Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3566

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
22-005121-16
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1484, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 157 Sr. De eendaadse samenloop van opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. De verdachte heeft opzettelijk een (gas)ontploffing in zijn flat teweeg gebracht, waarna brand is ontstaan. Alternatief scenario niet aannemelijk geworden. Gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005121-16

Parketnummer: 10-660601-15

Datum uitspraak: 12 december 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

thans gedetineerd in [naam PI]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 30 mei 2017 en 28 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 december 2015 te Rotterdam, in een woning/pand gelegen aan de [straatnaam], opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht immers heeft verdachte toen aldaar

- de gasslang van het aansluitpunt van het gasfornuis gedemonteerd en/of de gaskraan geopend,

- op een of meer plek(ken) ontbrandbare vloeistoffen (te weten gas en/of een aardoliedestillaat van subklasse kookpuntbenzine en/of een paraffinisch-isoparafinisch product) opzettelijk in aanraking gebracht met (open) vuur, en/of

- de in de woning aanwezige (ontbrandbare) gassen en/of dampen opzettelijk in aanraking gebracht met (een) andere in de woning aanwezige ontstekingsbron(nen)

in ieder geval opzettelijk (open) vuur en/of een andere ontstekingsbron in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan een ontploffing en/of brand is ontstaan en/of die woning geheel of gedeeltelijk is ontploft en/of verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van

4 jaar met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat het hof in zoverre opnieuw rechtdoende aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf van 6 jaar, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde – op grond van de stukken in het dossier - wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitaantekeningen - op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu zowel het bewijs ontbreekt dat verdachte verantwoordelijk zou zijn voor de brand in zijn woning als voor enige (opzettelijke) betrokkenheid bij het veroorzaken van een, aan de brand voorafgaande, (gas)explosie.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.

Op 10 december 2015, omstreeks 04.56 uur, vond er een ontploffing c.q. explosie en brand plaats in een flatcomplex gelegen aan de [straatnaam] te Rotterdam. Het pand is eigendom van [naam verhuurder]. De flatwoning waar de brand had gewoed werd gehuurd door de verdachte van [naam verhuurder].1 Op 10 december 2015 werd in en om die flatwoning van verdachte, [straatnaam], een onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de explosie en brand.2

Tijdens het ingestelde onderzoek in de flatwoning, werd op drie locaties de indicatie verkregen van vermoedelijke aanwezigheid van een ontbrandbare vloeistof. De woning was als gevolg van de inwerking van een explosie en brand zwaar beschadigd. Aan de zijde van de [straatnaam] was de gemetselde spouwmuur met gevelelementen naar buiten gedrukt en versplinterd. Ten gevolge van het naar buiten drukken van de spouwmuur met gevelelementen raakten twee geparkeerd staande motorvoertuigen beschadigd.3 Op het trottoir onder de woning lagen de vernielde gevelelementen en delen van de gemetselde spouwmuur. Het glas van de ramen lag verspreid over het trottoir en een deel van de rijbaan.4

De brand betrof een uitslaande brand die in de flatwoning zeer zware schade had veroorzaakt en zich had uitgebreid naar de gevelelementen van de boven gelegen woningen.

De [straatnaam] betreft een voor het openbaar verkeer openstaande weg, gelegen binnen de bebouwde kom in de wijk Crooswijk. Het flatcomplex betrof een complex van vijf woonlagen. De woning van verdachte was gelegen op de tweede woonlaag van het flatcomplex.5

In de keuken van de woning stond een vierpits gasfornuis.6 Achter het gasfornuis bevond zich aan de wand een gedemonteerde gasleiding.7 De schroefdraad van het gasaansluitpunt was intact en niet beschadigd. Aan/op het gasaansluitpunt bevonden zich brandresten. Gezien de bevindingen van deze aangetroffen situatie heeft er vóór dan wel tijdens het ontstaan van de brand niets aan dit gasaansluitpunt gemonteerd gezeten.8 Na onderzoek werd achter en tussen het vierpits gasfornuis en de wand, op de vloer, een muurplaat met gaskraan voorzien van een moeraansluiting van een flexibele gasslang aangetroffen.9

