Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3796

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
03-01-2018
Zaaknummer
BK-17/00614
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:4649, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is geschil of de Rechtbank de zaak had moeten terugwijzen naar heffingsambtenaar teneinde belanghebbende alsnog te horen. Belanghebbende verzoekt voorts het verweerschrift niet tot de gedingstukken te rekenen en om een integrale vergoeding van de proceskosten in hoger beroep ten bedrage van € 2.039,64.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/33
V-N 2018/12.14.9
Viditax (FutD), 03-01-2018
FutD 2018-0136
NTFR 2018/499 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00614

Uitspraak van 19 december 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de heffingsambtenaar,

inzake het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 20 juni 2017, nummer ROT 16/4895, betreffende de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 7 januari 2016 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente [Y] opgelegd van € 61,67.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, de heffingsambtenaar opgedragen aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 46 te vergoeden en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 495.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidenteel ingestelde hoger beroep naar voren gebracht.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 november 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

In de motivering van het bezwaarschrift van 12 februari 2016 heeft de gemachtigde van belanghebbende (de gemachtigde) verzocht te worden gehoord.

3.2.

De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan zonder belanghebbende of zijn gemachtigde te hebben gehoord. De uitspraak op bezwaar van 21 juli 2016 vermeldt daaromtrent het volgende:

"Op 23 mei was u uitgenodigd voor een hoorzitting. Echter bent u/of gemachtigde zonder opgaaf van redenen niet verschenen op deze hoorzitting."

3.3.

Bij brief van 7 december 2016 heeft de heffingsambtenaar - voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg - de gemachtigde verzocht het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep in te trekken. In deze brief stelt de heffingsambtenaar dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Voorts schrijft hij, voor zover hier van belang:

"Op onze uitnodiging om gehoord te worden heeft u geen gehoor gegeven. Uw standpunt in beroep is dat u de uitnodiging voor een hoorzitting op 23 mei 2016 niet zou hebben ontvangen. En dat daarom uw hoorplicht is geschonden. (…) Omdat in dit geval u niet nogmaals in de gelegenheid bent gesteld om gehoord te worden, wordt enkel om die reden een proceskostenvergoeding toegekend (…) [Hof: voor het indienen van het bezwaarschrift, alsmede] voor het indienen van het beroepschrift want gemachtigde heeft beroep moeten instellen ten gevolge van een door de gemeente gemaakte formele fout."

3.4.

Bij brief van 10 december 2016 heeft de gemachtigde laten weten het beroep niet in te trekken.

3.5.

Bij Aanwijzingsbesluit heffings- en invorderingsambtenaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [Y] van 9 mei 2017 (het aanwijzingsbesluit) is met ingang van 1 juni 2017 de directeur Belastingen aangewezen als ambtenaar, belast met de heffing en invordering van gemeentelijke parkeerbelastingen, als bedoeld in artikel 231, lid 2, aanhef en letters b en c, van de Gemeentewet.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"1. [Belanghebbende] betoogt dat hij ten onrechte in bezwaar niet is gehoord.

1.1

In artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het de belanghebbende in de gelegenheid dient te stellen te worden gehoord. In het bezwaarschrift heeft [belanghebbende] aangegeven te willen worden gehoord. In beroep heeft [de heffingsambtenaar], zo kan worden afgeleid uit de brief van 7 december 2016, zich op het standpunt gesteld dat [belanghebbende], nadat hij niet was verschenen op de hoorzitting van 23 mei 2016, ten onrechte niet nogmaals is uitgenodigd voor een hoorzitting. Gelet hierop is sprake van strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.

1.2

Zou [belanghebbende] zijn gehoord, dan zou aan de orde kunnen zijn gekomen dat hij met bewijsstukken kon aantonen dat sprake is geweest van een zeer korte tijd stilstaan die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Daarom acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [belanghebbende] door schending van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet is benadeeld. Voor toepassing van artikel 6:22 van de Awb bestaat dan ook geen aanleiding.

2. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal vervolgens bezien of zij gebruik kan maken van haar bevoegdheid, gegeven in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat [belanghebbende] in beroep voldoende gelegenheid heeft gehad alsnog zijn standpunt naar voren te brengen.

3. Ten aanzien van de beroepsgrond dat [de heffingsambtenaar] de naheffingsaanslag ten onrechte aan [belanghebbende] heeft opgelegd, overweegt de rechtbank het volgende.

