Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3729

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
200.210.944/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Omzetting van de ondercuratelestelling van de betrokkene in bewind en mentorschap en de persoon van de bewindvoerder en mentor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak: 22 november 2017

Zaaknummer : 200.210.944/01

Zaaknummer rechtbank : 5245319 EJ VERZ 16-91152

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de curator,

advocaat mr. M.J.G. Schroeder te Voorburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder van de betrokkene,

advocaat: mr. M.J. de Jongh,

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de betrokkene] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de betrokkene,

2. [de belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [de belanghebbende] .

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De curator is op 6 maart 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 december 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

De moeder van de betrokkene heeft op 11 mei 2017 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de curator:

- op 10 maart 2017 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 28 maart 2017 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 11 oktober 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de curator, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de betrokkene;

  • -

    de moeder van de betrokkene;

  • -

    [de belanghebbende] .

[naam 1] (medewerker Bewindvoering Holland), [naam 2] (zorgmanager Middin ) en [naam 3] (van Stichting MEE Zuid-Holland Noord), zijn bijzondere toegang tot de zitting verleend.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de kantonrechter – voor zover thans van belang – de betrokkene wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand onder bewind gesteld over de goederen die aan haar (zullen) toebehoren met ingang van de datum waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat het bewind wordt ingeschreven in het openbare Centraal Curatele en Bewind Register. Verder heeft de kantonrechter een mentorschap ingesteld over de niet-vermogensrechtelijke belangen van de betrokkene. [de bewindvoerder] is tot bewindvoerder en mentor benoemd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    bij beschikking van 30 mei 1988 van de rechtbank Den Haag is de betrokkene onder curatele gesteld;

  • -

    bij beschikking van 18 december 2006 is [appellante] benoemd als curator.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omzetting van de ondercuratelestelling van de betrokkene in bewind en mentorschap en de persoon van de bewindvoerder en mentor.

2. De curator verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    het hoger beroep gegrond te verklaren en de bestreden beschikking – met uitzondering van de niet-ontvankelijkverklaring van [naam 3] – te vernietigen;

  • -

    de moeder van de betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair haar verzoek af te wijzen;

  • -

    [naam 3] en de moeder van de betrokkene te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

3. De moeder van de betrokkene verweert zich daartegen en verzoekt het hof de verzoeken van de curator af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en te bepalen dat de wijzigingen per direct ingaan.

Moeder van de betrokkene niet-ontvankelijk?

4. De curator stelt dat de moeder van de betrokkene in eerste aanleg ten onrechte ontvankelijk in haar verzoek in eerste aanleg is verklaard, omdat zij met ingang van 31 december 2015 onder bewind is gesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand. Volgens de curator had alleen de bewindvoerder van de moeder van de betrokkene als formele procespartij het verzoekschrift in eerste aanleg kunnen indienen.

5. De moeder van de betrokkene heeft bevestigd dat zij onder een beschermingsbewind staat, maar is van mening dat dat alleen ziet op haar vermogen en niet op haar bevoegdheid tot het indienen van een verzoek met betrekking tot de curatele over haar dochter. Bovendien is haar bewindvoerder op de hoogte van de onderhavige procedure. Zij is daarmee akkoord, aldus de moeder van de betrokkene.

6. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat zij die bekwaam zijn tot het verrichten van rechtshandelingen ook bekwaam zijn als procespartij op te treden. Dat de goederen van de moeder van de betrokkene onder bewind zijn gesteld, betekent niet dat zij handelingsonbekwaam is en niet in rechte kan optreden. Ook een mogelijke proceskostenveroordeling maakt dat niet anders. De stelling van de moeder van de betrokkene, dat haar bewindvoerder instemt met deze procedure, is bovendien niet door de curator weersproken. Het hof is dan ook van oordeel dat de kantonrechter de moeder van de betrokkene terecht ontvankelijk in haar verzoek heeft geacht.

Omzetting curatele in bewindvoering en mentorschap?

7. De curator stelt zich op het standpunt dat de curatele van de betrokkene alleen kan worden opgeheven indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van de curatele niet zinvol is gebleken. De moeder van de betrokkene heeft volgens haar echter verzuimd aan te geven waarom kan worden volstaan met een minder verstrekkende voorziening dan curatele. De curator is van mening dat het de moeder van de betrokkene slechts te doen is om haar ontslag te bewerkstelligen en niet om een passender bescherming voor de betrokkene te bewerkstelligen. De moeder van de betrokkene heeft deze procedure dan ook misbruikt voor een ander doel dan waarvan die voorziening is bedoeld. Tot slot acht de curator de pluraliteit van verantwoordelijke instanties geen meerwaarde van bewind dan wel mentorschap ten opzichte van de curatele.

