Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3659

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
22-001470-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op vier slachtoffers in hun eigen – niet voor publiek toegankelijke – bedrijfspand. Daarbij zijn een geldbedrag en andere goederen weggenomen. De overvallers hebben de slachtoffers onder andere bedreigd met vuurwapens, hun handen vastgebonden met tie-rips en hen geschopt.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 317 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001470-15

Parketnummer: 09-827131-14

Datum uitspraak: 13 december 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1991,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven [postadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 27 mei 2016, 17 november 2017, 22 november 2017 en 29 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 juni 2014 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 250.000 euro, althans een geldbedrag, en/of een I-pad (mini) en/of een fototoestel en/of een horloge en/of een of meer telefoon(s) en/of een (grote) hoeveelheid melkpoeder, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( met een bivakmuts op) zetten en/of richten en/of houden van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen en/of op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- naar de grond duwen en/of trekken van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- slaan en/of schoppen tegen het lichaam en/of (achter) hoofd van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] en/of

- vastbinden van de handen met een tie-rips van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- naar beneden drukken van het hoofd van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een melkpoederbus;

en/of

hij op of omstreeks 22 juni 2014 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van 250.000 euro, in elk geval een geldbedrag, en/of een I-pad(mini) en/of een fototoestel en/of een horloge en/of een of meer telefoon(s) en/of een (grote) hoeveelheid melkpoeder, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( met een bivakmuts op) zetten en/of richten en/of houden van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen en/of op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- naar de grond duwen en/of trekken van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- slaan en/of schoppen tegen het lichaam en/of (achter) hoofd van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] en/of

- vastbinden van de handen met een tie-rips van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- naar beneden drukken van het hoofd van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een melkpoederbus.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 22 juni 2014 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 250.000 euro, althans een geldbedrag, en/of een I-pad (mini) en/of een fototoestel en/of een horloge en/of een of meer telefoon(s) en/of een (grote) hoeveelheid melkpoeder, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( met een bivakmuts op) zetten en/of richten en/of houden van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen en/of op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- naar de grond duwen en/of trekken van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- slaan en/of schoppen tegen het lichaam en/of (achter) hoofd van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] en/of

- vastbinden van de handen met een tie-rips van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- naar beneden drukken van het hoofd van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een melkpoederbus;

en/of

hij op of omstreeks 22 juni 2014 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van 250.000 euro, in elk geval een geldbedrag, en/of een I-pad(mini) en/of een fototoestel en/of een horloge en/of een of meer telefoon(s) en/of een (grote) hoeveelheid melkpoeder, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- (met een bivakmuts op) zetten en/of richten en/of houden van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen en/of op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- naar de grond duwen en/of trekken van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- slaan en/of schoppen tegen het lichaam en/of (achter) hoofd van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] en/of

- vastbinden van de handen met een tie-rips van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- naar beneden drukken van het hoofd van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een melkpoederbus.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de nadere bewijsoverweging zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Nadere bewijsoverweging


Op grond van het onderzoek ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden1.

Inleiding

Op 22 juni 2014 vond omstreeks 16.00 uur een overval plaats in het bedrijfspand (hierna ook: de loods) aan de [adres] te Zoetermeer. Van deze overval is omstreeks 16.17 uur melding gedaan bij de politie2.

