Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:354

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-01-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
22-005693-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft gereden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Het hof veroordeelt een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-005693-15

Parketnummer: 96-065708-14

Datum uitspraak: 5 januari 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1978,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 22 december 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week onvoorwaardelijk.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 januari 2013 te Hardinxveld-Giessendam terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, WIELING, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 6 januari 2013 te Hardinxveld-Giessendam terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, WIELING, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de ter terechtzitting overhandigde pleitnota – onder meer aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat er – kortweg - geen sprake was van wetenschap aan de zijde van de verdachte dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs is gedateerd 22 juni 2011. De brief met uitleg over de gevolgen van het niet meewerken aan de EMA-cursus en met de mededeling dat het rijbewijs ongeldig is verklaard, is zowel aangetekend als per gewone post aan het BPR-adres van de verdachte verzonden. Dat de aangetekende brief op 22 juni 2011 is verzonden blijkt uit de tekst van de “gewone” brief met als datering 22 juni 2011: “dit is een kopie van de heden aan u toegezonden aangetekende brief”. Noch de aangetekende brief, noch de brief die per gewone post is verzonden, is retour gekomen. Er is echter geen bewijs van ontvangst in het dossier aanwezig en de verdachte stelt – onder meer vanwege zijn verblijf in het buitenland - de brieven niet te hebben ontvangen. Aldus is het niet-retour komen van de brieven op zichzelf niet voldoende om wetenschap van ongeldigverklaring bij de verdachte aan te nemen.

Uit de stukken blijken evenwel andere aanknopingspunten waaruit het hof kan afleiden dat de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.

De verdachte is, blijkens zijn justitiële documentatie d.d. 9 december 2016, eerder, te weten op 23 oktober 2012 aangehouden voor het rijden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hieruit leidt het hof af dat het voor de verdachte in elk geval vanaf dat moment kenbaar moet zijn geweest dat zijn rijbewijs mogelijk ongeldig was verklaard. Dat hij later door het gerechtshof voor dit feit is vrijgesproken doet daaraan op zichzelf niet af.

Dat de verdachte redelijkerwijs moet hebben geweten dat zijn rijbewijs ongeldig was leidt het hof verder af uit de verklaring van de verdachte tegenover de politie op 6 januari 2013 in de thans voorliggende zaak. Die verklaring houdt in dat hij twee jaar voordien was aangehouden voor rijden onder invloed. Zijn rijbewijs is toen ingevorderd, maar hij had dat niet bij zich. Hij heeft het later ingeleverd, maar doordat het rijbewijs kapot was en de gemeente in het systeem daarover niets kon vinden, heeft hij het niet teruggekregen. De verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat hij niet feitelijk over zijn rijbewijs kon beschikken, omdat er een gat in zijn rijbewijs zat. Op 6 januari 2013 verklaart de verdachte voorts: Ik ben al eerder hiervoor aangehouden en toen heb ik exact hetzelfde verklaard. Het hof acht niet aannemelijk dat een gemeenteambtenaar de toezegging heeft gedaan dat de verdachte gewoon mocht rijden, zoals de verdachte voorts ter terechtzitting heeft verklaard.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, oordeelt het hof dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ten minste redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig is verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gereden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Door aldus te handelen heeft de verdachte ervan blijk gegeven door het openbaar gezag ten behoeve van de verkeersveiligheid getroffen maatregelen naar believen te negeren en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de verdachte heeft aangegeven dat hij werk heeft en dat zijn werk voor hem erg belangrijk is, en gelet op het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde, is het hof van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte thans niet langer passend is.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, mr. A.J.M. Kaptein en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. A. de Groot.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 januari 2017.

mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.