Het gasaansluitpunt van het vierpits gasfornuis was aan en tussen de schroefdraad vervuild met brandresten. Deze vervuiling kan alleen zijn ontstaan als er tijdens de brand niets aan het gasaansluitpunt gemonteerd heeft gezeten. De schroefdraad was niet beschadigd. Het is volgens de verbalisanten die het brandoorzaak onderzoek hebben verricht daarom niet aannemelijk dat ten gevolge van de inwerking van de brand een gemonteerde schroefverbinding, zoals een moeraansluiting van een flexibele gasslang, zou zijn losgeraakt.10

De gaskraan was voorzien van een kogelafsluiter. Uit onderzoek bleek dat de kogelafsluiter open stond, waardoor het gas door de gaskraan naar buiten kan stromen.11

In de woning van verdachte heeft een gasexplosie plaatsgevonden en een brand gewoed. Tijdens het onderzoek in de woning werd op drie locaties de indicatie verkregen van de aanwezigheid van een ontbrandbare vloeistof. Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut heeft uitgewezen dat in minimaal twee brandmonsters de aanwezigheid is aangetoond van een aardoliedestillaat van subklasse kookpuntbenzine en een paraffinisch-isoparaffinisch product.12 Getuige [naam getuige]heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij ongeveer één maand voor de brand twee blikjes traplijmremover aan de verdachte heeft gegeven.13 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij twee blikjes traplijmremover van [naam getuige] heeft gekregen.14 Uit de bijlage van het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijk dat lijmverwijderaar een ontbrandbare vloeistof is die behoort tot de klasse van isoparaffinisch producten.15

Nu op twee afzonderlijke plaatsen een ontbrandbare vloeistof is aangetroffen en de gasslang is losgekoppeld – wat alleen door menselijk handelen kan zijn gegaan – concludeert het hof dat opzettelijk brand is gesticht in de woning van verdachte. Ten gevolge van de explosie en de brand is er gemeen gevaar voor personen en goederen ontstaan en te duchten geweest, nu ten gevolge van de vallende gevelelementen naast het trottoir geparkeerd staande motorvoertuigen zijn beschadigd, de brand in de nachtelijke uren (omstreeks 04.56 uur) is ontstaan in een flatwoning waarbij enige bewoners van de belendende woningen naar buiten zijn gevlucht en die belendende woningen na ontdekking van de brand moesten worden ontruimd in verband met de gevaarzetting.

Volgens de verbalisanten die het brandonderzoek hebben verricht is het meest aannemelijke scenario dat de gasslang van het gastoestel is gedemonteerd en dat in de woning een ontbrandbare vloeistof is gebracht. De echte ontstekingsbron is tijdens het onderzoek niet vastgesteld, maar deze zou kunnen zijn statische elektriciteit of het aanslaan van de compressor van een koelkast. Die vonk heeft vervolgens de op enig moment in zijn ideale mengverhouding van gas en lucht doen ontsteken.16

Uit de aangifte die is gedaan namens [naam verhuurder] blijkt dat de woning van de verdachte door de brand is beschadigd en dat er ook schade is ontstaan aan aangrenzende woningen. Voorts blijkt uit deze aangifte dat [naam verhuurder] al langere tijd een verschil van mening heeft met de verdachte waarover meerdere rechtszaken zijn gevoerd, waarbij [naam verhuurder] telkens in het gelijk is gesteld. Door de kantonrechter is de huurovereenkomst tussen de verdachte en [naam verhuurder] ontbonden en de ontruiming van woning van de verdachte is hem aangezegd voor 10 december 2015.

De verdachte heeft zich volgens de aangever via brieven en zijn website voorafgaand aan 10 december 2015 bedreigend geuit naar [naam verhuurder] wat er op neer kwam dat [naam verhuurder] – in de ogen van de verdachte – een ambtsmisdrijf had gepleegd en dat hij (verdachte) deze ‘oorlogshandelingen’ zal beantwoorden met een tegenactie waarbij [naam verhuurder] moest denken aan het vernietigen van de ‘kastelen’ van [naam verhuurder]. Hierbij heeft de verdachte niet uitgesloten dat er slachtoffers zullen vallen als gevolg van deze ‘oorlog’. Op de dag van de ontruiming heeft in de vroege ochtend vervolgens de ontploffing plaatsgevonden in de woning van verdachte.17

