Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3475

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
22-001772-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich binnen een periode van ruim zeven maanden, schuldig gemaakt aan vier auto-inbraken, waarbij hij telkens het in die auto (ingebouwde) navigatiesysteem heeft weggenomen. Daarnaast heeft de verdachte tijdens zijn poging om aan de politie te ontkomen twee fietsers bedreigd door plotseling met zijn auto op hen af te rijden terwijl zij zich op het fietspad bevonden. Ten slotte heeft de verdachte een valse aangifte gedaan van verduistering.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Verder stelt het hof aantal bijzondere voorwaarden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001772-17

Parketnummer: 10-710509-16

Datum uitspraak: 6 december 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 22 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en onder 5 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

9 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de algemene en bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep. Ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde is de verdachte de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 maanden. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen Politie Eenheid Rotterdam, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], eveneens zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 5 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij, op of omstreeks 12 december 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer perso(o)n(en) genaamd [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (terwijl die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] op het fietspad stonden) (met hoge snelheid) met een auto op die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair:
hij, op of omstreeks 12 december 2016 te Rotterdam, [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk (dreigend) (terwijl die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] op het fietspad stonden) (met hoge snelheid) met een auto op die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] ingereden;

2:
hij, op of omstreeks 12 december 2016 te Barendrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (uit een auto van het merk Volkswagen Golf met kenteken [x]) een Radio Navigatie Systeem met trackernummer [y], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan politie, eenheid Rotterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

3:
[zaak Noorderhelling (sub a), zaak Waterschap (sub b), zaak SFG (sub c)] hij,

a. a) op of omstreeks 12 mei 2016 te Rotterdam en/of

b) op of omstreeks 25 april 2016 te Ridderkerk en/of

c) op of omstreeks 26 mei 2016 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

a. a) uit een auto merk/type Volkswagen Passat met kenteken [x] een radio cd-speler met ingebouwde navigatie (merk Volkswagen), en/of

b) uit een auto merk/type Audi TT met kenteken [x] een radio-/navigatiesysteem (merk Audi Rns-E), en/of

c) uit een auto merk/type Volkswagen Golf met kenteken [x] een navigatiesysteem,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

a. a) [benadeelde partij 3] en/of

b) [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 5], en/of

c) [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik had gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4:
hij, op of omstreeks 03 november 2016, althans in de periode van 22 september 2016 tot en met 03 november 2016, te Rotterdam, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd, immers heeft verdachte telefonisch en/of ten overstaan van verbalisant [benadeelde partij 7] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van verduistering van zijn, verdachtes, auto (merk/type Audi A4 met kenteken [x]) (gepleegd door ene [naam]);

Vordering advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de oplegging van de straffen en de motivering daarvan.

In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden verbetering en aanvulling aanbrengt.

De overwegingen onder de kopjes 4.2. en 4.3. in het vonnis worden geschrapt en vervangen door de navolgende overwegingen.

Vrijspraak poging doodslag, poging zware mishandeling

Het hof is van oordeel dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging doodslag en de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling niet wettig en overtuigend zijn bewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte heeft geremd, hetgeen blijkt uit de camerabeelden, en een stuurbeweging heeft gemaakt om de fietsers te ontwijken. Het hof acht het op grond van de verklaringen van de aangevers en de ter plaatse aanwezige verbalisanten voorts aannemelijk dat de fietsers zijn weg gesprongen. Hoezeer de fietsers blijkens hun verklaringen hebben gevreesd voor hun leven en bij hen de overtuiging leeft dat hen iets vreselijks was overkomen als zij niet waren weggesprongen, in objectieve zin kan het hof niet vaststellen dat als de fietsers niet zouden zijn weggesprongen, zij daadwerkelijk zouden zijn geraakt door de auto van de verdachte. Op basis van de situatie ter plekke, zoals die blijkt uit het dossier, was er gelet op de breedte van het fietspad en de breedte van de auto van de verdachte, ruimte om de fietsers te passeren. Nu voorts gezien is dat de verdachte heeft geremd en opzij heeft gestuurd, kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat de fietsers zouden zijn geraakt door de auto van de verdachte als zij niet waren weggesprongen en derhalve dat er een aanmerkelijke kans was dat de fietsers zouden worden gedood of zwaar lichamelijk letsel zouden hebben opgelopen. Derhalve kan op basis hiervan niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van poging doodslag dan wel zware mishandeling.