8. De moeder van de betrokkene betwist niet dat het ontslag van de huidige curator als het primaire doel van het verzoek in eerste aanleg aangemerkt kan worden. Zij ziet echter niet in waarom dit middel zou zijn uitgeput. De moeder van de betrokkene wijst erop dat de mondelinge behandeling in eerste aanleg rommelig verliep en zij na afwijzing van het eerste verzoek eerst nog de situatie heeft willen aanzien. Doordat er geen verbetering plaatsvond, heeft de moeder van de betrokkene een tweede verzoek ingediend, hetgeen – dankzij een betere voorbereiding – wel tot het ontslag van de curator leidde. Daarbij is de gelegenheid aangegrepen om tevens een verzoek in te dienen om de curatele om te zetten in een beschermingsbewind en mentorschap. De moeder van de betrokkene is van mening dat er op dit moment – rekening houdend met de huidige opvattingen over beschermingsmaatregelen – geen curatele ten aanzien van de betrokkene meer zou worden uitgesproken, nu kan worden volstaan met een minder verstrekkende maatregel.

9. [naam 2] heeft ter zitting verklaard dat de betrokkene veel vrijheid tekort komt. Hoewel wordt uitgegaan van de goede bedoelingen van de curator, krijgt de betrokkene allerlei beperkingen door de curator opgelegd. Zo worden bezoeken aan haar moeder onmogelijk gemaakt, krijgt zij geen zakgeld en mag zij geen televisie op haar kamer. Deze handelwijze is in strijd met de visie van Middin , te weten het zo min mogelijk beperken van vrijheid.

10. [naam 3] heeft ter zitting meegedeeld dat zij door de curator gevraagd is om in het belang van de betrokkene mee te kijken naar de communicatie met Middin . Zij heeft de betrokkene een aantal keer bezocht, waarna zij als mediator in gesprek is gegaan met de curator en de begeleiders van de betrokkene. [naam 3] heeft geprobeerd om de curator meer inzicht te geven in de belangen en mogelijkheden van de betrokkene. Dat is uiteindelijk niet gelukt. Gemaakte afspraken werden door de curator teruggedraaid. De curator vindt het lastig om het niveau van de betrokkene in te schatten, aldus [naam 3] .

11. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is de autonomie en het zelfbeschikkingsrecht van een betrokkene. Omdat in de praktijk niet iedereen die verantwoordelijkheid blijkt aan te kunnen, bevat de wet de maatregelen van curatele, beschermingsbewind en mentorschap op grond waarvan een wettelijk vertegenwoordiger de belangen van de persoon in kwestie kan behartigen. Aangezien die maatregelen een beperking van de mogelijkheden tot zelfbeschikking van het individu vormt, is het belangrijk dat niet dieper op het zelfbeschikkingsrecht van een persoon wordt ingegrepen dan nodig is.

12. Aan het hof ligt de vraag voor of de minder verstrekkende beschermingsmaatregelen van bewind en mentorschap meer passend zijn dan de ondercuratelestelling van de betrokkene. Dat de betrokkene als gevolg van haar geestelijke toestand niet in staat is tot een behoorlijke waarneming van haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen, staat niet ter discussie.

13. Op grond van het bepaalde in artikel 1:431 lid 1 BW kan, als een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zelf zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind worden ingesteld over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Het bewind heeft alleen betrekking op de goederen van de rechthebbende. De curatele op grond van een geestelijke stoornis strekt zich daarentegen ook uit over de persoon van de betrokkene.

14. Ten aanzien van het mentorschap stelt het hof voorop dat, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, de rechter te zijnen behoeve een mentorschap, zoals bedoeld in artikel 1:450 lid 1 BW, kan instellen. De niet-vermogensrechtelijke belangen waarvoor bescherming wordt geboden, betreffen de (medische) verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding.