[naam aangeefster] heeft aangifte gedaan van de vernieling van haar woning en de inboedel, ten gevolge van de explosie en de uitslaande brand in de woning aan de [straatnaam], op 10 december. De woning van verdachte is schuin onder haar eigen woning gelegen. De explosie was enorm en werd gevolgd door een uitslaande brand. Zij is toen midden in de nacht met haar kinderen het huis uit gevlucht. Door de brand en de explosie heeft zij een scheur in de muur van haar woning van ongeveer 250 centimeter lang. Tevens is er rookschade ontstaan aan haar gordijnen, bank en het tapijt.18

[naam aangeefster 2]heeft aangifte gedaan van vernieling van haar auto. Deze auto stond op 10 december 2015 geparkeerd aan de [straatnaam] te Rotterdam. Zij was in haar woning met haar moeder, die in paniek en huilend naar haar toe kwam en zei dat zij een harde klap had gehoord en een grote vuurbal had gezien. [naam aangeefster 2]is hierop direct naar buiten gelopen, daar zag zij dat op het trottoir voor haar geparkeerde auto een grote stapel puin lag, bestaande uit stenen, houten balken en glasscherven. De auto was hierdoor beschadigd.19

Uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [Verbalisant X] blijk dat de bewoners van het flatcomplex waarin de woning van de verdachte zich bevond, zeer geschrokken zijn door de explosie en de brand. Zo heeft [naam bewoonster] – woont in de woning onder die van de verdachte - verklaard dat zij lag te slapen en wakker werd van de explosie. Toen zij vervolgens opstond en zag dat er brand was boven haar, is zij naar buiten gevlucht. Een andere bewoner van het flatcomplex, [naam bewoonster], werd samen met zijn vrouw ook wakker van een harde knal. Toen hij naar buiten keek zag hij de vlammen voor zijn ramen waarop hij snel met zijn vrouw en zoontje naar buiten is gevlucht uit angst voor de brand. Ook de flatbewoners [namen flatbewoners] zijn wakker geworden van de explosie en daarop – na het zien van de brand – direct naar buiten gevlucht.20

De verdachte heeft verklaard dat hij een executiebevel had ontvangen waarin stond dat op 10 december 2015 om 11.30 uur zijn woning ontruimd zou worden. Op 9 december 2015 rond 12.00 uur heeft hij een e-mailbericht ontvangen van [naam] dat [naam verhuurder] en de deurwaarder de ontruiming door zouden zetten. Hij heeft vervolgens niet zitten wachten totdat zijn woning ontruimd zou worden, maar is naar de woning van een vriend van hem – [naam vriend]– gelegen aan [adres vriend] te Rotterdam gegaan. Deze vriend was op dat moment in Nigeria en de verdachte mocht bij diens afwezigheid in diens woning verblijven. De verdachte heeft [namen getuigen] gevraagd hem te helpen met verhuizen van zijn kostbare spullen. Vervolgens hebben zij de waardevolle spullen van de verdachte verhuisd naar de schuur van de woning aan de [adres vriend]in Rotterdam.21

Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij op 9 december 2015 omstreeks 15.00 uur werd gebeld door de verdachte met de vraag of hij hem wilde helpen met verhuizen omdat hij uit zijn huis gezet zou gaan worden. Dit heeft [naam getuige] vervolgens ook gedaan en rond 23.00 uur is hij weer naar zijn eigen huis gegaan. De verdachte en [naam getuige 2] bleven toen achter in de woning van de verdachte.

[Naam getuige] heeft verklaard dat hij de verdachte op diens verzoek op 9 december 2015 heeft geholpen met verhuizen omdat de verdachte op 10 december 2015 uit zijn woning gezet zou worden. [naam getuige] is op 10 december 2015 omstreeks 01.35 uur uit de woning van de verdachte weggegaan, de verdachte bleef toen alleen in zijn woning achter.22

Naar eigen zeggen heeft de verdachte als laatste zijn woning in de nacht van 10 december 2015 tussen half 2 en 2 uur verlaten om naar de woning aan [adres vriend] te gaan om daar te gaan slapen.23

Een medebewoner van het flatcomplex aan de [straatnaam], [naam getuige], heeft bij de politie en bij de raadsheer-commissaris verklaard dat de verdachte meermalen tegen hem heeft gezegd dat hij (verdachte) de woning in de fik zou steken als hij uit er gezet zou worden.24

