Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:382

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
200.180.127/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderhandse akte: dwingende bewijskracht geldt alleen voor hetgeen op dezelfde bladzijde boven de handtekening staat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1494
NJF 2017/189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.180.127/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/481463/HA ZA 15-98

Arrest d.d. 21 februari 2017

Inzake

[appellant],

wonende te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A.C. van Schaick te Tilburg,

tegen

EGELINCK B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Egelinck,

advocaat: mr. A. Heijder te Amsterdam.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 5 november 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2015 (hierna kortweg: het vonnis). Bij memorie van grieven (MvG), met de producties 1 t/m 4, heeft [appellant] drie grieven tegen dat vonnis aangevoerd die door Egelinck zijn bestreden bij memorie van antwoord (MvA), met de producties 1 t/m 6.

Partijen hebben hun standpunten door hun advocaten doen bepleiten ter zitting van dit hof van 13 oktober 2016. De advocaten hebben zich hierbij bediend van pleitnota’s (hierna: PA = Pleitnota in Appel). Na afloop van de pleidooien is arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

De feiten

1. De volgende feiten worden als vaststaand aangenomen.

a. Egelinck heeft aan [appellant] verkocht het appartementsrecht, plaatselijk bekend [adres 1] (hierna; het pand). Het betreft een winkelpand op de hoek van de [straat 1] en [straat 2].

b. Bij notariële akte van 17 september 2012 heeft Egelinck het appartementsrecht aan [appellant] geleverd. Blijkens deze akte bedroeg de koopprijs € 416.000,-, waarvan een bedrag van € 200.000,- door [appellant] uit eigen middelen aan Egelinck werd betaald en het resterende bedrag van € 216.000,- uit een door Egelinck aan [appellant] verstrekte hypothecaire lening.

c. In februari 2014 werd de door Egelinck aan [appellant] verstrekte lening van

€ 216.000,- volledig afgelost, waarbij een bedrag van € 14.400,- teveel aan Egelinck werd voldaan. Egelinck heeft vervolgens het ten behoeve van haar op het pand gevestigde recht van hypotheek doorgehaald.

d. Na verkregen verlof heeft Egelinck op 17 december 2014 conservatoir beslag gelegd op zowel het pand als de woning van [appellant] aan de [adres 2].

2. Egelinck stelt dat is afgesproken dat [appellant] voor het appartementsrecht op het pand naast de koopsom van € 416.000,-, zoals deze blijkt uit de notariële akte, een bedrag van € 150.000,- zou betalen, welk bedrag (naast de in de notariële akte opgenomen hypothecaire lening van € 216.000,-) door Egelinck aan [appellant] werd geleend. Op deze grond heeft Egelinck in conventie gevorderd (€ 150.000,- minus het in rov. 1.c genoemde bedrag van € 14.400,- =) € 135.600,-, met rente en buitengerechtelijke incassokosten.

3. In reconventie heeft [appellant] gevorderd, verkort weergegeven:

i) veroordeling van Egelinck tot betaling van het bedrag van € 14.400,- met rente en kosten;

ii) opheffing van het conservatoir beslag;

iii) een verklaring voor recht dat Egelinck onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door het leggen van het conservatoir beslag en dientengevolge aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade;

iv) veroordeling van Egelinck tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en tot betaling van een voorschot op die schade van € 25.000,-.

4. De rechtbank heeft overwogen dat partijen strijden over de vraag of Egelinck aan [appellant] (naast de hypothecaire geldlening van € 216.000,-) een bedrag van

€ 150.000,- heeft geleend ten behoeve van de aankoop van het pand en dat Egelinck ter onderbouwing van haar stelling dat dit het geval is, een stuk heeft overgelegd d.d. 11 september 2012 waarop bij ‘onderwerp’ staat vermeld: Persoonlijke lening. De rechtbank heeft dit stuk aangeduid als: de leningsovereenkomst

5. In dat stuk, dat twee pagina’s beslaat, is het volgende opgenomen ([vader] is de vader van [appellant]):

- op de eerste pagina

[appellant] heeft van Egelinck b.v. verkregen totaal € 150.000,-- (…) voor de inrichting (roerend goed) van de winkel [adres 3] (…). Egelinck heeft de lening verstrekt onder de volgende voorwaarden:

l. De geldlening moet worden afgelost in 50 termijnen van € 3.000,-- (…) De termijnen zijn verschuldigd op de 1e van elke maand, beginnend op 1 oktober 2012.

2. (…)

3. Over de geldlening of het restant daarvan is een rente verschuldigd van acht procent per jaar indien de termijnbetalingen op genoemde data niet zijn voldaan.

4. (…)

5. De geldlening is direct opeisbaar en dient met de lopende en achterstallige rente te worden terugbetaald:

(…)

b. Bij niet nakoming door [appellant] van enige verplichting uit deze overeenkomst van geldlening indien niet binnen 8 dagen na ingebrekestelling de betrokken verplichting alsnog is nagekomen.

(…).

6. (…)

7 [appellant] kan zich niet beroepen op verrekening.

- op de tweede pagina

8. [appellant] verleent aan Egelinck b.v. het recht van verkoop van de winkel [adres 3] indien door schuldenaar enige verplichting voortvloeiende uit bovenstaande niet wordt nagekomen tegen de vaste prijs van € 416.000,-- kosten voor rekening [appellant].

Getekend:

Michel S.[appellant] (…)

handtekening

[vader] (…) (getuige)

handtekening

[betrokkene] voor Egelinck b.v.

handtekening

Getekend op 11 september, de overeenkomst bestaat uit twee bladzijden’.

