Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3638

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
22-000956-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smokkel van een Afghaans gezin, bestaande uit een man, een zwangere vrouw en hun twee minderjarige kinderen, door hen in de laadruimte van een mini vrachtwagen te vervoeren van Calais naar Europoort (Rotterdam) met als bestemming Groot-Brittannië.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest en verklaart de in beslag genomen voorwerpen verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000956-17

Parketnummer: 10-750302-16

Datum uitspraak: 2 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Letland) op [geboortejaar] 1993,

[adres] (Groot-Brittannië).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 19 oktober 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 augustus 2016 te Europoort, gemeente Rotterdam, althans in Nederland, België en/of Frankrijk tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, 4 (vier), althans één of meer perso(o)n(en) met de Afghaanse nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door, en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of die ander (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer van zijn mededaders, althans alleen,

- bovengenoemde personen in een bestelauto, te weten een Ford Transit, vervoerd van België en/of Frankrijk naar Nederland en/of door Nederland, en/of

- een ticket aangeschaft voor de ferry (Europoort) naar Groot-Brittannië, en/of

(aldus) het verblijf in Nederland en/of het transport en de doorreis door Nederland van die bovengenoemde pers(o)n(en) georganiseerd en/of gecoördineerd en/of gefaciliteerd,

terwijl als gevolg hiervan levensgevaar voor een ander, te weten voornoemde 4 (vier), althans één of meer perso(o)n(en) met de Afghaanse nationaliteit, te duchten was.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van

18 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent het beslag als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de in beslag genomen bus en de lading autobanden verbeurd zullen worden verklaard.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewijswaardering

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotitie – bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is waaruit volgt dat de verdachte opzettelijk mensen gesmokkeld heeft.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de volgende feiten en omstandigheden op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand kunnen worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

Op 2 augustus 2016 zijn in Europoort, gemeente Rotterdam, in het midden van het laadruim van een minivrachtwagen/bestelbus met Brits kenteken [x], vier Afghaanse personen aangetroffen (een man, een zwangere vrouw en hun twee minderjarige kinderen). De laadruimte was geladen met 139 autobanden die niet gezekerd waren. De verdachte was de chauffeur van het betreffende voertuig.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt van de volgende gang van zaken.

De verdachte is op donderdag 28 juli 2016 vanuit Dover (Engeland) in Calais (Frankrijk) aangekomen en heeft hier de nacht doorgebracht. De verdachte had een retourticket Dover-Calais voor 30 juli 2016. Op vrijdag 29 juli 2016 is de verdachte vanuit Calais naar Nederland gereden. De verdachte is echter niet op 30 juli 2016 van Calais naar Engeland teruggegaan, maar heeft in plaats daarvan een ticket geboekt voor de ferry van Europoort naar Hull (Engeland). De verdachte heeft van vrijdag (29 juli 2016) tot maandag (1 augustus 2016) in Rotterdam overnacht. De verdachte is op 1 augustus 2016 naar België gereden en heeft in ieder geval in Hamme 50 autobanden gekocht. De verdachte is vervolgens naar Frankrijk gereden en heeft de nacht van 1 augustus 2016 op 2 augustus in Calais doorgebracht.

Op grond van de verklaringen van de gesmokkelden stelt het hof vast dat zij op 2 augustus 2016 te Calais het voertuig van de verdachte in zijn gegaan.

De verdachte is op 2 augustus 2016 vanuit Calais naar Rotterdam gereden.

De verdachte heeft verklaard dat hij op twee adressen banden heeft gekocht. Van het eerste bedrijf waar hij in België autobanden zou hebben gekocht weet de verdachte het adres niet meer en er is geen aankoopbon van die autobanden aangetroffen. Het andere bedrijf waar de verdachte banden heeft gekocht, was gevestigd in Hamme (België). Uit de verklaring van de verdachte en een proces-verbaal van bevindingen (p. 137) volgt dat de verdachte zelf, samen met de autohandelaar, op 1 augustus 2016 de autobanden in Hamme in zijn voertuig heeft geladen. Volgens de autohandelaar pasten de gekochte 50 banden er nog net bij, omdat de laadruimte al vol lag met andere autobanden. Verbalisanten hebben echter geconstateerd dat er op 2 augustus 2016 in de laadruimte, achter twee lagen gevlochten autobanden, een door autobanden omringde verborgen ruimte was waar het Afghaanse gezin is aangetroffen. De verdachte kan niet verklaren hoe het kan dat een dergelijke open ruimte is aangetroffen, terwijl de laadruimte op 1 augustus 2016 nog volledig gevuld was met autobanden.

Hierbij is tevens van belang dat de verdachte heeft verklaard dat hij het voertuig op 1 augustus 2016 had afgesloten. Slechts het rolluik kon eventueel van buiten handmatig zonder sleutel worden geopend, maar dat gold niet voor de laadklep die zich voor het rolluik bevond. Deze laadklep heeft een hoogte van 180 centimeter vanaf de grond gemeten.

