Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3650

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
22-000140-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens openlijk geweld in een cafetaria. Het hof volstaat ondanks recidive vanwege gewijzigde persoonlijke omstandigheden met de oplegging van een taakstraf van 180 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Taakstrafverbod staat daaraan niet in weg. Het hof leidt uit de wetsgeschiedenis van art. 22b Sr af dat het taakstrafverbod pas geldt indien de in een eerdere zaak opgelegde taakstraf reeds ten uitvoer is gelegd op het moment waarop het nieuwe feit wordt gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000140-17

Parketnummer: 10-176357-16

Datum uitspraak: 5 december 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 28 december 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1993,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 21 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met bijzondere voorwaarden als in het vonnis waarvan beroep omschreven. Omtrent de vordering van de benadeelde partij [bedrijf] is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 1 april 2016 te Rotterdam openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Oude Watering (nummer [x]), in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in een cafetaria, ([bedrijf]), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal

- ( met kracht) op/tegen het lichaam duwen en/of

- op/tegen het lichaam slaan/stompen en/of schoppen/trappen en/of

- ( een) voorwerp(en) gooien/werpen op/tegen het lichaam;

2.


hij op of omstreeks 1 april 2016 te Rotterdam openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Oude Watering (nummer 274), in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in een cafetaria, ([bedrijf]), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (onder andere) een toonbank en/of een koffiezetapparaaat en/of een of meer schalen en/of een of meer boorden, althans inboedel, althans een of meer voorwerpen en/of etenswaren toebehorend aan [bedrijf] en/of [benadeelde partij 2], welk geweld bestond uit

- het duwen van een persoon op/tegen de toonbank en/of

- het gooien/werpen met een of meer voorwerpen en/of etenswaren.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof komt tot een enigszins andere bewezenverklaring en een wezenlijke andere straf.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op of omstreeks 1 april 2016 te Rotterdam openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Oude Watering (nummer 274), in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in een cafetaria, ([bedrijf]), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal

- ( met kracht) op/tegen het lichaam duwen en/of

- op/tegen het lichaam slaan/stompen en/of schoppen/trappen en/of

- (een) voorwerp(en) gooien/werpen op/tegen het lichaam;

2.


hij op of omstreeks 1 april 2016 te Rotterdam openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Oude Watering (nummer 274), in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in een cafetaria, ([bedrijf]), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (onder andere) een toonbank en/of een koffiezetapparaaat en/of een of meer schalen en/of een of meer boorden, althans inboedel, althans een of meer voorwerpen en/of etenswaren toebehorend aan [bedrijf] en/of [benadeelde partij 2], welk geweld bestond uit

- het duwen van een persoon op/tegen de toonbank en/of

- het gooien/werpen met een of meer voorwerpen en/of etenswaren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van

1

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

en

2

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en zijn mededaders hebben in cafetaria [bedrijf] geweld gepleegd tegen het slachtoffer [benadeelde partij 1] door laatstgenoemde tegen zijn lichaam te duwen, te stompen en te trappen. De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer tegen de toonbank geduwd en met voorwerpen en etenswaren gegooid naar [benadeelde partij 1]. Als gevolg daarvan is schade aan de inboedel van genoemd cafetaria ontstaan. Dat het letsel van [benadeelde partij 1] beperkt is gebleven, is een gelukkige omstandigheid die niet te danken is aan het optreden van verdachte en zijn mededaders.

Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen en goederen. Dit zijn ernstige feiten die – gelet op het openlijke en gewelddadige karakter - bij burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweegbrengen. [bedrijf] en de eigenaar [benadeelde partij 2] hebben door het hele incident financiële schade geleden.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte vaker onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Voorts blijkt daaruit dat de verdachte zowel in 2007 als na de pleegdatum van de bewezenverklaarde feiten onherroepelijk is veroordeeld voor openlijke geweldpleging.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met de aannemelijk geworden omstandigheid dat de verdachte zijn leven een wending ten goede heeft gegeven.

Hoewel de aard en ernst van de feiten, in samenhang bezien met de recidivestaat van de verdachte, een gevangenisstraf als door de politierechter opgelegd rechtvaardigen, ziet het hof met name in de – in positieve zin - gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding te komen tot het opleggen van een taakstraf van na te melden duur.

Ten aanzien van de taakstraf overweegt het hof nog als volgt.

In artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat een taakstraf niet kan worden opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

  1. aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

  2. de veroordeelde de taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.

In het derde lid van genoemd artikel is bepaald dat van het tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.

Blijkens genoemd uittreksel Justitiële Documentatie is de verdachte vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten, namelijk bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2016, voor een soortgelijk feit, te weten mishandeling, tot een taakstraf veroordeeld. De verdachte zou die taakstraf in de periode van 18 mei 2016 tot 7 november 2016, derhalve ná de pleegdatum van de bewezenverklaarde feiten, hebben uitgevoerd.

Gelet hierop ziet het hof zich gesteld voor de vraag of het bepaalde in artikel 22b, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht in de onderhavige zaak van toepassing is.

Het hof leidt uit de wetgeschiedenis van genoemd artikel af dat de opgelegde taakstraf reeds ten uitvoer moet zijn gelegd op het moment waarop het nieuwe feit wordt gepleegd. Pas dan kan immers worden vastgesteld dat het verrichten van de taakstraf kennelijk niet het effect heeft gehad dat daarmee werd beoogd, namelijk het de veroordeelde ervan weerhouden opnieuw een (soortgelijk) strafbaar feit te plegen. Bovendien strookt deze uitleg met het nulla poena-beginsel, dat meebrengt dat de rechtsgevolgen van het strafbare feit moeten vaststaan op het moment waarop het wordt gepleegd.

Nu is gebleken dat de verdachte de taakstraf pas ná de pleegdatum van de bewezenverklaarde feiten heeft verricht, is het bepaalde in artikel 22b, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing en behoeft naast de op te leggen taakstraf geen (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel te worden opgelegd.

In de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de recidivestaat van de verdachte ziet het hof evenwel aanleiding aan de verdachte een gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen.

Het hof zal die gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen, teneinde de verdachte ervan te pogen te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.

Het hof ziet geen aanleiding om daarnaast nog bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [bedrijf] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde tot een bedrag van in totaal € 3.247,80, bestaande uit een bedrag van € 2.497,80 aan materiële schade en een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In eerste aanleg is de vordering hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.741,16, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is de vordering van rechtswege aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 2.741,16 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 56, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.741,16 (tweeduizend zevenhonderdeenenveertig euro en zestien cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.741,16 (tweeduizend zevenhonderdeenenveertig euro en zestien cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. C.J. van der Wilt,

mr. I.E. de Vries en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 december 2017.