De verdachte dient derhalve hiervan te worden vrijgesproken.

Nadere overweging bedreiging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte (ook) dient te worden vrijgesproken van de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging. Hij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de bedreiging, nu het wilselement ontbreekt.

Het hof neemt bij de beoordeling van dit verweer de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

De verdachte heeft op 12 december 2016, voorafgaand aan het onder feit 1 tenlastegelegde, een navigatiesysteem gestolen uit een lokauto van de politie. Dit betreft het, door de verdachte bekende, feit 2 op de dagvaarding. Het navigatiesysteem was voorzien van een “track-and-trace-systeem”, waardoor de politie op de hoogte was van de locatie van het gestolen goed in de auto van de verdachte.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft de camerabeelden bekeken van het politievoertuig dat reed achter de personenauto, Renault Laguna voorzien van het kenteken [x] (hierna: de Renault), op de Coen Moulijnweg (proces-verbaal met volgnummer 26, p. 76 e.v. van het dossier). De verbalisant zag op de beelden dat de Renault als voorste in het voorsorteervak voor rechtdoor stond voor het rode verkeerslicht. Links voor de Renault op de kruising stond een herkenbaar dienstmotorvoertuig. De bestuurder van de Renault begon uit het niets te rijden met een flauwe bocht naar rechts. Hij zag dat het herkenbare dienstmotorvoertuig verder de kruising op reed in de richting van de Renault. De bestuurder van de Renault scherpte hierop de flauwe bocht aan om een nog strakkere bocht naar rechts te maken toen het politievoertuig naderde. De Renault werd daarna ter hoogte van het linker achterwiel geraakt door het politievoertuig. De Renault draaide hierdoor naar links en stond met de neus haaks op het voetpad, in de richting van de rijbaan. De Renault draaide naar rechts en nabij het linker voorwiel ontstond witte rook. De Renault reed weg over het fietspad.

Blijkens de aangifte van [benadeelde partij 1] (proces-verbaal met volgnummer 1, p. 12 e.v. van het dossier) stond aangever samen met zijn dochter stil op het fietspad, separaat gelegen aan de rijbaan van de Coen Moulijnweg. Aangever hoorde achter zich een harde klap, die hij herkende als een klap van een aanrijding. Op ongeveer 2 meter afstand zag hij een donkerkleurige auto van het merk Renault op het fietspad staan. Achter deze Renault stond een politiebusje met de zwaailampen aan. De Renault stond zo goed als stil. Vervolgens hoorde de aangever dat de bestuurder van de Renault een enorme dot gas gaf en hij zag dat de Renault recht op hem en zijn dochter afkwam.

Uit het proces-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] blijkt verder dat de Renault de fietsers aan de linkerzijde voorbij reed.

Uit het proces-verbaal van bevindingen met volgnummer 7 (p. 67 e.v. van het dossier) blijkt dat de Renault vervolgens bleef doorrijden. Op enig moment raakte het politievoertuig de Renault aan de rechter achterzijde. De Renault reed alsnog verder en sloeg linksaf om vermoedelijk via de trambaan te ontkomen. Hierna reed de Renault tegen een paal van de trambaan aan waarna de bestuurder (het hof: verdachte [verdachte]) werd aangehouden.

Het hof leidt uit vorenstaande feiten en omstandigheden af, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, dat de verdachte, die eerder die dag een auto-inbraak had gepleegd en het gestolen goed bij zich had, als doel had om te vluchten en zo aan de politie te ontkomen en daarbij gevaar zettende situaties voor lief heeft genomen. Tijdens zijn vlucht vormden de fietsers een obstakel. Nadat de auto van de verdachte door het herkenbare politievoertuig was geraakt en de auto van de verdachte zo goed als tot stilstaand was gekomen, heeft de verdachte veel gas gegeven en is hij weggereden in de richting van de fietsers. Op korte afstand van de fietsers heeft de verdachte hard geremd en opzij gestuurd. Deze handelingen zijn voor de fietsers dermate bedreigend geweest dat zij op dat moment vreesden voor hun leven, zoals blijkt uit de door hen afgelegde verklaringen. Kennelijk was het voor de verdachte belangrijker om te ontkomen aan de politie dan de verkeersveiligheid te waarborgen. Door zijn gedragingen als hiervoor beschreven heeft de verdachte dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangevers zich door zijn handelen ernstig bedreigd zouden voelen. Hij is immers op het fietspad met de auto in hun richting gereden waarbij hij gas heeft gegeven. De aangevers konden niet weten dat hij (tijdig) zou remmen en uitwijken. Zij hebben gevreesd voor hun leven. Derhalve kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging.

