Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3538

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
22-004615-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artt. 244, 245 en 249 Sr. Bewezenverklaard: 1.) met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd. 2.) met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd. 3.)ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd.

Geen (gedeeltelijke) eendaadse samenloop in de zin van art. 55 Sr bij bewezenverklaring artikelen 244 en 245 Sr enerzijds en artikel 249 Sr anderzijds. Van eendaadse samenloop is sprake, wanneer een gedraging meer dan één delictsomschrijving vervult, dat wil zeggen dat één feit meerdere vergrijpen oplevert. Hierbij is van belang, dat de strekkingen van die delictsomschrijvingen niet wezenlijk uiteen mogen lopen.

In casu is er geen sprake van uitsluitend dezelfde bewezenverklaarde handelingen. Bovendien is er bij de feiten 2 en 3 ook gedeeltelijk sprake van een andere pleegplaats. Er is derhalve geen sprake van eendaadse samenloop.

Gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Toewijzing vordering benadeelde partij ivm geleden immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004615-16

Parketnummer: 10-811124-16

Datum uitspraak: 12 december 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 oktober 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland),

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Arnhem – Huis van Bewaring Arnhem Zuid te Arnhem.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 30 mei 2017 en 28 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.


hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot

1 oktober 2013 te Schiedam meermalen, althans eenmaal, (telkens) met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2001), handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) en/of tong in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer];

2.


hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 30 november 2015 te Schiedam en/of Werkendam, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2001), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) en/of tong in de vagina en/of mond van die [slachtoffer];

3.


hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 30 november 2015 te Schiedam en/of Werkendam, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met zijn minderjarig kind, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2001, ontucht heeft gepleegd, namelijk het

- betasten en/of strelen van de (door kleding bedekte) vagina/schaamstreek van die [slachtoffer] en/of

- knijpen in de borsten van die [slachtoffer] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) en/of tong in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer].

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij in de periode van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2013 te Schiedam meermalen, telkens met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2001), handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en houden van zijn, verdachtes, penis en/of vingers in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer];

2.


hij in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 30 november 2015 te Schiedam en/of Werkendam, meermalen, telkens met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2001), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en houden van zijn, verdachtes, penis en/of vingers in de vagina en/of mond van die [slachtoffer];

3.


hij in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 30 november 2015 te Schiedam en Werkendam, meermalen, telkens met zijn minderjarig kind, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2001, ontucht heeft gepleegd, namelijk het

- betasten en/of strelen van de (door kleding bedekte) vagina/schaamstreek van die [slachtoffer] en

- knijpen in de borsten van die [slachtoffer] en

- brengen en houden van zijn, verdachtes, penis en/of vingers en/of tong in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd.

Kwalificatieverweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat vanwege de tenlastelegging van de artikelen 245 en 246 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (het hof begrijpt: de artikelen 244 en 245 Sr) enerzijds en artikel 249 Sr anderzijds, (gedeeltelijk) sprake is van eendaadse samenloop ex artikel 55 Sr.

Het hof overweegt hieromtrent dat van eendaadse samenloop sprake is, wanneer een gedraging meer dan één delictsomschrijving vervult, dat wil zeggen dat één feit meerdere vergrijpen oplevert. Hierbij is van belang, dat de strekkingen van die delictsomschrijvingen niet wezenlijk uiteen mogen lopen.

In casu is er geen sprake van uitsluitend dezelfde bewezenverklaarde handelingen. Bovendien is er bij de feiten 2 en 3 ook gedeeltelijk sprake van een andere pleegplaats. Er is derhalve geen sprake van eendaadse samenloop.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich jarenlang schuldig gemaakt aan het op ernstige wijze seksueel misbruiken van zijn dochter [slachtoffer]. Dit misbruik begon toen zij 8 jaar oud was en heeft uiteindelijk 6 jaar geduurd. De verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het overwicht en het vertrouwen dat hij had als haar vader.

Het hof acht het bijzonder laakbaar dat de verdachte heeft verklaard dat het initiatief van de seksuele handelingen van [slachtoffer] uitging en dat zijn fout er met name in lag dat hij te meegaand is geweest en haar niet heeft afgewezen. Het hof is van oordeel dat de verdachte met deze houding een deel van de verantwoordelijkheid geheel ten onrechte bij zijn (destijds) nog zeer jonge dochter probeert te leggen. Hiermee miskent de verdachte zijn eigen verantwoordelijkheid en de verwerpelijkheid van zijn handelen.

Met zijn handelen heeft de verdachte het fysieke en psychische welzijn van zijn dochter ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften en op zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op haar ongestoorde seksuele ontwikkeling. Slachtoffers van ontucht ondervinden in de regel nog geruime tijd de psychische gevolgen van hetgeen hun is aangedaan, zoals blijkens de in hoger beroep door [slachtoffer] en haar moeder voorgelezen slachtofferverklaringen ook voor [slachtoffer] geldt.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het vermeende geweld en de dwang heeft meegenomen in haar strafmaat. Naar het oordeel van het hof berust dit betoog op een onjuiste lezing van het vonnis. Voorts overweegt het hof dat het geweld en de dwang niet ten laste gelegd of bewezen verklaard zijn en derhalve geen rol spelen bij de strafoplegging. Het bewezenverklaarde misbruik is ook zonder geweld of dwang ernstig te noemen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.000,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De hoogte van de immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. De raadsman heeft bepleit dat niet vast is komen te staan in hoeverre [slachtoffer] door het bewezen verklaarde een trauma heeft opgelopen. Bij [slachtoffer] was sprake van problematiek gedurende een lange periode (onder andere een problematische betrekking tot haar moeder) zodat niet alle huidige psychische klachten in een rechtstreeks verband staan met het ten laste gelegde, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman bepleit dat er geen medische eindtoestand vast te stellen is. Om deze redenen is niet eenvoudig vast te stellen of en zo ja, tot welke hoogte de gevorderde immateriële schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste gelegde feit. Aangegeven is voorts dat de verdachte bereid is een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade te vergoeden.

Het hof is van oordeel dat door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting in hoger beroep aannemelijk is geworden dat de verdachte door de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten rechtstreekse schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Het hof merkt daarbij op dat de problematiek waar door de verdediging naar wordt verwezen, pas tot uiting is gekomen nadat het seksueel misbruik al gaande was.

Het hof merkt voorts op dat, hoewel er geen medische eindtoestand vast te stellen is, de klachten van [slachtoffer] sinds de zitting bij de rechtbank verergerd zijn. Zij is onder behandeling geweest vanwege PTSS klachten welke zijn ontstaan door haar incestervaringen en zij is thans recentelijk opgenomen bij stichting Fier, waar zij intern een intensief behandeltraject gaat krijgen van een jaar.

Wat er ook zij van de door de verdediging gestelde mogelijke predispositie van de benadeelde partij, die overigens niet wordt geschraagd door toetsbare onderbouwing, naar het oordeel van het hof heeft zij voldoende onderbouwd gesteld dat zij bedoelde schade heeft geleden als direct gevolg van het bewezen verklaarde. Het gevorderde bedrag is alleszins redelijk gelet op de aard en ernst van de normschending. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 10.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 244, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. A.M.P. Gaakeer,

mr. M. Moussault en mr. E. van Die, in bijzijn van de griffier mr. S. Rommen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 december 2017.