Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:388

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
200.199.620/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uitleg cao

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1197
AR-Updates.nl 2017-0256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.199.620/01

Zaak-/rekestnummer rechtbank : 5078155 VZ VERZ 16-10465

beschikking van 7 maart 2017

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

hierna te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. R.H.G. Evers te Leusden,

tegen

Vopak Global Information Services B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

hierna te noemen: Vopak,

advocaat: mr. A. van Toledo te Rotterdam.

Het geding

Bij beroepsschrift (met producties), ter griffie ingekomen op 23 september 2016, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 12 juli 2016. Vopak heeft een verweerschrift (met producties) ingediend dat op 9 november 2016 is ontvangen ter griffie van het hof. Op 24 januari 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen de zaak hebben doen bepleiten. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegestuurd en dat zich bij de stukken bevindt. Het proces-verbaal vermeldt dat partijen na ontvangst ervan 7 dagen de gelegenheid hebben om per brief te wijzen op eventuele onjuistheden en/of omissies in het proces-verbaal. Daarbij aanhakend heeft de advocaat van Vopak bij faxbericht van 1 februari 2017 twee kleine verschrijvingen in het proces-verbaal benoemd.

Beoordeling van het hoger beroep


Het gaat in deze zaak om het volgende.

1. [verzoekster], geboren op [datum] 1960, is op 1 augustus 1980 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) Vopak. Op de arbeidsovereenkomst is de Vopak cao (hierna: de cao) van toepassing, een bedrijfs-cao. In de cao van 2015 is in artikel 2.9.5 bepaald:

Transitievergoeding

Met inachtneming van de hieronder genoemde uitzonderingen zal Vopak u, vanaf 1 juli 2015, bij ontbinding van het dienstverband door Vopak, een transitievergoeding toekennen van € 6.000 bruto per dienstjaar, inclusief scholing, exclusief mobiliteit (€ 7.500 p.p.) en exclusief beheerskosten. (…) Het toekennen van deze transitievergoeding en de overige benoemde kosten gelden niet voor: (…)

 Medewerkers waarvan het dienstverband wordt beëindigd vanwege arbeidsongeschiktheid (WIA/WGA-uitkering). (…)”

2. In september 2015 heeft Vopak bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van [verzoekster]. De arbeidsovereenkomst is vervolgens (met toestemming van het UWV) door Vopak opgezegd tegen 1 april 2016. Vopak heeft [verzoekster] de wettelijke transitievergoeding betaald.

3. [verzoekster] ontvangt thans een IVA-uitkering.

4. [verzoekster] heeft, onder verwijzing naar art. 7:673b BW, de kantonrechter verzocht (samengevat en voor zover thans nog van belang) Vopak te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de transitievergoeding conform de cao. Daarbij heeft zij aangevoerd dat zij weliswaar arbeidsongeschikt is, maar niet valt onder de in de cao opgenomen uitzondering als onder 1 beschreven, nu zij niet de genoemde WIA/WGA-uitkering ontvangt maar een IVA-uitkering, welke uitkering juist niet in de uitzonderingsbepaling is benoemd. Vopak heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen. De kantonrechter was van oordeel dat [verzoekster] niet conform het bepaalde in artikel 2.9.5 van de cao aanspraak kan maken op de transitievergoeding, nu zij arbeidsongeschikt is en wel geacht wordt te vallen in de categorie, waarvoor de cao (met betrekking tot het toekennen van een transitievergoeding) een uitzondering maakt.

6. [verzoekster] heeft in hoger beroep verzocht om de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en haar alsnog de transitievergoeding conform de cao toe te kennen, vermeerderd met wettelijke rente, met veroordeling van Vopak in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Vopak heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7. In hoger beroep is daarmee aan de orde of [verzoekster] aanspraak kan maken op de transitievergoeding conform de cao. [verzoekster] betoogt ook in hoger beroep dat zij niet behoort tot het hierboven geciteerde (in artikel 2.9.5 van de cao genoemde) uitzonderingsgeval, nu zij een IVA-uitkering ontvangt en (dus) niet de in de uitzondering expliciet benoemde WIA/WGA-uitkering. [verzoekster] stelt derhalve de uitleg aan de orde van artikel 2.9.5 van de cao, meer in het bijzonder de hiervoor geciteerde uitzonderingsbepaling daarin. Bij de uitleg van een cao zijn de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die cao, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Bij de uitleg kan onder meer acht worden geslagen op elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Het komt niet aan op de bedoeling van de cao-partijen, voor zover die bedoeling niet uit de cao-bepalingen kenbaar is (vaste rechtspraak, zie laatstelijk HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687).