Deze verklaringen van [naam getuige] vinden naar het oordeel van het hof steun in de (de-auditu) verklaringen van andere buurtbewoners.25

Voorts heeft de verdachte zelf tegenover de politie verklaard dat hij in oorlog is met [naam verhuurder] . Dat [naam verhuurder] een leger, de deurwaarder, opdracht heeft gegeven om hem aan te vallen en dat hij zelf zijn leger nog geen opdracht had gegeven om iets te doen. Ook heeft hij verklaard dat als [naam verhuurder] gewoon doorgaat, hij zijn leger opdracht zou geven. Dan moest gedacht worden aan het vernietigen van de kastelen. Voorts heeft de verdachte desgevraagd aangegeven dat hij niet onterecht vast zit en daartoe verklaard dat je maar hoeft te lezen wat hij geschreven heeft, dat er kastelen vernietigd zullen worden en dat het leger dit uit zal voeren. Op de vraag van de verbalisanten of kastelen vernietigd zijn antwoordt de verdachte dat als your home your castle is, dan kan je wel zeggen dat er een castle vernietigd is.26

Tegenover verbalisant [Verbalisant Y] heeft de verdachte op de vraag of hij op 10 december gekke dingen ging doen geantwoord: “Wat [naam verhuurder] doet, dat noem ik gekke dingen. Ze komen aan mijn kasteel. Dat is oorlog. Dat is een wapenfeit! Natuurlijk zal ik mij verdedigen”.27

Op grond van de voorgenoemde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – stelt het hof allereerst vast dat de verdachte op 10 december 2015 de laatste persoon is geweest die de flatwoning op [straatnaam] heeft verlaten. Gelet op de omstandigheid dat de losgekoppelde gasslang en geopende gaskraan het gevolg van menselijk handelen zijn, is het hof van oordeel dat het de verdachte is geweest die op

10 december 2015 die gasslang van het aansluitpunt van het gasfornuis gedemonteerd heeft en de gaskraan heeft geopend. Hij was immers als laatste in de woning aanwezig. Uit het onderzoek ter terechtzitting is geen enkele aanwijzing naar voren gekomen dat een ander dit gedaan zou kunnen hebben. Omdat de gaskraan geopend was stroomde het gas vrijelijk de woning in. Tevens is het hof van oordeel dat het de verdachte is geweest die op twee plekken in zijn woning ontbrandbare stoffen heeft achtergelaten.

Het hof overweegt dat daardoor het gevaar van het teweegbrengen van een ontploffing en brandstichting naar algemene ervaringsregels – gelet op het vrijelijk stromende gas en de op twee plaatsen in de woning staande ontbrandbare stoffen - in dit geval voorzienbaar was. De kans op het vervolgens ontstaan van brand en daarmee gevaar voor goederen en personen is naar het oordeel van het hof in dit geval naar algemene ervaringsregels derhalve ook aanmerkelijk te achten. Derhalve had de verdachte wetenschap van die kans en hij heeft die kans ten tijde van zijn gedragingen bewust aanvaard, nu hij zijn woning in voornoemde staat achter heeft gelaten. Op grond van de hierboven genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien oordeelt het hof dat er sprake is van opzet op de brandstichting en het teweeg brengen van een explosie.

Dat de ontstekingsbron uit het Brandoorzaak onderzoek niet concreet is vast te stellen doet daar niet aan af, zodat het hof dat in het midden moet laten.

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in de nabijheid van de woning van de verdachte bevindende personen te duchten was.

Nu er voorts geen enkel aanknopingspunt is dat er iemand anders dan de verdachte betrokken is bij de brandstichting is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verweren

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte – overeenkomstig zijn pleitaantekeningen, verkort en zakelijk weergegeven – de volgende verweren gevoerd.

Allereerst heeft de raadsman gesteld dat het brandoorzaak onderzoek niet de conclusie kan dragen dat er een gasexplosie is geweest. Ter onderbouwing hiervan voert de raadsman eerst aan dat niets erop wijst dat er langere tijd een grote hoeveelheid gas de woning van verdachte in stroomde, omdat niet in kaart is gebracht, bijvoorbeeld door het controleren van de meterstanden, wat het gasverbruik is geweest.

