Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3587

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
BK-17/00297
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:22, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van heffingsrente over het door hem terug te ontvangen bedrag. Voorts is in geschil of de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar ten onrechte heeft beslist op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van invorderingsrente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/3015
V-N 2018/7.18.2
Viditax (FutD), 20-12-2017
FutD 2018-0046
FutD 2018-0047
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-17/00297

Uitspraak d.d. 5 september 2017

in het geding tussen:

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: Rechtbank) van 30 december 2016, nummer SGR 16/4485 betreffende de onder 1.1. vermelde beschikkingen.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.234. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 809 aan heffingsrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking heffingsrente).

1.2.

De Inspecteur heeft de aanslag bij beschikking verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.524. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de beschikking heffingsrente en zijn verzoek om vergoeding van invorderingsrente afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor wat betreft de aanspraak op heffingsrente en niet-ontvankelijk verklaard voor wat betreft de aanspraak op invorderingsrente.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 juli 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende heeft op 17 juli 2012 voor het jaar 2010 aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) gedaan. In de aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.234 vermeld.

3.2.

Met dagtekening 9 augustus 2012 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 opgelegd. De aanslag is conform de door belanghebbende ingediende aangifte. De verschuldigde IB/PVV is daarbij vastgesteld op € 19.858. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heffingsrente is een bedrag van € 809 aan heffingsrente in rekening gebracht.

3.3.

Naar aanleiding van een bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.524 (hierna: de verminderingsbeschikking). De verschuldigde IB/PVV is daarbij vastgesteld op € 9.073. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot € 352. Beide beschikkingen zijn gedagtekend 20 januari 2016.

3.4.

Bij beschikking met dagtekening 12 april 2017 heeft de Ontvanger beslist op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van invorderingsrente. De aan belanghebbende te vergoeden invorderingsrente is daarbij vastgesteld op € 943.

3.5.

Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende ingebracht informatieblad heffingsrente dat afkomstig is van de Belastingdienst. In dit informatieblad staat onder meer vermeld:

"(…)

Wat is heffingsrente?

Heffingsrente is een vergoeding van gemiste rente. Dit werkt twee kanten op. Als de Belastingdienst geld van u tegoed heeft, dan moet u daar rente over betalen. Hebt u geld tegoed van de Belastingdienst, dan betalen wij u daar rente over. (…)

Als u een voorlopige aanslag hebt gekregen die moet worden verminderd, krijgt u over die vermindering geen heffingsrente vergoed. Als de vermindering wordt toegepast na 1 januari volgend op het betreffende belastingjaar, vergoeden wij veelal wel de invorderingsrente.

Wanneer ontvang ik heffingsrente

U ontvangt rente over het bedrag dat u te veel betaalde.

Voorbeeld

Bij uw inkomen hoort een bedrag van € 1.500 aan belasting en premie. Uw werkgever hield € 2.000 op uw loon in, dat was € 500 te veel. U krijgt een teruggaaf van € 500. U ontvangt rente over € 500.

(…)"

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van heffingsrente over het door hem terug te ontvangen bedrag. Voorts is in geschil of de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar ten onrechte heeft beslist op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van invorderingsrente. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De Inspecteur beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de beschikking heffingsrente.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen:

Beoordeling van het geschil

7. De rechtbank stelt vast dat de in geschil zijnde aanslag, na ambtshalve vermindering, een positief belastbaar bedrag bedraagt.

8. De rechtbank is met [de Inspecteur] van oordeel dat in deze situatie [belanghebbende] geen rechten kan ontlenen aan de door hem aangehaalde artikelen van de Awr, omdat die bepalingen betrekking hebben op andere situaties dan die van [belanghebbende].

9. Ingevolge artikel 30h, eerste lid, van de Awr (wettekst 2010) van de wettekst wordt heffingsrente in rekening gebracht over het positieve bedrag van een belastingaanslag. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat in geval van een vermindering van een positieve aanslag - en dat betreft de situatie van [belanghebbende] – dan de in rekening gebrachte heffingsrente wordt verlaagd.

