Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3646

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
22-003772-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdacht schuldig gemaakt aan schuldheling van een horloge van grote waarde. Het hof constateert voorts dat verdachte afkomstig is uit een juweliersfamilie (werkt ook in de winkel van zijn ouders) en dus wel enige kennis en ervaring - bijvoorbeeld via internet- had over dure bovendien het zeldzame horloge (ter waarde van meerdere duizenden euro’s).

Het hof veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003772-17

Parketnummer: 09-028856-17

Datum uitspraak: 16 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 14 augustus 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1999,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 16 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen jeugddetentie.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij (op een tijdstip gelegen) in of omstreeks de periode van 28 april 2015 tot en met 18 april 2016 te 's-Gravenhage,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een horloge (merk Van Der Gang) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen,

terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde (opzetheling) zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerd verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2017 primair vrijspraak bepleit nu – kort gezegd – de verdachte het horloge niet heeft verworven of voorhanden heeft gehad. Voorts heeft zij subsidiair bepleit dat niet kan worden bewezen dat sprake was van medeplegen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden gesproken van een bewuste en nauwe samenwerking.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte met een ander het horloge heeft willen verkopen, nadat zij het horloge hebben verworven en voorhanden gehad. In ruil voor zijn inspanningen zou de verdachte voor 50% delen in de opbrengst. De verklaring van de verdachte dat hij pas door de hoge biedingen op de veilingsite [x] begreep dat sprake was van een duur horloge acht het hof niet geloofwaardig.

Het hof wijst in dit verband allereerst op de omstandigheden waaronder het zeldzame horloge (ter waarde van meerdere duizenden euro’s) ter verkoop werd aangeboden – namelijk:

- in een café;

- van iemand waarvan hij de naam niet wil noemen omdat deze agressief zou (kunnen) zijn;

- zonder een doos, echtheidscertificaat of aankoopbon; en

- voor 50% van de opbrengst.

Het hof constateert voorts dat verdachte afkomstig is uit een juweliersfamilie, zelf ook in de juwelierswinkel van zijn ouders werkt, en al geruime tijd ook zelf sieraden inkoopt en via een website verkoopt. Het hof acht het in dit licht van deze kennis en ervaring ongeloofwaardig dat verdachte bij verkrijging van het horloge geen idee zou hebben gehad van de waarde, dan wel de waarde van dat horloge –bijvoorbeeld via internet- niet reeds op dat moment zou hebben gecontroleerd.

Op grond van bovenvermelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte reeds op het moment van verkrijging redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het betreffende horloge een door misdrijf verkregen goed betrof.

Het hof stelt vast dat de verdachte met zijn medeverdachte had afgesproken het horloge via een website te verkopen, waarbij verdachte het horloge ook enige tijd in zijn bezit heeft gehad, dit heeft gefotografeerd, en vervolgens weer heeft overgedragen aan de medeverdachte. In ruil voor zijn inspanningen zou verdachte voorts de helft van de te verwachten aanzienlijke opbrengst van het horloge krijgen. Mede gezien de directe rol van verdachte bij het (door hem) verwerven, voorhanden hebben en overdragen van voormeld horloge is het hof van oordeel dat verdachtes handelingen onderdeel waren van de gezamenlijk uitvoering van het door de verdachte en zijn medeverdachte opgevatte plan om gezamenlijk voormeld (gestolen) horloge te verkopen. Ook de afgesproken 50/50 verdeling van de opbrengst wijst op een gelijkwaardige rol tussen beide verdachten.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van medeplegen van schuldheling.

De verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij (op een tijdstip gelegen) in of omstreeks de periode van 28 april 2015 maart 2016 tot en met 18 april 2016 te 's-Gravenhage,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een horloge (merk Van Der Gang) heeft verworven, en voorhanden gehad en/of overgedragen,

terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met iemand anders schuldig gemaakt aan schuldheling van een horloge van grote waarde. Heling zorgt ervoor dat het stelen van goederen lonend is. Daarom al is het een ernstig feit. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij niet heeft meegewerkt aan de mogelijke teruggave van het horloge aan de eigenaar. Tot slot is het hof – mede gezien de opstelling van de verdachte ter terechtzitting - van oordeel dat aan de verdachte, zeker nu hij tevens werkzaam is in een juwelierswinkel, en hijzelf ook via een website sieraden aanbiedt, moet worden ingescherpt wat de regels met betrekking tot het in- en verkopen van kostbare goederen zijn waaraan ook hij zich behoort te houden.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 november 2017, alsook op het belang dat de verdachte bij het voltooien van zijn schoolopleiding heeft.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77y, 77z, 77aa en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels,

mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen en mr. A. Kuijer, in bijzijn van de griffier mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 november 2017.