Ongeveer 3 à 4 weken vóór bovengenoemde overval had [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4]) een bericht van [medeverdachte 1]3 ontvangen, waarin hij vroeg of zij melkpoeder wilde en schreef dat hij 5.000 boxen had. Het kostte in totaal € 251.000,-. [slachtoffer 4] besloot dat zij dit wilde. [medeverdachte 1] belde met de mededeling dat de eigenaar van het melkpoeder het geld cash wilde hebben. Op 20 juni 2014 rond 13.00 uur is [slachtoffer 4] samen met haar man [slachtoffer 2] naar het kantoor van [medeverdachte 1] gegaan, alwaar vervolgens een deal is gesloten4. Die avond is [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] naar de opslagplaats van [slachtoffer 4] (het hof begrijpt: de loods) gereden5. In de avond van 20 juni 2014 belde [medeverdachte 1] naar [slachtoffer 4] en zei dat de levering van het melkpoeder op zaterdag (het hof begrijpt: 21 juni 2014) tussen 15.00 uur en 16.00 uur zou plaatsvinden. [medeverdachte 1] zei voorts tegen [slachtoffer 4] dat hij om 14.00 uur eerst alleen zou komen om het geld te zien. [slachtoffer 4] was op zaterdag 21 juni 2014 samen met haar man [slachtoffer 2], de broer van haar man (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]), de vrouw van diens broer (het hof begrijpt: [slachtoffer 3]) (hierna: aangevers) en [medeverdachte 1] in de loods. [medeverdachte 1] is die zaterdag gekomen, waarna [slachtoffer 4] hem het geld heeft laten zien. Hij heeft het geld geteld. Het geld zat in pakjes van € 10.000,- gebonden6. Het ging om een hoeveelheid van 23.200 verpakkingen van het merk Nutrilon7. Enkel [medeverdachte 1] was ervan op de hoogte dat zoveel geld cash moest worden betaald8.

Rond 24.00 uur belde [medeverdachte 1] naar [slachtoffer 4] met de mededeling dat de bestuurder het geld wilde zien. [slachtoffer 4] stelde voor om af te spreken bij de McDonalds aan de [x] (het hof begrijpt: te Zoetermeer) om het geld te tellen. De aangevers, [medeverdachte 1] en een licht getinte man hebben elkaar rond 01.00 uur ontmoet bij McDonalds9. [medeverdachte 2] was met [medeverdachte 1] naar Zoetermeer gereden en was ook in de nabije omgeving aanwezig10. De tas met het geld stond tussen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] in. [slachtoffer 4] heeft de tas geopend. De licht getinte man heeft een blik in de tas geworpen en is toen samen met [medeverdachte 1] weer weggegaan. Op 22 juni 2014 vanaf ongeveer 14.00 uur waren [slachtoffer 4] met haar familie en [medeverdachte 1] in de loods aanwezig11. [medeverdachte 1] telde het geld van [slachtoffer 4]. Toen [medeverdachte 1] het geld aan het tellen was, kreeg hij voortdurend sms’jes en hij stuurde ook telkens sms’jes terug12.

Diezelfde dag rond 16.00 uur zag [slachtoffer 4] een bestelwagen. [slachtoffer 2] opende de deur van de loods. De beige/witte bestelwagen reed achteruit de loods in. De man die [slachtoffer 4] bij McDonalds had gezien, stapte uit en zei: money, money. Toen [slachtoffer 4] de tas met geld aan het dichtknopen was, stormden ineens 4 tot 813 mensen met bivakmutsen en wapens uit de auto14. De bivakmutsen waren zwart en bij de ogen zaten gaten15. [slachtoffer 4] werd door de overvallers tegen de rug geduwd tot zij op de grond lag. Er werd met een melkpoederblik op het hoofd van [slachtoffer 4] gedrukt16. [slachtoffer 2] kreeg een wapen op de zijkant van zijn hoofd. Hij werd bij zijn nek vastgepakt en op de grond geduwd. [slachtoffer 2] voelde dat met een vuurwapen op zijn rug werd gedrukt en heeft een klap gekregen. Toen hij even bewoog, werd zijn hoofd plat op de grond gedrukt. Terwijl [slachtoffer 2] op de grond lag, zijn zijn handen naar voren getrokken en vastgebonden met een tie-rip. Iedereen werd met tie-rips vastgebonden17/18. [slachtoffer 3] zag dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] door de overvallers tegen de buik werden geschopt en dat het horloge van de pols van [slachtoffer 1] werd gerukt. [slachtoffer 3] zelf werd aan haar kleding vastgepakt en naar de grond gedrukt. Toen zij haar hoofd wilde optillen, werd zij direct weer naar beneden gedrukt. Er werd een vuurwapen tegen haar hoofd gehouden terwijl zij op de grond lag. Haar handen werden aan elkaar gebonden met tie-rips. De handen van [slachtoffer 4] zijn achter op haar rug vastgebonden19. [slachtoffer 1] heeft ook een vuurwapen tegen zijn hoofd gekregen. Hij werd naar achter getrokken en het vuurwapen werd op zijn achterhoofd gericht. Hij werd op de grond geduwd en werd door meerdere daders geslagen op zijn rug, benen en achterhoofd. Hij is een paar keer geschopt en op zijn been gestampt, terwijl hij op de grond lag20.

