Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3640

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
22-005704-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het vervoeren en voorhanden hebben van cocaïne en heroïne en het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van de verkoop van cocaïne en heroïne. Voorts heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Tot slot heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal, waarbij 23 telefoons werden weggenomen.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Bovendien is de inzendtermijn van het dossier overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn staat de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet in de weg. Het hof heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met deze overschrijdingen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005704-12

Parketnummers: 10-691164-12 en 10-691131-09 (TUL)

Datum uitspraak: 16 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 november 2012 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1995,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 7 september 2017 en 2 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen ter zake van de vordering tot tenuitvoerlegging. Tot slot is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven, waarbij de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte is bevolen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij

op of omstreeks 10 juni 2012 te Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 93,22 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde Heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

en/of

ongeveer 4,64 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij

op of omstreeks 10 juni 2012 te Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 93,22 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

en/of

ongeveer 4,64 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3:
hij

op of omstreeks 10 juni 2012 te Maastricht

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

- met een persoon, te weten [getuige 1], (telefonisch) een afspraak gemaakt, dit met de bedoeling om aan voornoemde [getuige 1] harddrugs (heroïne) te verkopen en/of

- voornoemde [getuige 1] (toen deze op de afgesproken locatie was aangekomen) plaats laten nemen in de auto waar hij, verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) zich bevond(en) en (hieropvolgend) circa 300-400 meter hebben (rond)gereden en/of

- gedurende het verblijf in voornoemde auto een (grote) hoeveelheid harddrugs (heroïne en/of cocaïne) gepakt, althans aan voornoemde [getuige 1] getoont/laten zien

en/of

- een persoon, te weten [getuige 2], rijdend in een auto met een Belgisch kenteken, middels de alarmlichten van de auto waar hij, verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) zich bevond(en), tot stoppen bewogen en/of

- ( vervolgens) voornoemde [getuige 2], rijdend in voornoemde auto met een Belgisch kenteken, (in de Franse taal) aangesproken met de vraag of die [getuige 2] drugs (heroïne) wilden kopen;

4:
hij

op of omstreeks 04 januari 2012 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen op/aan de [adres], heeft weggenomen geld, te weten 7500 euro, en/of vijf (5) horloges (merk Breitling en Fossil en DKNY en Guess) en/of een (grote) hoeveelheid gouden en zilveren sieraden en/of een veertien (14) flessen parfum en/of een i-phone en/of een koptelefoon (merk Beats by Dre type Solo Hd), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door:

- ( meermalen) een stalen balletje (uit een fietsdynamo) tegen en/of door een ruit van voornoemde woning te gooien en/of

- vervolgens door de aldus ontstane opening voornoemde woning te betreden en/of binnen te gaan;

5:
hij

op of omstreeks 08 oktober 2011 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een vitrine in een telefoonwinkel, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen 23, althans één of meer (mobiele) telefoons, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [x] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door het slot van die vitrine te forceren of open te breken;

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2017 overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte nu sprake is van een extreme overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt vast dat de inzendtermijn van het dossier is overschreden. Voorts stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Deze overschrijding is mede het gevolg van (nader) onderzoek dat op verzoek van de verdediging is verricht, zoals het horen van twee getuigen in het buitenland.

De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden.

Na constatering van een overschrijding van de redelijke termijn dient deze in de regel te worden gecompenseerd door vermindering van de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf. Overschrijding van de redelijke termijn leidt volgens de Hoge Raad niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen.

Het openbaar ministerie is mitsdien ontvankelijk in de vervolging.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van vijf maanden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerde verweren ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

Wetenschap ten aanzien van de verdovende middelen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2017 overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat bij de verdachte wetenschap ten aanzien van de aanwezigheid van verdovende middelen ontbrak.

Het hof overweegt als volgt.

