Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3462

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
200.193.590/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Huurrecht. Burgemeesterssluiting bedrijfsruimte (art. 7:231 lid 2 BW). Ontbinding huurovereenkomst woonruimte. Belangenafweging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.193.590/01

Zaaknummer rechtbank : 4566342/15-32969

Arrest van 21 november 2017

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [appellant 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

appellanten,

hierna te noemen: gezamenlijk [X c.s.] en ieder afzonderlijk [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] ,

advocaat: mr. M.D. Winter te Den Haag,

tegen

1 de Gemeente Den Haag,

gevestigd te Den Haag,

2. Wijkontwikkelingsmaatschappij Stationsbuurt Oude Centrum Den Haag C.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerden,

hierna te noemen: gezamenlijk de gemeente c.s., en ieder afzonderlijk de gemeente respectievelijk WOM,

advocaat: mr. F.M. Khader-Guljé te Den Haag.

Het geding

Bij exploten van 7 juni 2016 is [X c.s.] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 18 mei 2016 (zoals verbeterd bij vonnis van 22 juni 2016). Bij memorie van grieven met producties heeft [X c.s.] twaalf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft de gemeente c.s. de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1

[appellant 1] huurt sinds 19 januari 1993 de horecaruimte aan de [adres 1] te Den Haag, en sinds 1 november 1998 de bovengelegen woning aan de [adres 2] te

Den Haag. In de horecaruimte exploiteert [appellant 1] [een Theehuis, hierna: het Theehuis] .

1.2

De gemeente is sinds 1 augustus 2011 eigenaar van de horecaruimte aan de [adres 1]

en van de bovengelegen woning aan de [adres 2] te Den Haag. WOM is

economisch eigenaar van deze horecaruimte en woning.

1.3

Op 3 juni 2015 heeft de politie de horecaruimte doorzocht in verband met een verdenking van overtreding van de Opiumwet. Daarbij is bij een persoon achter de bar een brokje hasj van 8.9 gram aangetroffen, terwijl achter de bar, achter de kassa en in de prullenbak pakjes lange vloei gevonden werden en in de keuken een grammenweegschaal

aanwezig was. Ook twee bezoekers van de horecaruimte waren ieder in het bezit van

0.3

gram hasj; zij hebben verklaard dat zij de hasj in de horecaruimte hadden gekocht.

De verdenking was gebaseerd op informatie die de politie op 10 maart 2015, op 1, 2 en

11 april 2015 en op 23 en 27 mei 2015 had ontvangen.

1.4

Op 3 juni 2015 is de boven de horecaruimte gelegen woning eveneens doorzocht omdat de politie had geconstateerd dat meerdere personen de woonruimte binnen gingen en

enkele minuten later weer verlieten met een transparant tasje in hun handen en dat de

woning vanuit de horecaruimte veelvuldig werd bezocht. In de woning werden

doorzichtige folie, tippies, dozen lange vloei, gripzakjes, een grinder en acht

weegschaaltjes aangetroffen.

1.5

[appellant 1] staat sedert 22 maart 2010 ingeschreven bij de gemeente

Naaldwijk. Hij heeft de woonruimte zonder toestemming van de verhuurder in gebruik

gegeven aan [appellant 2] , zijn zoon, die sedert 22 september 2009 bij de

gemeente staat ingeschreven op het adres van de woonruimte.

1.6

Bij besluit van 19 juni 2015 heeft de burgemeester gezien (onder meer) artikel 13b

Opiumwet de horecaruimte gesloten voor de duur van 12 maanden, ingaande 19 juni

2015 om 12:00 uur en eindigend op 19 juni 2016 om 12:00 uur.

1.7

Bij brief d.d. 6 augustus 2015, welke op 7 augustus 2015 bij deurwaardersexploot aan [appellant 1] is betekend, hebben de gemeente en WOM de huurovereenkomst

voor de horecaruimte met ingang van de datum van de brief ontbonden op grond van

artikel 7:231 lid 2 BW, alsmede de huur van de woonruimte opgezegd tegen 1 maart

2016 op grond van artikel 7:274 lid 1 onder a BW voor het geval [appellant 1]

niet vrijwillig tot ontruiming en ter beschikking stelling aan de gemeente en WOM

overgaat.