Tijdens de overval is melkpoeder van [slachtoffer 4] in de bestelwagen geladen21. De overvallers hebben de mobiele telefoons van de aangevers weggenomen22 en voorts een IPad mini, blikken melkpoeder, een horloge en een fototoestel23. Ergens tussen het moment dat de overvallers uit de auto stormden en weggingen, is ook het geld dat in een tas zat, naar verluid € 250.000,-, weggenomen24.
Betrokken voertuigen
De ochtend van de overval heeft [medeverdachte 1] een witte bestelbus van het merk Volkswagen, met kenteken [x], gehuurd25. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben de bestelbus samen opgehaald26. De bestelbus is op 24 juni 2014 door [medeverdachte 1] geretourneerd. In de laadruimte van de bus lag wit/heel lichtblauw poeder27.


[medeverdachte 1] maakte voorts gebruik van een Fiat, type 500, voorzien van kenteken [x] (hierna: de Fiat)28.


Kort voor en na de overval op 22 juni passeerden twee voertuigen de ARS locaties nagenoeg rond dezelfde tijdstippen als de bestelbus met het kenteken [x] (hierna: de bestelbus). Deze twee voertuigen, een BMW en een Mercedes, waren respectievelijk voorzien van de kentekens [x] en [y]29. De BMW ([x]) (hierna: de BMW) stond op naam van [getuige 2]30, de vader van [medeverdachte 3]31.


De Mercedes ([y]) (hierna: de Mercedes) stond op naam van Mercedes Benz [bedrijf x] en was in de periode van 19 juni 2014 tot en met 4 juli 2014 aan [medeverdachte 4] verhuurd32.

De Mercedes is op 21 juni 2014 om 14.03 uur vanuit de directe omgeving van de woning van [medeverdachte 4] vertrokken naar de directe omgeving van de loods en heeft daar geruime tijd rondgereden of stilgestaan. De Fiat, de BMW en de Mercedes reden in de nacht van 21 op 22 juni 2014 rond 23.21 uur vanuit Rotterdam naar Zoetermeer en bevonden zich rond 1.21 uur met elkaar in Zoetermeer op korte afstand van McDonalds aan [adres]. De bestelbus, de BMW en de Mercedes reden op 22 juni 2014 kort voor de overval vanuit Rotterdam naar Zoetermeer. De bestelbus was in de loods ten tijde van de overval en de Fiat was toen bij de loods. De BMW en de Mercedes reden kort na de overval op nagenoeg hetzelfde tijdstip uit de richting van Zoetermeer. De Mercedes bevond zich op 22 juni 2014 van 15.42 uur tot 16.15 uur in de Platinastraat te Zoetermeer en heeft daar ten tijde van de overval gedurende 31 minuten stilgestaan. Nadat de overval had plaatsgevonden is de Mercedes naar de [adres] te Rotterdam gereden en arriveerde daar om 16.56 uur. [verdachte] woont op [adres]. Om 17.21 uur vertrok de Mercedes vanaf de [adres] en kwam om 17.30 uur aan op de [adres] te Rotterdam ter hoogte van nummer [x]. [medeverdachte 4] is woonachtig op het adres [adres] te Rotterdam. De Mercedes heeft vervolgens stilgestaan in de [adres z]. In [adres z] te Rotterdam is de [hotel] gevestigd, alwaar [medeverdachte 1] een kamer huurde33.