3.1

Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

3.2

Niet in geschil is dat [belanghebbende] geen parkeerbelasting heeft voldaan. [Belanghebbende] betoogt dat de tijd dat hij daar met zijn auto stond is gebruik voor het het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van zaken.

3.3

Deze enkele stelling is naar het oordeel de rechtbank te algemeen van aard om aan te nemen dat er geen sprake was van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet. Zo heeft [belanghebbende] geen standpunt ingenomen of er nu sprake was van in- en uit laten stappen van personen of het laden en lossen van zaken. Daarnaast ontbreekt ook een nadere motivering en toelichting waaruit dit zou blijken.

4. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat [de heffingsambtenaar] de naheffingsaanslag terecht aan [belanghebbende] heeft opgelegd en in bezwaar heeft gehandhaafd. De rechtbank ziet daarom aanleiding voor instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat [de heffingsambtenaar] aan [belanghebbende] het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt [de heffingsambtenaar] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 495,- per punt en wegingsfactor 1)."

Geschil, standpunten en conclusies

5.1.1.

In hoger beroep is geschil of de Rechtbank de zaak had moeten terugwijzen naar heffingsambtenaar teneinde belanghebbende alsnog te horen. Belanghebbende verzoekt voorts het verweerschrift niet tot de gedingstukken te rekenen en om een integrale vergoeding van de proceskosten in hoger beroep ten bedrage van € 2.039,64.

5.1.2.

In incidenteel hoger beroep is in de eerste plaats in geschil of het incidenteel hoger beroep ontvankelijk is. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord is in geschil of de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de hoorplicht is geschonden (primair geschilpunt), en zo ja, of de Rechtbank bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding had moeten uitgaan van de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluitproceskosten bestuursrecht (subsidiair geschilpunt).

5.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

5.3.

Belanghebbende concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het incidenteel hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot terugwijzing van de zaak naar de heffingsambtenaar en tot vergoeding van de werkelijke proceskosten in hoger beroep.

5.4.

De heffingsambtenaar concludeert (primair) tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar, dan wel (subsidiair) tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de vergoeding van proceskosten betreft en tot het in aanmerking nemen van een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) bij de berekening van de proceskostenvergoeding.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep

6.1.

Het incidenteel hoger beroepschrift is opgenomen in hetzelfde geschrift als het verweerschrift van 19 juli 2017. Dit geschrift is ingediend namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [Y] (het College), maar ondertekend door de directeur Belastingen. In een nader stuk van 21 september 2017 heeft de heffingsambtenaar als volgt bericht:

"Bij het indienen van het verweerschrift door de heffingsambtenaar, de directeur Belastingen, is abusievelijk de formulering opgenomen: "het college van Burgemeester en wethouders, namens deze:" Middels dit schrijven meld ik u dat het verweer door de heffingsambtenaar is ingediend, met excuses voor deze verschrijving."

De heffingsambtenaar heeft dit geschrift echter (wederom) namens het College ondertekend en ingediend. Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar verklaard dat dit (opnieuw) berust op een vergissing.

6.2.

De onder 3.5 vermelde feiten brengen mee dat in casu als heffingsambtenaar als bedoeld in artikel 231, lid 2, letter b, van de Gemeentewet heeft te gelden de directeur Belastingen van de gemeente [Y] (de Directeur).

6.3.

Vaststaat dat het onderhavige incidenteel hoger beroep niet is ingediend namens de Directeur, maar door de Directeur namens het College. Anders dan belanghebbende voorstaat, kan dat in dit geval niet leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het incidenteel hoger beroep. Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat de Directeur bevoegd was incidenteel hoger beroep in te stellen en dat hij het beroepschrift zelf heeft ondertekend en ingediend, alsmede dat hij ter zitting geloofwaardig heeft verklaard dat de vermelding "namens het college" berust op een vergissing. Gelet op het een en ander houdt het Hof het ervoor dat de Directeur het incidenteel hoger beroep in zijn hoedanigheid van heffingsambtenaar en niet namens het College heeft ingesteld. Het incidenteel hoger beroep behoefde derhalve ook niet achteraf te worden bekrachtigd. Op dezelfde gronden ziet het Hof geen aanleiding om het verweerschrift buiten beschouwing te laten.

6.4.

