Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3643

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
22-000716-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft eenmalig seksuele gemeenschap gehad met een meisje van destijds 13 jaar oud.

Het hof heeft bij de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte op ter terechtzitting in hoger beroep geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen.

Het hof heeft de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000716-16

Parketnummer: 10-812035-14

Datum uitspraak: 24 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1992,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 10 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2013 tot en met 22 september 2013, te Vlaardingen met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2000), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en/of houden van zijn penis in de mond en/of in de vagina van die [slachtoffer].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege – kort en zakelijk weergegeven - het moment waarop de bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde periode, zijnde de periode van 21 september 2013 tot en met 22 september 2013, ter terechtzitting in eerste aanleg is gewijzigd in de periode van 1 juli 2013 tot en met 22 september 2013.

Dit verweer wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg ter terechtzitting van 15 januari 2016 – nadat [slachtoffer], alsmede de vader en de toenmalige vriendin van de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris als getuigen waren gehoord – gevorderd dat de tenlastelegging zou worden gewijzigd zoals hiervoor weergeven. Deze vordering is door de rechtbank, gehoord de raadsman van de verdachte, toegewezen. De stelling, inhoudende dat het Openbaar Ministerie, gelet op het moment waarop die wijziging heeft plaatsgevonden, in de vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard om reden dat – wederom kort en zakelijk weergegeven - het zogeheten “informatief gesprek zeden” niet audiovisueel is geregistreerd, hetgeen een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert.

Het hof overweegt dienaangaande dat van de verdediging, die stelt dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd - aan de hand van de factoren die in het tweede lid van dat artikel zijn genoemd - wordt aangegeven tot welk in dat artikel omschreven rechtsgevolg dat verzuim dient te leiden. Nu de raadsman niet aan de hand van bedoelde factoren heeft aangegeven waarom het gestelde verzuim tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte dient te leiden, acht het hof zich niet gehouden omtrent dit verweer een met redenen omklede beslissing te geven.

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd van het bewijs dienen te worden uitgesloten, meer in het bijzonder diens verklaring van 5 februari 2014, aangezien die verklaring een valse bekentenis bevat, welke bekentenis tot stand is gekomen doordat de politie grote psychische, ongeoorloofde druk op de verdachte heeft uitgeoefend en welke bekentenis aldus op onrechtmatige wijze is verkregen.

Het hof is, gezien de op 5 februari 2014 door de verdachte afgelegde verklaring en gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep beluisterde fragmenten van de audio-opname van het betreffende verhoor, van oordeel dat niet is gebleken dat er door de verbalisanten ongeoorloofde druk op de verdachte is uitgeoefend. Dat een verdachte op enig moment wordt geconfronteerd met verklaringen van anderen en overige onderzoeksresultaten, dat hem alsdan, in voorkomend geval, wordt voorgehouden dat zijn verklaringen niet met die andere verklaringen en overige onderzoeksresultaten vallen te rijmen en dat hem daarbij tevens wordt voorgehouden wat de mogelijke gevolgen zijn indien hij bij zijn eerdere verklaringen blijft, is niet ongebruikelijk, noch ongeoorloofd. Naar het oordeel van het hof hebben de verbalisanten, die de verdachte op 5 februari 2014 hebben gehoord, niet een zodanige druk op de verdachte uitgeoefend dat zou moeten worden geconcludeerd dat de tijdens dat verhoor tot stand gekomen – bekennende – verklaring niet in vrijheid is afgelegd. Die verklaring is derhalve niet op onrechtmatige wijze verkregen en zal door het hof dan ook tot het bewijs worden gebezigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2013 tot en met 22 september 2013, te Vlaardingen met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2000), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en/of houden van zijn penis in de mond en/of in de vagina van die [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft eenmalig seksuele gemeenschap gehad met een meisje van destijds 13 jaar oud. De verdachte heeft aldus ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het nog jonge slachtoffer.

Hij heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften en een ernstige inbreuk gemaakt op haar ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. Jonge slachtoffers van ontucht ondervinden in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Dit soort delicten veroorzaakt bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij, met name bij ouders van jonge kinderen.

Het hof heeft bij de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte op ter terechtzitting in hoger beroep geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen.

Het hof heeft voorts in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 oktober 2017, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de nog minderjarige [slachtoffer] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde tot een bedrag van € 12.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 12.500,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van € 1.500,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.500,-.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal de benadeelde partij voor het overige dan ook in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren en daarbij bepalen dat deze vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Aangezien de vordering van de benadeelde partij maar voor een beperkt gedeelte zal worden toegewezen, zal het hof bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten, door hen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering gemaakt, dienen te dragen.

De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het bewezen verklaarde tot een bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [slachtoffer].

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten, door hen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering gemaakt, dienen te dragen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk,

mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. O.E.M. Leinarts, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 november 2017.