Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:356

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
22-003918-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich als bestuurder van een motorvoertuig op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan gevaarzetting in het verkeer waardoor een verkeersongeval is veroorzaakt. Ten gevolge van het ongeval heeft een bestuurder van een van de auto’s die bij het ongeval was betrokken zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis. Het hof ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 44 (vierenveertig) dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003918-16

Parketnummer: 09-797033-16

Datum uitspraak: 18 januari 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 augustus 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1961,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 januari 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 44 dagen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 2 februari 2016 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto (Jeep, [x])), daarmede rijdende over de weg, de Bredeweg (Provincialeweg N456) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

hij, verdachte heeft aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of onvoldoende aandacht gehad voor de verkeerssituatie ter plaatse, immers vonden op voornoemde weg wegwerkzaamheden plaats en/of waren in verband daarmee beperkte verkeersmaatregelen van kracht en/of (vervolgens)

- geen, althans onvoldoende acht geslagen op het snelheid verminderende en/of afremmende verkeer voor hem, immers keek hij naar rechts (in de richting van een reiger) en/of (vervolgens)

- gereden met een snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse en/of (vervolgens)

- niet, of niet tijdig, een op die weg tot stilstand gekomen, althans een voor hem rijdende en afremmende, auto opgemerkt en/of

- niet (af)geremd en/of zijn motorrijtuig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien, waardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden en/of aan de bestuurder van een auto (Volkswagen, [x]), te weten [benadeelde partij], zwaar lichamelijk letsel, te weten tweetal botbreuken van de eerste nekwervel en/of een scheurwond van de oogkasrand en/of bloedverlies tussen hersenen en schedel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 2 februari 2016 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas, als bestuurder van een motorrijtuig (auto (Jeep, [x])), daarmee rijdende op de weg, de Bredeweg (Provincialeweg N456), als volgt heeft gehandeld:

hij, verdachte heeft aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of onvoldoende aandacht gehad voor de verkeerssituatie ter plaatse, immers vonden op voornoemde weg wegwerkzaamheden plaats en/of waren in verband daarmee beperkte verkeersmaatregelen van kracht en/of (vervolgens)

- geen, althans onvoldoende acht geslagen op het snelheid verminderende en/of afremmende verkeer voor hem, immers keek hij naar rechts (in de richting van een reiger) en/of (vervolgens)

- gereden met een snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse en/of (vervolgens)

- niet, of niet tijdig, een op die weg tot stilstand gekomen, althans een voor hem rijdende en afremmende, auto opgemerkt en/of

- niet (af)geremd en/of zijn motorrijtuig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien,

waardoor een ander te weten een bestuurder van een auto (Volkswagen,[x]), genaamd [benadeelde partij], letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 dagen subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 44 dagen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde oordeelt het hof als volgt.

Bij de vraag of sprake is van 'schuld' – aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid - aan een verkeersongeval in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW) komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan van en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor wat betreft het rijgedrag van de verdachte stelt het hof vast dat de verdachte rijdende met zijn Jeep op de Bredeweg te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas, enige seconden is afgeleid geweest door een reiger die zijn aandacht trok. Vanwege deze onoplettendheid heeft de verdachte verzuimd zijn snelheid op het verkeer voor hem aan te passen en bleek hij niet meer in staat zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen. Hij is achter op een file ingereden, waardoor de bestuurder van de auto voor hem zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en enkele auto’s zijn beschadigd.

Deze enkele gedraging van de verdachte – kort gezegd - dat hij gedurende korte tijd zodanig onoplettend was, dat hij onvoldoende aandacht voor de verkeerssituatie op de weg heeft gehad, levert naar ’s hof oordeel weliswaar verwijtbare onvoorzichtigheid op, maar bij gebreke van enige andere, zelfstandige overtreding van de verkeersregels niet in de aanmerkelijke mate die is vereist voor bewezenverklaring van de ten laste gelegde schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Anders dan de advocaat-generaal, acht het hof derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op of omstreeks 2 februari 2016 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas, als bestuurder van een motorrijtuig (auto (Jeep, [x])), daarmee rijdende op de weg, de Bredeweg (Provincialeweg N456), als volgt heeft gehandeld:

hij, verdachte heeft aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of onvoldoende aandacht gehad voor de verkeerssituatie ter plaatse, immers vonden op voornoemde weg wegwerkzaamheden plaats en/of waren in verband daarmee beperkte verkeersmaatregelen van kracht en/of (vervolgens)

- geen, althans onvoldoende acht geslagen op het snelheid verminderende en/of afremmende verkeer voor hem, immers keek hij naar rechts (in de richting van een reiger) en/of (vervolgens)

- gereden met een snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse en/of (vervolgens)

- niet, of niet tijdig, een op die weg tot stilstand gekomen, althans een voor hem rijdende en afremmende, auto opgemerkt en/of

- niet (af)geremd en/of zijn motorrijtuig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien,

waardoor een ander te weten een bestuurder van een auto (Volkswagen,[x]), genaamd [benadeelde partij], letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en bijkomende straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich als bestuurder van een motorvoertuig op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan gevaarzetting in het verkeer waardoor een verkeersongeval is veroorzaakt. Ten gevolge van het ongeval heeft een bestuurder van een van de auto’s die bij het ongeval was betrokken zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De verdachte heeft zodoende onvoldoende blijk gegeven van besef van de gevaren die het op de bewezen verklaarde wijze besturen van een auto teweegbrengt voor het de verkeersveiligheid.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 december 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden is. Bij de vaststelling van deze geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Daarnaast is het hof van oordeel dat ten aanzien van het bewezen verklaarde niet anders dan met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te noemen duur kan worden gereageerd teneinde de verdachte in te scherpen dat het deelnemen aan gemotoriseerd verkeer een verantwoordelijkheid met zich meebrengt en dat bij veronachtzaming van die verantwoordelijkheid een sanctie dient te volgen die de verdachte raakt in zijn hoedanigheid als verkeersdeelnemer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 44 (vierenveertig) dagen.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman,

mr. E. van Die en mr. S. Verheijen, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 januari 2017.