Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3731

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
200.218.684/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1988, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot faillietverklaring. Pluraliteitsvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6705
INS-Updates.nl 2018-0008
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.218.684/01

Rekestnummer rechtbank : C/09/531730 /FT RK 17/850

beschikking van 19 december 2017

inzake

Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid),

appellant,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. H.J.S.M. Langbroek te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Razgrad, Bulgarije,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

Het geding

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2017 is het verzoek van de Staat om [geïntimeerde] in staat van faillissement te verklaren, afgewezen. Bij verzoekschrift met vier bijlagen, ingekomen ter griffie van het hof op 4 juli 2017, is de Staat van deze beschikking in hoger beroep gekomen en heeft hij het hof verzocht deze beschikking te vernietigen en alsnog het faillissement van [geïntimeerde] uit te spreken. Bij brief van 13 september 2017 heeft mr. Langbroek de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg aan het hof toegezonden.

De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 12 december 2017. Verschenen zijn:

Mr. AH.M. Weeber, teamleider Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid, bijgestaan door mr. M.H.K. Jansen, advocaat te Den Haag.

[geïntimeerde] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van het hof verschenen.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking – kort samengevat – het volgende overwogen.

De Staat stelt over een steunvordering te beschikken in de vorm van een schuld van [geïntimeerde] aan de Belastingdienst. De Belastingdienst is (eveneens) onderdeel van de Staat der Nederlanden en heeft geen zelfstandige rechtspersoonlijkheid. Een en ander wordt bevestigd door wat is vermeld in de uittreksels uit de registers van de Kamer van Koophandel aangaande de vestiging “Inspectie SZW - Centraal kantoor Utrecht” en de vestiging “Belastingdienst/kantoor Den Haag”. In beide uittreksels wordt onder rechtsvorm vermeld: “Publiekrechtelijke Rechtspersoon: De Staat (Ministerie)”. De rechtbank gaat ervan uit dat de Staat en de Belastingdienst geen te onderscheiden rechtspersonen zijn en daarmee geen afzonderlijke dragers van (privaatrechtelijke) rechten en verplichtingen. Zij zijn als één en dezelfde (publiekrechtelijke) rechtspersoon aan te merken, namelijk de Staat. Dit maakt dat ten aanzien van de gestelde vorderingen de Staat als schuldeiser moet worden aangemerkt. Er is dus niet voldaan aan het pluraliteitsvereiste, zodat het verzoek tot faillietverklaring van [geïntimeerde] zal worden afgewezen.

2. De grieven van De Staat kunnen als volgt worden samengevat.

[geïntimeerde] heeft een schuld uit hoofde van een aan haar opgelegde bestuurlijke boete aan de Staat (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), en daarnaast (in ieder geval) een belastingschuld aan de Belastingdienst (de Ontvanger). De Ontvanger is - mede gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 2 Invorderingswet 1990 - een van de Staat te onderscheiden crediteur.

De Ontvanger is belast met de invordering van rijksbelastingen (artikel 3 lid 1 Invorderingswet 1990) en niet de Staat. De Hoge Raad heeft eerder overwogen (onder meer in HR 12 augustus 2016, ECLI:HR:2016:1928) dat de Ontvanger bij het uitoefenen van zijn taak niet alleen over de bijzondere aan de Invorderingswet ontleende bevoegdheden beschikt, maar ook gebruik kan maken van de wettelijke bevoegdheden die een schuldeiser aan het burgerlijk recht kan ontlenen. Zo is de Ontvanger bijvoorbeeld zelfstandig bevoegd het faillissement van een (rechts)persoon aan te vragen.

Nu zowel de Staat als de Ontvanger ieder een zelfstandig, wettelijk vorderingsrecht hebben zal, als het faillissement wordt uitgesproken, de curator het vermogen van [geïntimeerde] onder (in ieder geval) het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid enerzijds en de Ontvanger anderzijds moeten verdelen.

Nu [geïntimeerde] zowel een schuld heeft aan de Staat als aan de Ontvanger, verkeert zij in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Het oordeel van de rechtbank is derhalve onjuist, aldus de Staat.

3. Voor een faillietverklaring geldt de eis dat de schuldenaar meer dan één schuldeiser heeft, het pluraliteitsvereiste. Het faillissement heeft immers de verdeling door de curator van het vermogen van de schuldenaar onder gezamenlijke schuldeisers ten doel. Met dat doel strookt niet de faillietverklaring van een schuldenaar die slechts één schuldeiser heeft (onder meer Hoge Raad 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:488). In dit geval is sprake van twee vorderingsrechten van één en dezelfde crediteur, de Staat. Weliswaar verleent artikel 3 lid 2 Invorderingswet 1990 de Ontvanger de bevoegdheid zelfstandig in rechte op te treden bij de inning van de rijksbelastingen en dient de Ontvanger voor de toepassing van procesrechtelijke regels zoals het betekenen van een verstekvonnis te worden onderscheiden van de Staat (HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1928), maar dat betekent nog niet dat de Ontvanger voor de toepassing van het pluraliteitsvereiste dient te worden beschouwd als een van de Staat te onderscheiden crediteur. Dit laatste betreft niet de processuele maar de materieelrechtelijke positie van de Ontvanger. Naar het oordeel van het hof is een schuld aan de Ontvanger in wezen een schuld aan de Staat (Ministerie van Financiën). De Ontvanger heeft immers geen rechtspersoonlijkheid maar is een functionaris (natuurlijke persoon) van de Staat die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen (art. 2 lid 1, aanhef en onder i Invorderingswet 1990). Het is niet noodzakelijk dat een faillissementscurator het vermogen van de schuldenaar verdeelt tussen verschillende onderdelen van de Staat onderling, hier: het Ministerie van Financiën (ten behoeve waarvan de Ontvanger bevoegd is tot inning van de belastingschuld van [geïntimeerde]) enerzijds en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid anderzijds. Er is dan ook naar het oordeel van het hof in dit geval niet voldaan aan het vereiste van pluraliteit van schuldeisers.

4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Wattendorff, D. Aarts en W.M.G. Visser en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2017 in aanwezigheid van de griffier.