8. De hiervoor geciteerde uitzondering in artikel 2.9.5 van de cao laat naar het oordeel van het hof (in zoverre) geen andere uitleg toe dan dat van de transitievergoeding zijn uitgezonderd werknemers van wie het dienstverband wordt beëindigd vanwege arbeidsongeschiktheid. Dat het daarbij gaat om arbeidsongeschikten met een WIA-uitkering ligt voor de hand. Zoals Vopak terecht naar voren heeft gebracht, kan het dienstverband van arbeidsongeschikte werknemers die niet in aanmerking komen voor een WIA-uitkering in beginsel niet (vanwege die arbeidsongeschiktheid) worden beëindigd, tenzij de werknemer instemt met de beëindiging.

9. Tussen partijen is in geschil in hoeverre aan de toevoeging “(WIA/WGA-uitkering)” in meergenoemde uitzonderingsbepaling, zelfstandige betekenis toekomt. Het hof is van oordeel dat van een zelfstandige betekenis als bedoeld, geen sprake is. Het gaat hier slechts om een onvolkomenheid in de tekst van de cao. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen brengt de taalkundige uitleg van de bepaling mee dat van de transitievergoeding zijn uitgezonderd alle werknemers van wie het dienstverband wordt beëindigd wegens arbeidsongeschiktheid. Als bedoeld zou zijn hiervoor een uitzondering aan te nemen voor arbeidsongeschikten met een IVA-uitkering, dan zou dat, gelet op het belang daarvan, met zoveel woorden in de cao zijn opgenomen; het ligt niet voor de hand dat een uitzondering voor arbeidsongeschikte werknemers met een IVA-uitkering impliciet moet worden afgeleid uit de tussen haakjes opgenomen woorden “WIA/WGA-uitkering”.

10. Het hof heeft bij dit oordeel ook betrokken dat de door [verzoekster] voorgestane uitleg (namelijk dat, nu de WGA wel is vermeld en de IVA niet, alleen arbeidsongeschikte werknemers met een WGA-uitkering zijn uitgezonderd) zou leiden tot een ongelijke behandeling van de twee verschillende categorieën arbeidsongeschikte werknemers en daarmee tot niet aannemelijke rechtsgevolgen. Een WGA-uitkering is bedoeld voor werknemers die langer dan twee jaar ziek zijn en in de toekomst weer kunnen gaan werken; een IVA-uitkering is bedoeld voor werknemers die niet of nauwelijks kunnen werken en voor wie er slechts een kleine kans is dat zij in de toekomst weer aan de slag kunnen. In de lezing van [verzoekster] zou een niet te rechtvaardigen onderscheid worden gemaakt tussen arbeidsongeschikte werknemers aan wie een WGA-uitkering is toegekend, die in deze uitleg geen aanspraak zouden hebben op de transitievergoeding, en arbeidsongeschikte werknemers met een IVA-uitkering, die in deze uitleg wel aanspraak zouden kunnen maken op de transitievergoeding. [verzoekster] rechtvaardigt dit onderscheid met de (overigens door Vopak betwiste) gedachtegang dat een werkgever meer kosten moet maken ten behoeve van de re-integratie van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer (waarbij [verzoekster] het oog heeft op een WGA-gerechtigde) dan voor een werknemer die geheel en blijvend arbeidsongeschikt is ([verzoekster] bedoelt hier de IVA-gerechtigde). Dat zou betekenen dat door Vopak intern te maken kosten in rekening gebracht worden aan de arbeidsongeschikte werknemer, en wel door een IVA-gerechtigde wel, en een WGA-gerechtigde geen transitievergoeding op grond van de cao toe te kennen. Uit niets blijkt dat de cao-partijen deze bedoeling hebben gehad met de toevoeging “(WIA/WGA uitkering)” in artikel 2.9.5. Daar komt bij dat, zoals Vopak terecht naar voren heeft gebracht, het uitgangspunt van de cao juist is dat beide groepen werknemers materieel hetzelfde worden behandeld. Zij ontvangen beiden in het derde tot en met zesde jaar van arbeidsongeschiktheid (krachtens artikel 5.4 van de cao) een aanvulling op de WIA-uitkering tot hetzelfde inkomensniveau. Dit is een bij de uitleg in aanmerking te nemen aanwijzing dat WGA- en IVA-gerechtigde werknemers op grond van de cao gelijk worden behandeld en bevestigt dat de in artikel 2.9.5 genoemde uitzondering betrekking heeft op beide groepen WIA-gerechtigden.

11. Dat elders in de cao (in artikel 5.4.1) de term “WIA/WGA/IVA-uitkering” wordt gebruikt, althans (in artikel 5.4.3) zowel de WGA- als de IVA-uitkering afzonderlijk worden genoemd, is, naar het oordeel van het hof, onvoldoende aanwijzing dat bij de uitzondering in artikel 2.9.5 alleen de arbeidsongeschikte werknemers met een WGA-uitkering worden bedoeld.

12. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd. [verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het hoger beroep worden veroordeeld. De door Vopak gevorderde proceskosten zullen worden toegewezen als in het dictum vermeld.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 12 juli 2016;

- veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Vopak tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 5.264,- aan salaris voor de advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F. Damsteegt-Molier, S.R. Mellema en C.A. Joustra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.