Aanvulling bewijsmiddelen

Het hof vult de bewijsmiddelen met het volgende bewijsmiddel aan:

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016136344-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 16):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

De toenmalige Opel Vectra, voorzien van het kenteken [x] had eveneens een dubbele uitlaatsysteem, dezelfde velgen en exact dezelfde kleur als de Opel Vectra in het videofragment afkomstig van de videobeelden die zijn veiliggesteld ter zake van een auto-inbraak gepleegd op 25 april 2016 op een parkeerterrein aan de handelsweg te Ridderkerk.

Het vonnis waarvan beroep dient derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich binnen een periode van ruim zeven maanden, schuldig gemaakt aan vier auto-inbraken, waarbij hij telkens het in die auto (ingebouwde) navigatiesysteem heeft weggenomen. Met zijn handelen heeft de verdachte veel overlast en financiële schade toegebracht aan de gedupeerden en daarmee ook blijk gegeven geen respect te tonen voor andermans eigendommen.

De verdachte heeft daarnaast twee fietsers bedreigd door plotseling met zijn auto op hen af te rijden terwijl zij zich op het fietspad bevonden. De verdachte probeerde aan de politie te ontkomen en heeft zich daarbij niet bekommerd om deze verkeersdeelnemers. Slachtoffers van dergelijke feiten ondervinden daar vaak nog langer tijd last van. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van de slachtoffers Nieveen blijkt dat dit ook bij hen het geval is.

Ten slotte is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij een valse aangifte heeft gedaan van verduistering. Hierdoor heeft hij de politie misleid en onterecht een beroep gedaan op inzet van beschikbare opsporingscapaciteit.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij in een relatief korte periode zoveel feiten heeft gepleegd. Het betreft ernstige feiten die (met uitzondering van de valse aangifte) leiden tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en bij de betrokkenen in het bijzonder.

De verdachte heeft er op de terechtzitting geen blijk van gegeven dat hij de ernst van zijn handelen inziet. Hij heeft ontkend, zijn eigen rol gebagatelliseerd of de schuld voor het gebeurde buiten zichzelf gelegd.


Voorts neemt het hof het de verdachte hoogst kwalijk dat hij de verkeersveiligheid in ernstige mate in gevaar heeft gebracht tijdens zijn poging om aan de politie te ontkomen. Dat andere verkeersdeelnemers daardoor niet zijn aangereden, is slechts een kwestie van geluk geweest.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 november 2017 waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Tot slot heeft het hof acht geslagen op een rapport van de Reclassering Nederland, gedateerd 10 februari 2017. Uit dit rapport blijkt onder meer dat er zorgen zijn omtrent de sociaalmaatschappelijke situatie van de verdachte. Er is bij hem sprake van een schuldenproblematiek en snel oplopende justitiecontacten. Verder ontbreekt het hem aan een zinvolle dagbesteding. De verdachte stelt zich sociaal wenselijk op. Ondanks het vermoeden dat een verplicht reclasseringscontact geen verandering zal kunnen bewerkstelligen, beveelt de reclassering dat wel aan, gelet op het feit dat de verdachte niet eerder een toezicht opgelegd heeft gekregen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat niet kan worden volstaan met de straf die aan de verdachte in eerste aanleg is opgelegd en komt derhalve, naast de geheel onvoorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur, tot een hogere gevangenisstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 188, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

3 (drie) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat

- de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of

- de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, of

- geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde, en dat hij zich daartoe dient te melden bij de Reclassering Nederland zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde zich dient te laten behandelen voor zijn problematiek bij de forensische polikliniek De Waag, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Heft de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis op.

Dit arrest is gewezen door mr. S.A.J. van 't Hul, mr. S. Verheijen en mr. H.M.D. de Jong,

in bijzijn van de griffier mr. W. Jansen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 december 2017.