden. Hij benadrukt dat hij over voldoende financiële bronnen beschikt, waaronder sponsorgelden. Ter zitting geeft hij aan het belangrijk te vinden dat de minderjarige met beide ouders op een ontspannen wijze contact kan hebben. Hij geeft aan de moeder en de minderjarige financieel te zullen ondersteunen en de moeder te zullen helpen met het verkrijgen van een werkvergunning in Kenia. Tevens kunnen de moeder en de minderjarige de woning in Mombasa, Kenia betrekken en zal hij in dat geval elders verblijven. De vader stelt reeds een school op het oog te hebben voor de minderjarige in Kenia, alwaar zij tezamen met een voor haar bekend leeftijdsgenootje onderwijs zal kunnen genieten. Tevens heeft hij de nanny in Kenia gedurende zijn verblijf in Nederland doorbetaald, zodat zij na terugkeer van de minderjarige naar Kenia in voorkomend geval op haar kan passen. Tot slot betwist de vader dat de omstandigheden in Kenia de aanleiding zouden zijn geweest om een verhuizing naar het buitenland te overwegen. Hij geeft aan dat gedurende de jaren waarin partijen samen hebben gewoond in Kenia nooit ter sprake is gekomen dat de moeder het voor haarzelf en de minderjarige te gevaarlijk zou vinden in Kenia. Partijen hebben er jarenlang zelf voor gekozen in dit gebied te wonen en te werken.

6. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste gronden geoordeeld dat sprake is van ongeoorloofde overbrenging door de moeder van de minderjarige naar Nederland in januari 2016 en dat in de onderhavige zaak geen sprake is van het bestaan van een ernstig risico dat de minderjarige door haar terugkeer naar Kenia zal worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel en andere beslissing zouden moeten leiden. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat de moeder (ook) in hoger beroep haar stelling, dat de vader middels een voorwaardelijke overeenkomst vooraf ingestemd zou hebben met haar vertrek met de minderjarige naar Nederland in januari 2016, onvoldoende heeft onderbouwd. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vader had het op haar weg gelegen om aan te tonen wanneer de overeenkomst was gesloten en welke voorwaarden partijen daarbij waren overeengekomen. Daarnaast heeft zij ook niet aangetoond dat de vader achteraf ondubbelzinnig in de overbrenging van de minderjarige naar Nederland heeft berust. Weliswaar is door partijen gesproken over een mogelijk blijven van de moeder met de minderjarige in Nederland, maar de voorwaarden waaronder en een nadere regeling daarover zijn in het geheel niet uitgewerkt zodat niet gezegd kan worden dat de vader achteraf heeft berust in dan wel alsnog heeft ingestemd met het in Nederland blijven wonen door de moeder met de minderjarige.

7. Het hof benadrukt dat de weigeringsgronden van het HKOV strikt dienen te worden toegepast. In hoger beroep zijn door beide partijen nieuwe stukken met betrekking tot de financiële middelen overgelegd. De vader heeft gemotiveerd betwist dat het hem en de minderjarige aan financiële middelen in Kenia zou ontbreken. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder niet aangetoond dat vooralsnog sprake is van een gebrek aan financiële middelen. Voorts heeft de vader aangeboden om de moeder te helpen bij het verkrijgen van een werkvergunning in Kenia en kunnen de moeder en de minderjarige de woning in [plaats] , Kenia, betrekken terwijl de vader elders verblijft. Tot slot overweegt het hof ten aanzien van de situatie in Kenia dat moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat de minderjarige in verband met deze omstandigheden niet terug kan keren naar Kenia, waar zij is geboren en – met een onderbreking van een verblijf in Nederland van oktober 2015 tot december 2015 – heeft gewoond totdat zij door de moeder ongeoorloofd naar Nederland werd overgebracht.

8. Het vorenstaande betekent dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen, met dien verstande dat het hof een nieuwe uiterste datum voor de teruggeleiding zal bepalen, zoals hierna te melden.

Proceskosten

9. Zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

10. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met dien verstande dat het hof de terugkeer gelast van de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2013 te [geboorteplaats] , Kenia, naar Kenia uiterlijk op 8 maart 2017, waarbij

de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Kenia en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar Kenia, dat de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven op uiterlijk 8 maart 2017, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Kenia;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en J.M. van Baardewijk, bijgestaan door mr. H.B. Brandwijk als griffier en uitgesproken ter terechtzitting van 22 februari 2017.