10. In overeenstemming met het voorgaande heeft [de Inspecteur] de eerder in rekening gebrachte heffingsrente verlaagd.

11. Voor een uitbetaling van heffingsrente, zoals door [belanghebbende] beoogd, bestaat wettelijk geen grond. Dat deze uitkomst veelal, ook in de vakliteratuur, wordt bekritiseerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

12. Ten aanzien van het verzoek voor een vergoeding van invorderingsrente over de teveel betaalde IB/PVV, zoals geregeld in artikel 28, vierde lid, van de Invorderingswet (wettekst 2010) stelt de rechtbank vast dat [belanghebbende] geen verzoek heeft ingediend bij de ontvanger voor het vergoeden van invorderingsrente. [Belanghebbende] heeft voor het eerst als subsidiair standpunt in bezwaar verzocht om een vergoeding van invorderingsrente. Op grond van artikel 26 van de Awr kan in afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking betreft. Het beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. De omstandigheid dat [de Inspecteur] in het verweerschrift en ter zitting inhoudelijk op dit standpunt van [belanghebbende] is ingegaan maakt dit niet anders, in het bijzonder niet nu de bevoegdheid voor het al dan niet verstrekken van een vergoeding van invorderingsrente niet bij [de Inspecteur] maar bij de ontvanger ligt. (…)"

Beoordeling van het hoger beroep

Invorderingsrente

7.1.1.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende de hoger beroepsgrond inhoudende dat aan hem een vergoeding van invorderingsrente dient te worden toegekend ingetrokken omdat de Ontvanger hangende het hoger beroep heeft besloten hem op dit punt volledig tegenmoet te komen.

Heffingsrente

7.2.1.

Vooropgesteld zij dat hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelasting (hierna: Awr), zoals dat hoofdstuk luidde op 31 december 2012 onder meer van toepassing is met betrekking tot belastingaanslagen inkomstenbelasting die betrekking hebben op tijdvakken die zijn geëindigd vóór 1 januari 2012 (Stb. 2011, 639). De onderhavige aanslag ziet op het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 januari 2010. De beantwoording van de in geschil zijnde vraag dient derhalve te geschieden aan de hand van de op 31 december 2012 geldende bepalingen inzake heffingsrente.

7.2.2.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van het bepaalde in artikel 30f Awr in verbinding met artikel 30g Awr recht heeft op vergoeding van heffingsrente over het door hem te ontvangen bedrag van € 11.242. Het Hof volgt belanghebbende niet in dit standpunt en overweegt daartoe het volgende.

7.2.3.

Op grond van artikel 30g, eerste lid, Awr wordt heffingsrente vergoed over het negatieve bedrag van de voorlopige aanslag, over het negatieve bedrag van de aanslag, alsmede over het bedrag van de teruggaaf. Voorts wordt ingevolge het tweede lid van voormelde bepaling heffingsrente vergoed ingeval een negatieve aanslag wordt verminderd en ingeval een positieve aanslag wordt verminderd tot een negatieve aanslag. Voor de toepassing van de onderhavige regeling geldt als het bedrag van de aanslag het bedrag van de aanslag dat resulteert na verrekening van voorlopige aanslagen en voorheffingen en na verrekening ingevolge verliesverrekening in de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting (artikel 30f, vierde lid, Awr).

7.2.4.

Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Uit hetgeen in 7.2.3 is overwogen, volgt dat ingeval een aanslag is opgelegd slechts heffingsrente wordt vergoed indien die aanslag een negatief bedrag beloopt. De aan belanghebbende opgelegde aanslag beloopt na vermindering bij beschikking (zie onder 3.3):

Verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen € 9.073

Voorheffingen € 0

Voorlopige aanslag € 782 -/- Bedrag van de aanslag € 8.291

Nu de aanslag een positief bedrag beloopt, heeft belanghebbende geen recht op vergoeding van heffingsrente.

7.2.5.

Voor zover belanghebbende het standpunt inneemt dat hem heffingsrente moet worden vergoed omdat het door hem volgens de verminderingsbeschikking te ontvangen bedrag een teruggaaf in de zin van artikel 30g, eerste lid, Awr is, faalt dit standpunt evenzeer. Onder een teruggaaf in de zin van deze bepaling moet worden verstaan een teruggaaf van belasting vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting minder beloopt dan die welke is aangegeven (art. 30f, tweede lid, aanhef, onderdeel b, Awr). Het betreft hier – volgens artikel 30f, tweede lid, aanhef, Awr – de verschuldigdheid van belastingen die worden geheven bij van wege van voldoening of afdracht op aangifte. De inkomstenbelasting vormt niet een zodanige belasting. Het door belanghebbende ontvangen bedrag is daarom geen teruggaaf in de zin van artikel 30g Awr.