Blijkens het proces-verbaal verhoor verdachte met nummer [x] heeft medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat verdachte erbij was toen [medeverdachte] de verdovende middelen kocht in een theehuis. Voorts heeft [medeverdachte] verklaard dat hij – terwijl hij en verdachte samen in de auto zaten - de zak met drugs bij zijn ballen heeft gepakt en achter de stoel van verdachte heeft gestopt. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen met nummer [x] is in het opbergvak van de bijrijdersstoel van de Ford Focus inderdaad een zak met verdovende middelen aangetroffen. Deze zak bleek doorzichtig te zijn, en daarin waren diverse zakjes met bruin en wit poeder zichtbaar. De getuige [getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij zag dat de bestuurder van de auto waar hij instapte om drugs te kopen uit een verborgen plek achter de passagiersstoel een grote hoeveelheid heroïne pakte. Op dat moment zat verdachte eveneens in diezelfde auto op de bijrijdersplaats. Daar komt bij dat uit de waarnemingen van de verbalisanten van het team bestrijding drugsoverlast blijkt dat [getuige 1] bij de auto stond naast de bijrijdersdeur en in gesprek was met degene die zat op de bijrijdersplaats, voordat [getuige 1] instapt.

Het hof acht het op grond van voornoemde omstandigheden onaannemelijk dat de verdachte al deze gedragingen, welke zich grotendeels afspeelden in de zeer beperkte ruimte van een personenauto, niet zou hebben waargenomen en dus even zeer onaannemelijk dat hij geen wetenschap had ten aanzien van de aanwezigheid en het karakter van de betreffende verdovende middelen.

Het verweer wordt verworpen.

Vidgen

De raadsvrouw heeft zich - tegen de achtergrond van de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) inzake Vidgen – op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd nu de verdediging haar ondervragingsrecht ten aanzien van deze getuigen niet heeft kunnen effectueren, zodat – bij gebrek aan steunbewijs – vrijspraak dient te volgen.

Het hof overweegt dat de gevallen, waarin het EHRM heeft uitgemaakt dat een in het opsporingsonderzoek afgelegde getuigenverklaring van het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest haar ondervragingsrecht uit te oefenen, zaken betreffen waarin een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate berust op de verklaring van die getuige.

Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van het hof hier niet voor, nu de verklaringen niet het enige of beslissende bewijs vormen voor de betrokkenheid van de verdachte bij de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en er voldoende overig bewijs in onderling verband en samenhang bezien voorhanden is.

De verklaringen kunnen derhalve voor het bewijs worden gebezigd.

Dit verweer wordt door het hof verworpen.

Verklaring getuige [getuige 2]

Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat de verklaring van getuige [getuige 2] van het bewijs dient te worden uitgesloten nu de verklaring van deze getuige op meerdere punten strijdig is met het proces-verbaal van bevindingen en derhalve kennelijk leugenachtig is.

Het hof constateert dat de verklaring van de getuige [getuige 2] in hoofdlijnen overeenkomt met hetgeen ook door verbalisanten is waargenomen. Het hof acht deze verklaring dan ook op hoofdlijnen betrouwbaar.

De enige significante discrepantie tussen de waarnemingen van de verbalisanten en de getuige zit hem in de persoon van de inzittende door wie de getuige zou zijn aangesproken, te weten de bestuurder dan wel de persoon die naast hem als bijrijder zat. Naar het oordeel van het hof maakt deze enkele discrepantie echter de gehele verklaring van de getuige nog niet kennelijk leugenachtig zoals door de raadsvrouw is betoogd.

Het hof zal echter gezien het voorgaande dat deel uit de verklaring van de getuige [getuige 2] dat betrekking heeft op de persoon die de getuige heeft aangesproken niet voor het bewijs bezigen.

Gevoerd verweer ten aanzien van feit 5

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2017 bepleit dat de verklaringen van [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat zij inconsistent verklaren.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen die [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] hebben afgelegd, op hoofdlijnen consistent. Voorts betrekt het hof daarbij dat [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] niet alleen de verdachte, maar ook zichzelf belasten in hun verklaringen, alsmede dat de verklaringen niet het enige bewijs in deze zaak vormen, nu er zich in het dossier voldoende overig bewijs bevindt. Daar komt bij dat voor zover [getuige 3] in diens latere verklaringen deels terugkomt op hetgeen hij aanvankelijk tegenover de politie verklaarde, dit naar het oordeel van het hof geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de eerste verklaring, nu de moeder van deze getuige tegenover de rechter-commissaris haar bezorgdheid heeft geuit over bedreiging van de getuige.

