Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3645

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
22-001863-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal met geweld, waarbij het slachtoffer van een zeer steile en hoge stenen trap is gevallen. Naar het oordeel van het hof vond het geweld plaats (als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg) omdat de verdachte de vlucht voor zichzelf probeerde mogelijk te maken, dan wel zich het bezit van het gestolene verzekerde.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001863-17

Parketnummer: 09-817260-17

Datum uitspraak: 9 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 april 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1998,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 26 oktober 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest. Voorts is het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven en is een beslissing gegeven over de vordering van de benadeelde partij als vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 februari 2017 te 's-Gravenhage

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een trainingsjack/vest en/of een training/jogging-broek, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon genaamd [aangever] (verkoper bij [bedrijf]), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zich lostrekken en/of losrukken nadat hij was beetgepakt door die [aangever] en/of

- niet blijven staan en/of (zijn vlucht) te staken

nadat hij door die [aangever] was beetgepakt en/of

- ( hard) tegen de grond duwen van die [aangever].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk

met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 04 februari 2017 te 's-Gravenhage

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een trainingsjack/vest en/of een training/joggingbroek, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon genaamd [aangever] (verkoper bij [bedrijf]), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zich lostrekken en/of losrukken nadat hij was beetgepakt door die [aangever] en/of

- niet blijven staan, en/of (zijn vlucht) te staken nadat hij door die [aangever] was beetgepakt en/of

- (hard) tegen de grond duwen van die [aangever];

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van de verdachte bepleit nu de opzet van de verdachte niet was gericht op het gebruik van geweld, ook niet in voorwaardelijke zin. Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat niet is gebleken dat de verdachte zich ervan bewust was of had moeten zijn dat hij door aangever bij zijn jas werd gepakt.

Het hof stelt hieromtrent gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

Op 4 februari 2017 omstreeks 16.00 uur stond de aangever [aangever], werkzaam als verkoper bij [bedrijf], bij de detectiepoortjes bij de ingang/uitgang van de winkel. Terwijl hij daar stond, kwam er een jongen door de detectiepoortjes lopen, waarna het alarm afging.

Het hof heeft waargenomen op camerabeelden – zoals door het hof ter zitting in hoger beroep bekeken – dat de verdachte buiten de winkel door aangever werd aangesproken. Toen de verdachte vervolgens aangever wilde passeren, werd de verdachte door aangever beetgepakt aan zijn jas. Op de camerabeelden neemt het hof waar dat er sprake is van een lichamelijke reactie van de verdachte op het vastpakken, in de zin dat verdachte tijdens zijn vluchtbeweging een moment inhoudt. De verdachte rende daarna echter door, waarna de verdachte en de aangever beiden van de trap vielen. Aangever heeft in zijn aangifte ook verklaard dat hij gelijk een ruk naar de trap voelde, toen hij de verdachte vastpakte. Tijdens de val heeft de aangever verdachte vervolgens moeten loslaten.

Met betrekking tot de verweren overweegt het hof als volgt.

Artikel 312, eerste lid, Sr luidt als volgt.

‘Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.’

Naar het oordeel van het hof dient het zich tegen fysieke weerstand in (in casu: na vastpakken) (los)trekken juridisch te worden geduid als een daad van geweld als bedoeld in voornoemd artikel 312, eerste lid, Sr.

Uit het feit dat de verdachte zichtbaar lichamelijk reageerde op het vastpakken door middel van het kort inhouden van zijn vluchtbeweging, leidt het hof voorts af dat de verdachte ook heeft bemerkt dat er van zulk een vastpakken sprake was. Door zich vervolgens tegen de ervaren fysieke weerstand in weg te bewegen van de aangever, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij door aldus te handelen geweld als hiervoor bedoeld zou gebruiken. Aldus acht het hof opzet, in ieder geval in de zin van voorwaardelijk opzet, ten aanzien van dit geweld, bewezen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat het geweld zich heeft voorgedaan, nadat de verdachte was beetgepakt door aangever. Zij bevonden zich op dat moment aan het begin (vanaf boven bezien) van een zeer steile en hoge trap. Verdachte is naar beneden gerend. Aangever heeft daarbij geprobeerd de verdachte vast te houden, waarna zij beiden van de trap zijn gevallen. Eerst daarna heeft verdachte kunnen ontvluchten. Verdachte heeft ook ter terechtzitting erkend dat hij wilde ontvluchten.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte moet hebben beseft als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg dat het door hem gepleegde geweld met zich bracht dat hij hiermee de vlucht voor zichzelf mogelijk maakte, dan wel zich het bezit van het gestolene verzekerde.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof ook het oogmerk van de verdachte op het mogelijk maken van de vlucht en het verzekeren van het bezit van het gestolene, aanwezig.

Het hof verwerpt de terzake van het bewijs gevoerde verweren in beide onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd

met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte

is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal met geweld zoals bewezenverklaard, waarbij het slachtoffer van een zeer steile en hoge stenen trap is gevallen. Dit laatste aspect heeft het hof, als zijnde een –voor verdachte voorzienbare- omstandigheid waaronder het feit is begaan, bij de straftoemeting betrokken.

Uit de verklaring van het slachtoffer ter zitting in hoger beroep blijkt dat hij nog steeds last heeft van lichamelijke klachten als gevolg van het door de verdachte gepleegde feit. Dat het feit nog relatief goed is afgelopen, is niet aan de verdachte te danken. Winkeldiefstallen zijn vervelende feiten, die, naast financiële schade, ook overlast en ergernis met zich meebrengen. Wanneer een winkeldiefstal bovendien gepaard gaat met geweld, zoals bij het onderhavige feit, wordt nog eens een grens overschreden. Dergelijke feiten zijn voor het betrokken winkelpersoneel en het winkelendpubliek dat er getuige van is, verontrustend en beangstigend.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangever]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.105,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 385,00 materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 720,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.105,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor

de duur van 90 (negentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

87 (zevenentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf voor

de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.105,00 (duizend honderdvijf euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en

€ 720,00 (zevenhonderdtwintig euro) immateriële schade

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen

van € 1.105,00 (duizend honderdvijf euro) bestaande uit

€ 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 720,00 (zevenhonderdtwintig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A. Kuijer, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. C.H.M. Royakkers, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 november 2017.