7.3.1.

Belanghebbende heeft zich ten slotte onder verwijzing naar het in 3.5 aangehaalde informatieblad beroepen op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep heeft belanghebbende onderbouwd met het argument dat hij aan (de inhoud van) het informatieblad het vertrouwen heeft ontleend dat over te veel betaalde bedragen aan de Belastingdienst heffingsrente wordt vergoed.

7.3.2.

In zijn arrest van 3 januari 1990, nr. 26 325, ECLI:NL:HR:1990:ZC4191, BNB 1990/148 heeft de Hoge Raad beslist dat niet voor elke uitlating van de belastingadministratie, waardoor bij een belastingplichtige vertrouwen is gewekt ten aanzien van een door de belastingadministratie te volgen wetstoepassing, een juiste toepassing van de wet moet wijken. Voor het antwoord op de vraag of zulks het geval is, dient het beginsel dat de wet moet worden toegepast te worden afgewogen tegen het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat de administratie verwachtingen honoreert welke zij bij een belastingplichtige ten aanzien van een door haar te volgen gedragslijn heeft gewekt en waarop die belastingplichtige zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen. Wanneer het gaat om uitlatingen waarin slechts algemene voorlichting wordt gegeven, wordt de belastingadministratie in de regel niet door onjuistheden of onvolledigheden in de voorlichting gebonden. Voor afwijking van deze regel is slechts plaats ingeval de belastingplichtige de onjuistheid niet had behoeven te beseffen en tevens wordt geconfronteerd met het feit dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen maar daarenboven schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten.

7.3.3.

In het midden kan blijven of het informatieblad een onjuistheid bevat. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende naast de wettelijk verschuldigde belasting en heffingsrente, schade heeft geleden doordat hij, afgaande de inhoud van het informatieblad, enige handeling heeft verricht of nagelaten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt mitsdien verworpen.

De beslissing van de Inspecteur op het verzoek om vergoeding van invorderingsrente

7.4.1.

Niet langer in geschil is dat de Inspecteur niet bevoegd was te beslissen op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van invorderingsrente. Het Hof sluit zich aan bij dit gezamenlijke, naar zijn oordeel juiste, standpunt van partijen. De Inspecteur had, gelet op artikel 6:15 Awb, het bezwaarschrift moeten doorgeleiden naar het daartoe wel bevoegde bestuursorgaan, de Ontvanger. De Inspecteur heeft dit nagelaten en in plaats daarvan het verzoek in de uitspraak op bezwaar afgewezen. De Rechtbank had het beroep, voor zover het gericht was tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van invorderingsrente, gegrond dienen te verklaren, de uitspraak op bezwaar in zoverre dienen te vernietigen en, doende wat de Inspecteur had behoren te doen, het verzoek om vergoeding van invorderingsrente dienen door te zenden aan de Ontvanger. Aangezien de Rechtbank in plaats daarvan het beroep, voor zover dat de afwijzing van het verzoek om vergoeding van invorderingsrente betreft, niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft belanghebbende tegen die beslissing terecht hoger beroep ingesteld.

7.4.2

Daaraan doet niet af dat belanghebbende de hoger beroepsgrond inhoudende dat aan hem een vergoeding van invorderingsrente dient te worden toegekend, heeft ingetrokken omdat de Ontvanger alsnog, hangende het hoger beroep, op het verzoek om vergoeding van invorderingsrente heeft beslist en daarbij volledig aan belanghebbende is tegemoet gekomen. Wel vindt het Hof hierin aanleiding af te zien van doorzending van het verzoek om vergoeding van invorderingsrente aan de Ontvanger.

Slotsom

7.5

Gelet op het overwogene onder 7.4.1 en 7.4.2 dient het hoger beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Aan de voorwaarden voor toewijzing van het verzoek van belanghebbende om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb is voldaan. Het Hof stelt het bedrag van de te vergoeden proceskosten, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op € 2.226 (1 punt voor het bezwaarschrift en een bedrag per punt van € 246, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Rechtbank, 1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof en een bedrag van € 495 per punt alsmede een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van invorderingsrente,

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar, doch uitsluitend voor zover daarin is beslist op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van invorderingsrente,

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.226, en

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 170 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier drs. N. El Allaoui. De beslissing is op 5 september 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.