Kort na de overval, op 22 juni 2014 omstreeks 17.40 uur, stond de BMW op de Cederstraat in Rotterdam en werd door de politie gecontroleerd. Op dat moment zaten [medeverdachte 3] en [verdachte] en een persoon genaamd [getuige 2] in de auto. [medeverdachte 3] was bestuurder van de BMW34.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de inzittenden van de bestelbus, de Mercedes en de BMW betrokken zijn geweest bij de overval.

Historische verkeersgegevens telefoons van de verdachten

[medeverdachte 1] was voor en ten tijde van de overval gebruiker van het telefoonnummer [x]35. Vlak voor de overval – vanaf 15.54 uur – heeft voornoemd telefoonnummer achtmaal sms contact gehad met het telefoonnummer [y]36. Dit laatste nummer is in gebruik bij [verdachte] -die ook [naam] wordt genoemd-37 die zich op dat moment in de nabije omgeving van het bedrijfspand aan de Platinastraat te Zoetermeer bevond38. Het telefoonnummer van [verdachte] heeft vlak voor de overval – vanaf 15.47 uur – ook sms- en belcontacten gehad met het telefoonnummer van [medeverdachte 2], te weten [z]39.

DNA [verdachte]

Op de plaats delict is forensisch technisch sporenonderzoek verricht. Op de vloer van de loods zijn zwarte kabelbinders (tie-rips) aangetroffen. Deze kabelbinders zijn veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN-nummers AAGY2715NL en AAGY2716NL40. De kabelbinders zijn op drie posities bemonsterd. De bemonsteringen zijn ingezet voor DNA-onderzoek en hierbij is een match aangetoond met het DNA-mengprofiel afkomstig van [verdachte]41.

Uitlatingen van [medeverdachte 2] 42

Op 30 april 2015 heeft [medeverdachte 2] tegenover een politiële informatie-inwinner onder meer de volgende uitlatingen gedaan.
[medeverdachte 1] was de baas bij het plegen van de overval, waarbij [medeverdachte 2] zelf niet aanwezig was. [medeverdachte 2] heeft jongens, bekenden van hem, met [medeverdachte 1] in contact gebracht omdat deze jongens geld van [medeverdachte 1] wilden lenen om te investeren in verdovende middelen. Deze jongens hadden het plan om [medeverdachte 1] te rippen. Dat hadden ze achteraf beter kunnen doen, dan hadden ze nu geen probleem gehad in verband met de overval. De jongens hadden uiteindelijk besloten om [medeverdachte 1] niet te rippen, uit respect omdat [medeverdachte 1] goed bevriend met hem was. [medeverdachte 1] wilde hen geen geld lenen, maar had een beter plan om aan geld te komen. De jongens van de overval hebben [medeverdachte 2] herhaaldelijk op zijn reguliere nummer gebeld voor, tijdens en/of na de overval. Bij de overval waren ook [medeverdachte 4], een Joegoslaaf (het hof begrijpt: [medeverdachte 4]), [medeverdachte 3], een Irakees (het hof begrijpt: [medeverdachte 3]) en [verdachte] of soortgelijke naam, bijnaam “[naam]”, een Hindoestaanse jongen (het hof begrijpt: [verdachte]) betrokken. [medeverdachte 4] heeft in eerste instantie drie of vier jaar als eis gekregen, maar is vrijgesproken. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] waren de mannen van de Mercedes en de BMW. Voorts deed [medeverdachte 2] meermalen de uitlating: “mijn telefoon, de i-phone, als die eens weg zou zijn of in de fik zou gaan, dan hebben ze niks tegen mij”43.