Het hof overweegt hieromtrent dat uit de verklaring van forensisch onderzoeker [naam] bij de rechter-commissaris blijkt dat de meterstanden niet genoteerd zijn omdat daar geen aanleiding toe was en dit eigenlijk nooit gedaan wordt. Dat gas de woning instroomt staat vast.

Voorts heeft de raadsman ter onderbouwing van het zijn stelling aangevoerd dat gebruik is gemaakt van de MiniRae 2000 en dat uit de rapporten niet blijkt dat er restanten van methaan gevonden zijn in de woning, terwijl dit wel het geval had moeten zijn bij een explosie.

Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat het verweer blijkbaar niet ziet op de deugdelijkheid van het onderzoek dat (wel) is gedaan. De stelling dat bij een explosie en brand restanten van methaan te vinden zouden moeten zijn is door de verdediging niet nader onderbouwd. Voor zover van belang had het dus op de weg van de verdediging gelegen hier nader onderzoek naar te laten doen. Bij de wisseling van raadsman in september 2017 – dat wil zeggen na de regiezitting waarbij de verdachte door een andere raadsman is bijgestaan - is geen nader onderzoek voor zover dat technisch nog mogelijk zou zijn verzocht, terwijl het hof die mogelijkheid heeft geboden.

Dat geen sprake is geweest van een gasexplosie onderbouwt de verdediging voorts door te stellen – en ter terechtzitting in hoger beroep te demonstreren - dat het onmogelijk is om de gasslang, met enerzijds het haakse verbindingsstuk daar nog aan, terwijl deze anderzijds ook nog bevestigd was aan de gaskraan, los te draaien van de gasverbinding van het gastoestel, omdat de gasslang niet de ruimte/flexibiliteit biedt die nodig is om een dergelijk aantal draaien om zijn as te maken. Daartoe is gebruik gemaakt van de ter terechtzitting aanwezige stukken van overtuiging, te weten de gaskraan en het koppelstuk als genoemd in het Brandoorzaak onderzoek alsmede van een door de raadsman meegebrachte (nieuwe) gasslang met koppelstukken.

Het hof volgt de verdediging niet in deze stelling, reeds nu hetgeen aan handelingen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is getoond, is gedemonstreerd met een gasslang met koppelstukken die niet identiek zijn aan de vergelijkbare stukken afkomstig uit de woning waarover in het Brandoorzaak onderzoek is gerapporteerd.

Het hof verwerpt derhalve het eerste verweer van de raadsman.

Voorts heeft de raadsman een alternatief scenario voor de oorzaak van de brand bepleit, namelijk dat mogelijkerwijs door een derde een vuurwerk-brandbom door een openstaand raam van de woning naar binnen is gegooid.

Het hof overweegt hieromtrent dat naar vaste jurisprudentie bij een alternatief scenario minst genomen feiten of omstandigheden moeten worden aangevoerd die een begin van aannemelijkheid van de gestelde alternatieve oorzaak kunnen vormen. Hetgeen door de verdediging daartoe naar voren is gebracht biedt naar het oordeel van het hof daarvoor geen aanknopingspunt. Het hof is van oordeel dat de gestelde oorzaak van de brand/ontploffing als onaannemelijk terzijde moet worden gesteld en verwerpt het verweer.

Tot slot heeft de verdachte bepleit dat de verklaringen die zijn afgelegd door de getuige [naam] niet als bewijs kunnen dienen, omdat deze getuige zijn verklaring voor het ontstaan van de explosie en brand achteraf heeft ingevuld. Voorts geeft de raadsman aan dat de tussen de verdachte en [naam getuige] gevoerde gesprekken dateren van minstens een half jaar vóór de brand.

Het hof overweegt hieromtrent dat de suggestie dat thans sprake is van invulling achteraf niet nader onderbouwd is en ook niet geschraagd wordt door de bij de raadsheer-commissaris – in tegenwoordigheid van de huidige raadsman van de verdachte - afgelegde verklaring van [naam getuige] nu deze immers bij zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring blijft. Voorts overweegt het hof dat uit de stukken blijkt van een langlopend conflict tussen de verdachte en [naam verhuurder], en [naam getuige]ook verklaart dat de verdachte telkenmale wanneer het ging over dat conflict sprak over het de boel in brand steken hetgeen steun biedt aan zijn, [naam getuige] verklaring tegenover de politie. De verklaring van de getuige [naam getuige] kan derhalve tot het bewijs worden gebezigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 10 december 2015 te Rotterdam, in een woning/pand gelegen aan de [straatnaam], opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht immers heeft verdachte toen aldaar