6. [appellant] heeft gesteld dat dit stuk door Egelinck is vervalst. De daarop geplaatste handtekeningen zijn wel echt, maar ze zijn gezet op een leeg handtekeningenblad behorend bij een andere overeenkomst (een concept koopovereenkomst). Egelinck heeft hieraan later de eerste bladzijde en de tekst op de tweede bladzijde toegevoegd. Alles aldus [appellant].

7. Onder 4.4 van het vonnis is het volgende te lezen:

De rechtbank stelt voorop dat indien de echtheid van een tekst van een onderhandse akte wordt betwist, de vraag hoe de bewijslast moet worden verdeeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 150 Rv. Dit brengt mee dat als hoofdregel op degene die stelt dat de akte vals of vervalst is, de bewijslast daarvan rust en daarmee het risico dat zulks niet wordt bewezen. Dat betekent dat het in het onderhavige geval aan [appellant] is om te stellen en te bewijzen dat de leningsovereenkomst door Egelinck is vervalst.

Vervolgens heef de rechtbank – in rov. 4.8 van het vonnis – geoordeeld dat [appellant] zijn stelling dat Egelinck de leningsovereenkomst heeft vervalst, onvoldoende heeft onderbouwd, en dat voor bewijslevering op dat punt dus onvoldoende grond bestaat. Onder de overweging dat er derhalve van uit moet worden gegaan dat Egelinck aan [appellant] € 150.000,- heeft geleend, heeft de rechtbank de vorderingen van Egelinck in conventie toegewezen, met uitzondering van de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, en die van [appellant] in reconventie afgewezen.

8. Hiertegen richten zich de grieven van [appellant], die in hoger beroep tevens terugbetaling heeft gevorderd van hetgeen hij uit hoofde van het vonnis aan Egelinck heeft betaald. Egelinck heeft in hoger beroep alsnog toewijzing van haar vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten gevorderd. Zoals bij pleidooi ter sprake is gebracht, vormt dit een incidenteel appel van de kant van Egelinck.

9. [appellant]’s grief 1 heeft onder meer betrekking op het in rov. 5 weergegeven stuk dat door de rechtbank is aangeduid als de ‘leningsovereenkomst’, maar door hof verder het ’11 september-stuk’ zal worden genoemd.

10. Eerst zal worden ingegaan op het onderdeel van grief 1 dat inhoudt dat de passage van het ’11 september-stuk’ waarop Egelinck zich beroept – dat is de passage op de eerste bladzijde waarin is vermeld dat [appellant] van Egelinck een lening heeft verkregen van € 150.000,- – door [appellant] niet is ondertekend, en dus geen akte is (punten 13 en 22 MvG).

11. Naar luid van artikel 156 lid 1 Rv zijn akten ‘ondertekende geschriften’. Zoals uit het woord ‘ondertekende’ blijkt en bijvoorbeeld ook tot uitdrukking is gebracht in de Memorie van Toelichting op het Regeringsontwerp (1969) voor het nieuwe, op 1 april 1988 in werking getreden bewijsrecht (Parlementaire Geschiedenis nieuw bewijsrecht, blz. 138) is de akte hetgeen boven de handtekening staat. Niet kan worden gezegd dat de eerste bladzijde van het ’11 september-stuk’, waarop geen enkele handtekening is geplaatst, ‘boven’ de handtekeningen op de tweede bladzijde staat. Hierbij is van belang dat het te makkelijk tot misbruik zou kunnen leiden wanneer teksten op bladzijden die door een partij worden gepresenteerd als voorafgaand aan de bladzijde met de handtekening, zouden worden beschouwd als te zijn geplaatst ‘boven’ die handtekening. Derhalve kan de eerste bladzijde van het ’11 september-stuk’ niet als een ‘akte’ in de zin van artikel 156 lid 1 Rv worden aangemerkt. Dit zou wellicht anders kunnen zijn in het geval dat vaststaat dan wel is vastgesteld dat de eerste bladzijde bij de tweede bladzijde behoort, doch dat geval doet zich hier (nog) niet voor. [appellant] heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat hij die eerste bladzijde (en overigens ook de teksten op de tweede bladzijde) niet kent, zie onder meer punt 13 MvG. Verder is er op te wijzen dat de zinsnede op de tweede bladzijde, dat ‘de overeenkomst (…) uit twee bladzijden (bestaat)’ onder de handtekeningen staat en dus evenmin tot de akte behoort.

12. Het onder 11 overwogene brengt met zich dat het in rov. 10 vermelde griefonderdeel terecht is voorgesteld. Aangezien Egelinck zich derhalve op dit moment ten aanzien van de door hem gestelde lening van € 150.000,- niet op de dwingende bewijskracht van een akte als bedoeld in artikel 157 lid 2 Rv kan beroepen, is het – nu zij zich beroept op het rechtsgevolg van die gestelde lening, namelijk dat die moet worden terugbetaald – op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv aan haar om die lening te bewijzen. Zij zal worden toegelaten tot dat bewijs, dat zij in punt 33 MvA heeft aangeboden.

13. Opgemerkt wordt nog dat [appellant] in punt 15 MvG heeft gesteld dat hij nooit enig bedrag uit hoofde van de beweerde geldlening van € 150.000,- heeft voldaan. Wel heeft hij het bedrag van € 14.400,- betaald (zie rov. 1.c).

14. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het gerechtshof:

- laat Egelinck toe tot het bewijs van haar stelling dat zij € 150.000,- aan [appellant] heeft geleend;

- bepaalt dat, indien Egelinck getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. M.Y. Bonneur, op 7 april 2017 om 14.00 uur;

- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden – onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden april tot en met juni van 2017 – opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.Y. Bonneur, T.G. Lautenbach en P.H. Blok; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.