[verdachte], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn bekenden van elkaar. [medeverdachte 2] kent [medeverdachte 3] als [naam] en [verdachte] als “[naam]”44.

Bewijsuitsluitingsverweren

Namens de verdachte heeft de raadsvrouw zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen, op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2014258206 - behelzende de controle van de BMW op 22 juni 2014 te 17.40 uur - dient te worden uitgesloten van het bewijs nu onduidelijk is op grond waarvan de verbalisanten de auto waarin de verdachte als passagier meereed, een stopteken gaven en er geen juridische grondslag was voor controle van de identiteit van de inzittenden.


Het hof verwerpt dit verweer.
De verbalisanten beschrijven de situatie op grond waarvan zij besluiten de auto te volgen en een stopteken te geven. Hieruit blijkt niet dat het stopteken uitsluitend is gegeven in het kader van de opsporing van strafbare feiten. Zo de controle van de identiteit van de inzittenden van de auto door de verbalisanten al als een schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zou kunnen worden opgevat, dan is deze schending niet van dien aard en ernst dat daaraan enige consequentie als bedoeld in artikel 359a Sv. moet worden verbonden.

Het door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer inhoudende dat het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1700-2014265920-2 – behelzende de controle van de Mercedes op 27 juni 2014 – op gronden als verwoord in de pleitaantekeningen van het bewijs dient te worden uitgesloten, behoeft geen bespreking, nu dit proces-verbaal niet voor het bewijs zal worden gebezigd.

Conclusie

Het hof komt op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen tot de conclusie dat in elk geval de verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] de overval in vereniging hebben gepleegd en dat [medeverdachte 2] hierbij als medeplichtige betrokken is geweest.

Het hof overweegt in dit verband dat de verdachte vlak vóór de overval meermalen telefonisch contact heeft gehad met de twee medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en dat hij zich op dat moment in de nabije omgeving van de loods bevond. Voor zover verdachte eerst bij de raadsheer-commissaris op 28 november 2016 heeft verklaard zijn telefoon te hebben uitgeleend aan [getuige 2], acht het hof dit – gelet op het tijdstip van zijn verklaring – ongeloofwaardig. Voor deze verklaring is ook geen enkele aanwijzing te vinden in het dossier.

Het DNA van de verdachte is aangetroffen op de tie-rips waarmee aangevers tijdens de overval zijn vastgebonden.

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario – inhoudende dat het DNA van de verdachte op de tie-rips terecht is gekomen doordat hij vaak in de auto van [getuige 2] zat, waarin gereedschap en tie-rips lagen, en dat verdachte dat gereedschap wel eens heeft verschoven, waardoor zijn DNA op de tie-rips terecht was gekomen, acht het hof evenmin aannemelijk. De plaats waar het DNA van de verdachte op de tie-rips is aangetroffen, te weten de uiteinden, past naar het oordeel van het hof bij het gebruik van tie-rips op het moment dat daarmee iets of iemand wordt vastgebonden en niet bij het door de verdachte geschetste alternatieve scenario.

