Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:352

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
22-004419-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.100,00 (duizend honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-004419-16

Parketnummer: 09-102550-16

Datum uitspraak: 31 januari 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 21 september 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortejaar] 1974,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 17 januari 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 1.100,--, subsidiair 21 dagen hechtenis, en ter zake van het onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.
hij, op of omstreeks 5 november 2015, te 's-Gravenhage, een of meer wapens van categorie I, onder sub 7 van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk nabootsingen van (een) vuurwapen(s), te weten een nabootsing van een vuurwapen, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen van het merk Glock, model 26, en een nabootsing van een vuurwapen, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen van het merk Colt, model Mustang, voorhanden heeft gehad;

2.
hij, in of omstreeks de periode van 2 november 2015 tot en met 5 november 2015 te 's-Gravenhage, een goed, te weten een fiets (merk Massini) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij, in of omstreeks de periode van 2 november 2015 tot en met 5 november 2015, te 's-Gravenhage, een goed, te weten een fiets (merk Massini) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.
hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot en met 5 november 2015, te 's-Gravenhage, een goed, te weten een fiets (merk Trek) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij, in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot en met 5 november 2015 te 's-Gravenhage, een goed, te weten een fiets (merk Trek) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.100,--, subsidiair 21 dagen hechtenis, en ter zake van het onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Rechtmatigheid van het verkregen bewijs

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van de verdachte betoogd – verkort en zakelijk weergegeven – dat het betreden van de schuur van de verdachte onrechtmatig is geweest, nu er op het moment dat de verbalisanten de schuur in liepen geen feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit te kunnen opleveren. Dat de verdachte uit de schuur kwam lopen richting een zwarte mountainbike, acht de verdediging daartoe onvoldoende. Ook de omstandigheid dat er een zwarte verfkwast in de schuur lag in combinatie met de omstandigheid dat de verdachte ambtshalve bekend was als fietsendief, levert in de visie van de verdediging geen redelijk vermoeden van schuld op, op grond waarvan de schuur mocht worden binnengetreden. Dientengevolge is volgens de raadsvrouw sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, waarvan het gevolg moet zijn dat - waar het daaruit voorvloeiende onderzoek als onrechtmatig moet worden beschouwd - de daaruit verkregen resultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt en stelt op basis van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 5 november 2015 met nummer PL1500-2015322688-6 hoorden zij dat de verdachte zojuist was aangehouden door collega’s in verband met twee openstaande onherroepelijke vonnissen. Zij vernamen dat de aanhouding plaatsvond op de dr. C.H. de Grootstraat ter hoogte van perceel [x] te Den Haag, nabij een schuurtje. Tevens hoorden de verbalisanten van hun collega’s dat er buiten de schuur waaruit de verdachte kwam, een zwarte mountainbike stond en dat het hen ambtshalve bekend is dat de verdachte een fietsendief is. De verbalisanten gingen daarop ter plaatse om te onderzoeken of de mountainbike van diefstal afkomstig zou zijn. Ter plaatse aangekomen zagen de verbalisanten dat er een zwarte mountainbike voor een schuur stond. Door de geopende schuurdeur zagen zij op de grond van de schuur een kwastje liggen met een zwarte substantie erop. Gelet op de zwarte mountainbike buiten de schuur, de aangetroffen kwast met zwarte substantie en het feit dat de verdachte ambtshalve bekend stond als fietsendief, is vervolgens een onderzoek ingesteld in de schuur.

Naar het oordeel van het hof vormden voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, voldoende grond om een redelijk vermoeden van schuld te kunnen opleveren dat de verdachte zich aan enig strafbaar feit schuldig had gemaakt. De verbalisanten waren redelijkerwijs voor hun taakvervulling gerechtigd om een onderzoek in te stellen in de schuur.

Nu geen sprake is van enig vormverzuim, kunnen de uit het onderzoek voortvloeiende resultaten mitsdien voor het bewijs worden gebezigd.

Ten overvloede overweegt het hof dat, voor zover al sprake zou zijn van enig vormverzuim, dit niet heeft plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek naar het onder 1 ten laste gelegde feit.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair, alsmede onder 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Het hof acht het enkele feit dat de verdachte geen inzage heeft gegeven in de herkomst van de in zijn schuur aangetroffen fietsen – anders dan zijn verklaring dat hij één van de fietsen op een afvalplaats had gevonden en de andere op de markt had gekocht – onvoldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fietsen uit misdrijf verkregen waren.

De verdachte behoort dan ook te worden vrijgesproken van het hem onder 2 primair en subsidiair, alsmede onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op of omstreeks 5 november 2015, te 's-Gravenhage, een of meer wapens van categorie I, onder sub 7 van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk nabootsingen van (een) vuurwapen(s), te weten een nabootsing van een vuurwapen, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen van het merk Glock, model 26, en een nabootsing van een vuurwapen, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen van het merk Colt, model Mustang, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 december 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 2 subsidiair, 3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.100,00 (duizend honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, mr. T.L. Tan en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier

mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 januari 2017.

Mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.