In de visie van de verdachte zou het Afghaanse gezin zelf, terwijl de laadklep omhoog was, in de wagen geklommen zijn en de banden verplaatst hebben om de verborgen ruimte te creëren. Dit zou betekenen dat het gezin vervolgens, toen het zich in deze verborgen ruimte bevond, de banden weer op de zelfde gevlochten wijze zou hebben moeten terugleggen. Naar het oordeel van het hof is deze gang van zaken niet aannemelijk geworden.

Verder is relevant dat het rolluik niet van binnenuit kon worden geopend, zodat de gesmokkelden het laadruim niet zelf konden verlaten. De getuige [gesmokkelde], één van de gesmokkelden, heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat ze moesten kloppen als ze in Engeland zouden zijn aangekomen.

Op de vloer van de laadruimte is zowel aan de linkerachterzijde als de rechterachterzijde een gat met een diameter van 2 centimeter aangetroffen. Deze gaten stonden in directe verbinding met de open lucht.

Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat hij vanuit Calais naar Europoort de vier Afghaanse personen heeft vervoerd. Dat de gesmokkelden hebben verklaard dat zij de verdachte niet hebben gezien, doet aan het vorenstaande niet af.

Het hof heeft in dit oordeel ook betrokken dat de door de verdediging gegeven alternatieve verklaring voor de reis van de verdachte naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden omdat de reis voor legale commerciële doeleinden onlogisch en te kostbaar is. Het hof wijst in dat verband op het proces-verbaal van 16 augustus 2016 waarin de conclusie wordt getrokken dat de reis verlies op zou leveren (p. 108 en 109).

Winstbejag

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 197a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van winstbejag kan worden gesproken “indien het handelen van de dader is ingegeven door een gerichtheid op verrijking, waarbij het niet

noodzakelijk behoeft te gaan om een op geld waardeerbaar voordeel, en evenmin bepalend is of het beoogde voordeel ook daadwerkelijk werd behaald. Voldoende is dat blijkt dat de dader op de bedoelde verrijking uit is geweest” (HR 13 november 2012, NJ2012, 672, LJN:BX5419). De term ‘winstbejag’ strekt er slechts toe om handelen met zuiver ideële motieven uit de werkingssfeer van artikel 197a tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht te houden.

Getuige [gesmokkelde] heeft verklaard (p. 72) dat voor de reis is betaald aan de smokkelaar en dat hij heeft begrepen dat de smokkelaar verschillende handlangers heeft in Calais. De verdachte maakt als transporteur deel uit van een keten in dit geheel. Van ideële motieven aan de zijde van de verdachte is niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het handelen van de verdachte erop was gericht om zichzelf te verrijken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 2 augustus 2016 te Europoort, gemeente Rotterdam, althans in Nederland, België en/of Frankrijk tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, 4 (vier), althans één of meer perso(o)n(en) met de Afghaanse nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door, en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of die ander (telkens) daartoe gelegenheid, en middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was waren,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer van zijn mededaders, althans alleen,

- bovengenoemde personen in een bestelauto, te weten een Ford Transit, vervoerd van België en/of Frankrijk naar Nederland en/of door Nederland, en/of

- een ticket aangeschaft voor de ferry (Europoort) naar Groot-Brittannië, en/of

(aldus) het verblijf in Nederland en/of het transport en de doorreis door Nederland van die bovengenoemde pers(o)n(en) georganiseerd en/of gecoördineerd en/of gefaciliteerd,

terwijl als gevolg hiervan levensgevaar voor een ander, te weten voornoemde 4 (vier), althans één of meer perso(o)n(en) met de Afghaanse nationaliteit, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mensensmokkel, meermalen gepleegd

en

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smokkel van een Afghaans gezin, bestaande uit een man, een zwangere vrouw en hun twee minderjarige kinderen, door hen in de laadruimte van een mini vrachtwagen te vervoeren van Calais naar Europoort (Rotterdam) met als bestemming Groot-Brittannië. Mensensmokkel doorkruist het overheidsbeleid aangaande bestrijding van wederrechtelijke doorreis door Nederland en draagt bij aan het in stand houden van een illegaal circuit dat allerhande maatschappelijke ongewenste effecten met zich brengt. De personen zijn bovendien vervoerd onder gevaarlijke omstandigheden die grote risico’s voor het gezin hebben meegebracht, namelijk tussen opgestapelde en niet gezekerde autobanden en zonder enige veiligheidsvoorziening.

Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat niet anders gereageerd kan worden dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Het hof heeft in het voordeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een bestelauto FORD Transit, kenteken [x], en de lading, bestaande uit tweedehands autobanden, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan. Het hof zal daarom deze voorwerpen verbeurd verklaren. Met betrekking tot de autobanden wordt nog opgemerkt dat deze zijn gebruikt om de aanwezigheid van de gesmokkelden te verhullen.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de waarde van de goederen en met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 56, 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een bestelauto FORD Transit, kenteken [x];

  • -

    de lading van de bestelauto, bestaande uit tweedehands autobanden.

Dit arrest is gewezen door mr. S.A.J. van 't Hul,

mr. H.J.M. Smid-Verhage en mr. R.J. de Bruijn, in bijzijn van de griffier mr. S. Rommen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 november 2017.

mr. S.A.J. van ’t Hul is buiten staat dit arrest te ondertekenen.