In de zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep heeft belanghebbende voorts betoogd dat het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat sprake is van misbruik van (proces)recht. In hetgeen belanghebbende daaromtrent heeft aangevoerd, is echter geen steun te vinden voor dat oordeel.

6.5.

Gelet op het hiervoor overwogene is het incidenteel hoger beroep ontvankelijk.

Schending hoorplicht

6.6.

Belanghebbende heeft verzocht om te worden gehoord op het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft een niet-aangetekende uitnodiging verstuurd voor een hoorzitting op 23 mei 2016. Belanghebbende heeft in de beroepsfase gesteld dat deze uitnodiging hem niet heeft bereikt. Tijdens de hoorzitting is belanghebbende niet verschenen. Daaruit had de heffingsambtenaar niet mogen afleiden dat belanghebbende toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien. Op zijn minst had de heffingsambtenaar daarover moeten twijfelen - hetgeen hij ook deed gelet op de onder 3.3 vermelde brief van 7 december 2016 - in welk geval hij gehouden was belanghebbende opnieuw uit te nodigen voor een hoorgesprek (vgl. HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751).

Terugwijzing

6.7.

Belanghebbende is door de gang van zaken benadeeld, aangezien tussen partijen verschil van mening bestaat omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan (te weten: of sprake was van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel van het onmiddellijk laden of lossen van zaken). Derhalve kan de uitspraak op het bezwaarschrift niet met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand worden gelaten. De Rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en zelf in de zaak voorzien met toepassing van artikel 8:72, lid 3, letter a, van de Awb (instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit). Toen de Rechtbank tot de conclusie kwam dat belanghebbende door de gang van zaken bij het horen is benadeeld, kon zij echter alleen zelf in de zaak voorzien indien (i) zij tot het oordeel zou zijn gekomen dat belanghebbende ook zonder dat hij opnieuw in de bezwaarfase wordt gehoord, in het gelijk moet worden gesteld dan wel (ii) belanghebbende de Rechtbank zou hebben verzocht zelf in de zaak te voorzien. Nu geen van beide situaties zich hier voordeed, heeft de Rechtbank ten onrechte de zaak behandeld in plaats van deze terug te wijzen naar de heffingsambtenaar (vgl. HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114).

Wegingsfactor

6.8.

In het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, is geoordeeld dat de beoordelende instantie zelfstandig - op grond van een eigen waardering - dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Gelet op de aard, het belang en de ingewikkeldheid van deze zaak, alsmede op de omvang van de in het kader van de rechtsbijstand te verrichten werkzaamheden, ziet het Hof - anders dan de heffingsambtenaar - geen aanleiding voor het oordeel dat het gewicht van de zaak in beroepsfase als 'zeer licht' (wegingsfactor 0,25) is aan te merken.

Slotsom

6.9.

Gelet op het hiervoor onder 6.7 overwogene is het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond. Gelet op het hiervoor onder 6.6 en 6.8 overwogene is het door de heffingsambtenaar ingestelde incidenteel hoger beroep ongegrond. De heffingsambtenaar dient opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Proceskosten en griffierecht

7.1.

Het Hof acht termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding van proceskosten toegekend voor de fase van beroep. Het Hof laat die beslissing in stand. In zoverre belanghebbende aanspraak maakt op vergoeding van de werkelijke in hoger beroep gemaakte proceskosten, wijst het Hof die aanspraak af. Daarvoor bestaat geen enkele grond. De heffingsambtenaar treft niet het verwijt dat hij willens en wetens een onjuist standpunt zou hebben ingenomen. Anders dan belanghebbende stelt, behelst de brief van de heffingsambtenaar van 7 december 2016 een compromisaanbod. Toen dat aanbod door belanghebbende niet werd aanvaard, kon de heffingsambtenaar in rechte een ander standpunt innemen dan volgt uit die brief. Op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, stelt het Hof de in hoger beroep voor vergoeding in aanmerking komende kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een bedrag van € 1.485 (3 punten voor proceshandelingen x wegingsfactor 1 x € 495).

7.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van proceskosten en het griffierecht;

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt de heffingsambtenaar op opnieuw uitspraak op het bezwaar van belanghebbende te doen na belanghebbende op de juiste wijze in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.485; en

- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende een bedrag van € 124 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door G.J. van Leijenhorst, H.A.J. Kroon en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 19 december 2017 in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In plaats van de voorzitter heeft H.A.J. Kroon de uitspraak ondertekend.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.