Voorwaardelijk verzoek horen getuige

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk - namelijk indien het hof tot een bewezenverklaring van het aan de verdachte ten laste gelegde zou komen - verzocht om [getuige 2] als getuige te horen en de zaak daartoe te verwijzen naar de raadsheer-commissaris.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Naar het oordeel van het hof zijn blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2017 door de raadsheer-commissaris voldoende inspanningen verricht om te bewerkstelligen dat de getuige kon worden gehoord. Van de getuige zijn geen andere dan wel nadere gegevens bekend geworden dan de gegevens waarover de raadsheer-commissaris destijds de beschikking had. Het hof acht het dan ook niet aannemelijk dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn alsnog kan worden gehoord, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op de slachtoffers [slachtoffer 4], [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in hun eigen – niet voor publiek toegankelijke – bedrijfspand. Daarbij zijn een geldbedrag en andere goederen weggenomen. De overvallers hebben de slachtoffers onder andere bedreigd met vuurwapens, hun handen vastgebonden met tie-rips en hen geschopt. Een dergelijke overval is een zeer ernstig feit, niet alleen vanwege de materiële schade die de overvallers hebben berokkend aan de slachtoffers, maar vooral vanwege de grote psychische en lichamelijke invloed van de overval op de slachtoffers. De slachtoffers zullen mogelijk nog gedurende lange tijd met de gevolgen van de overval worden geconfronteerd. Verdachte heeft zich hier geen enkele rekenschap van gegeven. Daarnaast maakt een dergelijke overval een ernstige inbreuk op de rechtsorde en nemen de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving hierdoor toe.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 6.080,20, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en – naar het hof begrijpt - in hoger beroep gehandhaafde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat op de vordering van de benadeelde partij zal worden beslist, een en ander zoals verwoord in zijn overgelegde en in het dossier gevoegde schriftelijk requisitoir.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 350,00 materiële schade is geleden (camera en Ipad-mini). Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 1.250,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, waarbij het hof opmerkt dat de ‘geheugenkaart’ niet in de tenlastelegging is opgenomen als zijnde een goed dat tijdens de overval zou zijn weggenomen. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.600,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 267.825,78, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en – naar het hof begrijpt - in hoger beroep gehandhaafde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat op de vordering van de benadeelde partij zal worden beslist, een en ander zoals verwoord in zijn overgelegde en in het dossier gevoegde schriftelijk requisitoir.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 786,00 materiële schade is geleden (mobiele telefoon -naar redelijkheid- € 150,- en melkpoederbussen € 636,-). Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij zal wat betreft de post ‘alarmsysteem’ worden afgewezen, nu niet is komen vast te staan dat dit deel van de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 1.250,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, waarbij het hof ten aanzien van de geldbedragen opmerkt dat er wisselende verklaringen zijn afgelegd omtrent de herkomst van het geld. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.036,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 4]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 4.168,40, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en – naar het hof begrijpt - in hoger beroep gehandhaafde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat op de vordering van de benadeelde partij zal worden beslist, een en ander zoals verwoord in zijn overgelegde en in het dossier gevoegde schriftelijk requisitoir.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 150,00 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 1.250,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, waarbij het hof opmerkt dat de ‘laptop’ en de ‘Ipod Touch’ niet in de tenlastelegging zijn opgenomen als zijnde goederen die tijdens de overval zouden zijn weggenomen. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.400,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.228,48, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en – naar het hof begrijpt - in hoger beroep gehandhaafde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat op de vordering van de benadeelde partij zal worden beslist, een en ander zoals verwoord in zijn overgelegde en in het dossier gevoegde schriftelijk requisitoir.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 150,00 materiële schade is geleden (mobiele telefoon, naar redelijkheid). Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 1.250,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.400,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 317 (driehonderdzeventien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 100 (honderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) bestaande uit € 350,00 (driehonderdvijftig euro) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) bestaande uit

€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) materiële schade en

€ 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.036,00 (tweeduizend zesendertig euro) bestaande uit € 786,00 (zevenhonderdzesentachtig euro) materiële schade en

€ 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.497,50 (duizend vierhonderdzevenennegentig euro en vijftig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.036,00 (tweeduizend zesendertig euro) bestaande uit

€ 786,00 (zevenhonderdzesentachtig euro) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.400,00 (duizend vierhonderd euro) bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.400,00 (duizend vierhonderd euro) bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 (vierentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.400,00 (duizend vierhonderd euro) bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.400,00 (duizend vierhonderd euro) bestaande uit

€ 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en

€ 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 (vierentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. H.J.M. Smid-Verhage,

mr. J.M. van de Poll en mr. H.P.Ch. van Dijk, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 december 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer [x] (zaaksdossier overval Zoetermeer) van de politie Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 0001 t/m 1340).