15. Het hof is op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de kantonrechter op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt deze – na eigen onderzoek – tot de zijne. De curator heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden aangedragen, die tot de conclusie kunnen leiden dat een verderstrekkende maatregel van curatele in het onderhavige geval (nog) nodig is. Anders dan de curator betoogt, betekent het enkele feit dat de betrokkene ernstig verstandelijk beperkt is, niet per definitie dat een minder verstrekkende maatregel dan curatele ontoereikend is. Naar het oordeel van het hof biedt een onderbewindstelling van de goederen van de betrokkene en het instellen van een mentorschap – mede gelet op het feit dat de betrokkene in een veilige en beschermde omgeving verblijft en het zelfbeschikkingsrecht van de betrokkene met behulp van de aanwezige zorgverleners zo veel als mogelijk gewaarborgd blijft – voldoende bescherming van haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen en is een ondercuratelestelling niet langer noodzakelijk. Nu er voldoende grond bestaat om een minder verstrekkende maatregel in te stellen, is het hof – wat er ook zij van het beweerdelijk functioneren van de curator – naar het oordeel van het hof geen sprake van misbruik van recht.

16. Op grond van artikel 1:389 lid 1sub c BW eindigt de curatele in beginsel met ingang van de datum dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Het hof ziet in het familierechtelijk karakter van het geschil aanleiding de gewijzigde maatregelen per direct in te laten gaan, zoals ook door de moeder van de betrokkene is verzocht.

Voorkeur betrokkene

17. De curator is van mening dat de rechtbank zich er niet van heeft vergewist of de betrokkene een uitdrukkelijke voorkeur heeft voor een specifieke bewindvoerder en/of mentor.

18. De moeder acht het niet realistisch om van de betrokkene te verwachten dat zij een weloverwogen oordeel heeft over de vraag of de curatele omgezet zou moeten worden in een combinatie van bewind en mentorschap.

19. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de artikelen 1:435 lid 3 en 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van respectievelijk de bewindvoerder en de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten. Tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat de betrokkene niet in staat kan worden geacht haar voorkeur kenbaar te maken. In een dergelijk geval benoemt de rechter bij voorkeur een van de in de wet genoemde personen.

20. In het onderhavige geval is het hof gebleken dat er tussen de curator en de begeleiding van Middin verschil van inzicht bestaat over wat de betrokkene nodig heeft. Middin en de curator hebben beiden een andere visie op de problematiek van de betrokkene en de mate waarin zij over zichzelf kan beslissen. Door dit verschil van inzicht verloopt de communicatie tussen de curator en Middin problematisch. De noodzakelijke begeleiding van de betrokkene wordt hierdoor belemmerd. Daarnaast verloopt ook het contact tussen de curator en een deel van de familie (waaronder moeder van de betrokkene) erg stroef. Op grond van het vorenstaande acht het hof gegronde redenen aanwezig die zich tegen de benoeming van de curator als bewindvoerder en mentor ten behoeve van de betrokkene verzetten. Nu in hoger beroep geen inhoudelijke bezwaren tegen de benoeming van [de bewindvoerder] als bewindvoerder en mentor zijn gebleken, zal het hof de beschikking van de kantonrechter ook op dit punt bekrachtigen.

21. Het hof overweegt ten overvloede dat dit niet hoeft te betekenen dat tussen de curator en de betrokkene geen contact meer is. Dit geldt temeer omdat het contact belangrijk is voor de betrokkene.

Register

22. De curator stelt dat de kantonrechter ten onrechte in het midden heeft gelaten wanneer en hoe het bewind moest worden ingeschreven in het Centraal Curatele en Bewind Register (CCBR).

23.Uit het beroepsschrift blijkt dat de door de curator gewenste aanpassing in het CCBR (“bewind” is teruggezet naar “curatele”) inmiddels heeft plaatsgevonden. Het hof is derhalve van oordeel dat de curator thans geen belang meer heeft bij deze grief. Het verzoek van de curator wordt derhalve afgewezen.

Proceskosten

24. De curator verzoekt het hof [naam 3] en de moeder van de betrokkene te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

25. Gezien de uitkomst van de procedure ziet het hof geen aanleiding om de moeder van de betrokkene of [naam 3] te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en/of hoger beroep, zoals door de curator is verzocht. Dat [naam 3] in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard, leidt niet tot een andere conclusie. Het hof zal het verzoek van de curator dan ook afwijzen en de kosten van het geding in hoger beroep – gelet op de familierechtelijke aard – compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

26. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de ingangsdatum van het bewind en mentorschap;

bepaalt dat het einde van de curatele en de daarvoor in de plaats tredende maatregelen van bewind en mentorschap ingaan per datum van onderhavige beschikking, derhalve per heden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.M. van Baardewijk en N.P.C. van Wijk, bijgestaan door mr. G. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2017.