- de gasslang van het aansluitpunt van het gasfornuis gedemonteerd en/of de gaskraan geopend,

- op een of meer plek(ken) ontbrandbare vloeistoffen (te weten gas en/of een aardoliedestillaat van subklasse kookpuntbenzine en/of een paraffinisch-isoparafinisch product) opzettelijk in aanraking gebracht met (open) vuur, en/of

- de in de woning aanwezige (ontbrandbare) gassen en/of dampen opzettelijk in aanraking gebracht met (een) andere in de woning aanwezige ontstekingsbron(nen)

in ieder geval opzettelijk (open) vuur en/of een andere ontstekingsbron in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan een ontploffing en/of brand is ontstaan en/of die woning geheel of gedeeltelijk is ontploft en/of verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in zijn toenmalig huurwoning in een flatcomplex. In zijn woning heeft een explosie plaatsgevonden en vervolgens heeft er een uitslaande brand gewoed waarbij niet alleen de woning van de verdachte zwaar beschadigd is geraakt. De aanleiding van de brandstichting was gelegen in de aangekondigde ontruiming van zijn huurwoning naar aanleiding van een langlopend conflict dat de verdachte had met de verhuurder [naam verhuurder]. Evenals de rechtbank neemt het hof deze vorm van eigenrichting de verdachte bijzonder kwalijk.

Als gevolg van de explosie en de brand heeft de verdachte een groot gevaar voor de woningen in het complex en de in het flatgebouw verblijvende personen veroorzaakt. Ten tijde van de explosie en de brand waren er in de omliggende woningen meerdere bewoners, waaronder kinderen, aanwezig die lagen te slapen. De verdachte heeft dit voor lief genomen. Feiten als het onderhavige hebben een in hoge mate gevaarzettend karakter en brengen gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg. Daarnaast is er door de explosie schade toegebracht aan de bovenliggende woning en de in de buurt geparkeerd staande auto’s.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

13 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [naam benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij inclusief de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan, dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, nu de gestelde schade niet nader met stukken is onderbouwd. De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Vordering tot schadevergoeding [naam benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag € 1.500,00, inclusief de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij inclusief de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan, dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, nu de gestelde schade niet nader met stukken is onderbouwd. De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Vordering tot schadevergoeding [naam benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij inclusief de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 55 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 december 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 december 2015.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. A.M.P. Gaakeer,

mr. M. Moussault en mr. E. van Die, in bijzijn van de griffier mr. S. Rommen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 december 2017.

1 Proces-verbaal aangifte namens [naam verhuurder] Rotterdam, d.d. 29 januari 2016.

2 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.2.

3 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.4.

4 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.12.

5 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.5.

6 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.25.

7 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.27.

8 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.29.

9 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.30.

10 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.36.

11 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.37.

12 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.40.

13 Verklaring [naam getuige], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 22 juni 2016.

14 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 28 november 2017.

15 Rapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 25 januari 2016, zaaknummer 2016.01.04.163, bijlage.

16 Brandoorzaak onderzoek 2015 434011-17, d.d. 10 december 2015, p.40.

17 Proces-verbaal aangifte namens [naam verhuurder] Rotterdam, d.d. 29 januari 2016.

18 Proces-verbaal aangifte door [aangeefster 1], d.d. 10 februari 2016.

19 Proces-verbaal aangifte door [aangeefster 2], d.d. 11 december 2015.

20 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1700-2015434011-3, d.d. 10 december 2015.

21 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 28 november 2017; Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2015434011, d.d. 12 december 2015.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2015434011, d.d. 23 december 2015.

23 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 28 november 2017; Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2015434011, d.d. 12 december 2015.

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] met nummer PL1700-2015434011-5, d.d. 10 december 2015; verklaring [Getuige], afgelegd bij de raadsheer-commissaris d.d. 9 november 2017.

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] met nummer 1601161500.GET; Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1700-2015434011-3, d.d. 10 december 2015.

26 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 28 november 2017; Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2015434011, d.d. 12 december 2015.

27 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1700-2015434011-14, opgemaakt door [Verbalisant Y], d.d. 10 december 2015.