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 44-45; proces-verbaal van bevindingen PL1500-2014125768-17, p. 242

3 [medeverdachte 1] gebruikt ook de naam [medeverdachte 1], proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 11 maart 2015 inzake [medeverdachte 1], p. 2

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 42-43

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] bij de raadsheer-commissaris d.d. 14 oktober 2016, punt 4

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 43

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], p. 88

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], p. 92

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 43-44; proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 11 maart 2015 inzake [medeverdachte 1], p. 3

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] bij de RHC d.d. 17 oktober 2016, punten 6 en 8

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 44-45

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], p. 89

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 45; Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], p. 90; Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3], p. 110; Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1], p. 119

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 45

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], p. 90

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 45-46; Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] p. 90

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], p. 90

18 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1], p. 119

19 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3], p. 110-111

20 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1], p. 119

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 46

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 46; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], p. 90-91; proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1], p. 120

23 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 69; proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1], p. 120

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 46; proces-verbaal van bevindingen, p. 248

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], p. 195; proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 11 maart 2015 inzake [medeverdachte 1], p. 4; huurovereenkomst tussen [bedrijf y] en [medeverdachte 1], p. 199

26 Proces-verbaal van bevindingen ophalen huurbus, p. 327-328

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], p. 195; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] bij de RHC d.d. 14 oktober 2016, punt 16

28 Proces-verbaal van bevindingen, p. 314

29 Proces-verbaal ‘Vervolg onderzoek gegevens ARS Traffic & Transport Technology’ met nummer 177, p. 348

30 Proces-verbaal ‘Vervolg onderzoek gegevens ARS Traffic & Transport Technology’ met nummer 177, p. 348

31 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de RHC d.d. 26 oktober 2016, p. 3; Proces-verbaal ‘Vervolg onderzoek gegevens ARS Traffic & Transport Technology’ met nummer 177, p. 348

32 Proces-verbaal ‘Vervolg onderzoek gegevens ARS Traffic & Transport Technology’ met nummer 177, p. 349; proces-verbaal ‘Voorlopige bevindingen Track en Trace [x]’, p. 603 en 605

33 Proces-verbaal ‘Aanvullend proces-verbaal bevindingen Track & Trace [x]’, p. 890-906, 911, 913 en 916

34 Proces-verbaal van bevindingen, p. 380-381

35 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 11 maart 2015, p. 3; proces-verbaal van bevindingen gebruiker [x] p. 258-259

36 Proces-verbaal van bevindingen, p. 429; proces-verbaal ‘Onderzoek naar gebruiker [y], p. 430 en 437

37 Proces-verbaal ‘Onderzoek beslag’, p. 414-415; proces-verbaal van bevindingen ‘Telefoon Nokia ’, p. 417 en 421; proces-verbaal ‘Onderzoek naar gebruiker [y]’, p. 438; proces-verbaal van bevindingen [y], p. 501; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], p. 512

38 Proces-verbaal ‘Onderzoek beslag’, p. 415; proces-verbaal van bevindingen, p. 430; proces-verbaal ‘Onderzoek naar gebruiker [y], p. 437; proces-verbaal van bevindingen, p. 722

39 Proces-verbaal van bevindingen, p. 430; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], p. 74 (verdachtendossier [medeverdachte 2]); proces-verbaal van bevindingen, p. 1207

40 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, p. 1005 en 1007

41 Rapport van DNalysis Maastricht B.V. d.d. 30 december 2014, p. 702 en 704

42 Relaas proces-verbaal [mega], p. 1220-1221

43 Proces-verbaal van bevindingen ‘Stelselmatige informatie inwinner [x]’, p. 1297-1300

44 Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 januari 2016 inzake [medeverdachte 2], p. 2; proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 maart 2015 inzake [medeverdachte 4], p. 3