Het hof ziet derhalve geen reden om de verklaringen van [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] van het bewijs uit te sluiten.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij

op of omstreeks 10 juni 2012 te Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 93,22 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

en/of

ongeveer 4,64 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij

op of omstreeks 10 juni 2012 te Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 93,22 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

en/of

ongeveer 4,64 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3:
hij

op of omstreeks 10 juni 2012 te Maastricht

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, en middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

- met een persoon, te weten [getuige 1], (telefonisch) een afspraak gemaakt, dit met de bedoeling om aan voornoemde [getuige 1] harddrugs (heroïne) te verkopen en/of

- voornoemde [getuige 1] (toen deze op de afgesproken locatie was aangekomen) plaats laten nemen in de auto waar hij, verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) zich bevond(en) en (hieropvolgend) circa 300-400 meter hebben (rond)gereden en/of

- gedurende het verblijf in voornoemde auto een (grote) hoeveelheid harddrugs (heroïne en/of cocaïne) gepakt, althans aan voornoemde [getuige 1] getoontd/laten zien

en/of

- een persoon, te weten [getuige 2], rijdend in een auto met een Belgisch kenteken, middels de alarmlichten van de auto waar hij, verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) zich bevond(en), tot stoppen bewogen en/of

- (vervolgens) voornoemde [getuige 2], rijdend in voornoemde auto met een Belgisch kenteken, (in de Franse taal) aangesproken met de vraag of die [getuige 2] drugs (heroïne) wilden kopen;

4:
hij

op of omstreeks 04 januari 2012 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening toe-eigening in/uit een woning, gelegen op/aan de [adres], heeft weggenomen geld, te weten 7500 euro, en/of vijf (5) horloges (merk Breitling en Fossil en DKNY en Guess) en/of een (grote) hoeveelheid gouden en zilveren sieraden en/of een veertien (14) flessen parfum en/of een i-phone en/of een koptelefoon (merk Beats by Dre type Solo Hd), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door:

- (meermalen) een stalen balletje (uit een fietsdynamo) tegen en/of door een ruit van voornoemde woning te gooien en/of

- vervolgens door de aldus ontstane opening voornoemde woning te betreden en/of binnen te gaan;

5:
hij

op of omstreeks 08 oktober 2011 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening toe-eigening in/uit een vitrine in een telefoonwinkel, gelegen aan de Putsebocht, heeft weggenomen 23, althans één of meer (mobiele) telefoons, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [x] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door het slot van die vitrine te forceren of open te breken;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het vervoeren en voorhanden hebben van cocaïne en heroïne en het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van de verkoop van cocaïne en heroïne. Verdovende middelen vormen een gevaar voor de volksgezondheid en leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen enkel oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.

Voorts heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van anderen.

Tot slot heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal, waarbij 23 telefoons werden weggenomen. Dit betreft een ergerlijk feit dat naast overlast doorgaans ook financiële schade voor het betreffende winkelbedrijf met zich meebrengt.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat bij de berechting in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Bovendien is de inzendtermijn van het dossier overschreden. In deze geconstateerde schendingen van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding om de op te leggen straf te verminderen. In plaats van de overwogen onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van acht maanden, zal het hof de verdachte dan ook een jeugddetentie opleggen van de hierna in het dictum te vermelden duur.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 3 september 2009 onder parketnummer 10-691131-09 is de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van drie maanden, met bevel dat een deel van die jeugddetentie, te weten 43 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2010 is de proeftijd met één jaar verlengd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Het hof constateert echter evenzeer dat voormelde voorwaardelijke (jeugd)straf reeds meer dan 8 jaar geleden aan de verdachte is opgelegd. Gezien dit extreme tijdsverloop acht het hof het niet opportuun thans nog tenuitvoerleggen van die straf te gelasten. Nu er naar het oordeel van het hof aldus geen termen aanwezig zijn voor toewijzing van die vordering, zal de vordering worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 57, 63, 77a, 77g, 77h, 77i en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Rotterdam van 5 augustus 2012, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 3 september 2009, parketnummer 10-691131-09, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 43 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, mr. J.A.C. Bartels en mr. A. Kuijer, in bijzijn van de griffier mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 november 2017.