1.8

Bij besluit van 14 oktober 2015 heeft de burgemeester het bezwaar van [appellant 1] tegen het besluit van 19 juni 2015 ongegrond verklaard.

1.9

Op 18 april 2016 heeft de rechtbank Den Haag, afdeling Bestuursrecht, het door [appellant 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 oktober 2015 vernietigd en het besluit van 19 juni 2015 herroepen, voor zover daarbij de exploitatievergunning, de Drank- en Horecawetvergunning en de vergunning voor de aanwezige kansspelautomaten zijn ingetrokken. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.

2. Op vorderingen van de gemeente c.s. heeft de kantonrechter bij vonnis van 18 mei 2016 in conventie voor recht verklaard dat de huurovereenkomst inzake de horecaruimte buitengerechtelijk is ontbonden per 7 augustus 2015 en is [appellant 1] veroordeeld tot ontruiming van de horecaruimte binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom. De huurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte is ontbonden en [appellant 1] en [appellant 2] zijn ieder veroordeeld tot ontruiming van de woonruimte met al wie en al wat zich daarin van zijn zijde mocht bevinden binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van dwangsommen. De reconventionele vordering van [X c.s.] (verklaring voor recht dat de buitengerechtelijke ontbinding geen stand houdt) is afgewezen. [X c.s.] is veroordeeld in de proceskosten in conventie en reconventie. Het vonnis is verbeterd bij herstelvonnis van 22 juni 2016 omdat verzuimd was te beslissen op de gevorderde gebruiksvergoeding, welke vordering alsnog is toegewezen.

3. Op 25 juli 2016 zijn de horecaruimte en woonruimte door [X c.s.] ontruimd.

4. In hoger beroep heeft [X c.s.] gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de gemeente c.s. af te wijzen en de vordering van [X c.s.] toe te wijzen, met veroordeling van de gemeente c.s. in de kosten van beide instanties, vermeerderd met rente en nakosten.

5. Volgens de eerste grief heeft de kantonrechter de door [X c.s.] aangeboden akte met als productie de uitspraak van 18 april 2016 van de rechtbank Den Haag ten onrechte geweigerd. Bij deze grief heeft [X c.s.] geen belang nu de kantonrechter ambtshalve deze uitspraak in de beslissing heeft betrokken en ook thans in hoger beroep deze uitspraak bij de beoordeling zal worden meegenomen.

6. Zowel de tweede als de derde grief is gericht tegen de feitenvaststelling. Het hof heeft, voor zover nodig, de feiten opnieuw vastgesteld. Tot vernietiging van het vonnis kan dit niet leiden zodat [X c.s.] ook bij deze grieven geen belang heeft.

7. Volgens de vierde grief heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat het enkele feit dat de horecaruimte op grond van artikel 13b Opiumwet is gesloten de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt ex art. 7:231 lid 2 BW. Volgens [X c.s.] dient er een belangenafweging plaats te vinden. [X c.s.] voert voorts aan dat het bevel tot sluiting als gevolg van de uitspraak van 18 april 2016 niet in stand is gebleven.

De grief faalt. In de wetsgeschiedenis van art. 7:231 lid 2 BW (Vaststellingswet titel 7.4 BW, Nota n.a.v. het verslag, 26089, nr 6, p. 37) is het volgende opgemerkt:

“Het gaat hier om het geval dat ter zake van het gehuurde in het kader van de bestrijding van overlast door drugsgebruikers een besluit als bedoeld in artikel 174a Gemeentewet is opgenomen, dat erop neerkomt dat het pand wordt gesloten en derhalve naleving van de huurovereenkomst onmogelijk wordt gemaakt. In beginsel zal dit betekenen dat de huurder geen huur meer verschuldigd is of, als de sluiting het gevolg is van zijn eigen gedrag, vermoedelijk geen verhaal of nauwelijks verhaal zal bieden. Voortduren van de huurovereenkomst zal in dit geval weinig zin hebben en in elk geval voor de verhuurder zeer nadelig uitpakken. Een betere oplossing is dat hij zo spoedig mogelijk een nieuwe huurder vindt en op grondslag van deze nieuwe huurovereenkomst opheffing van het gemeentebesluit kan vragen. Indien hij daartoe eerst een ontbindingsvordering zou moeten instellen, zou de huurovereenkomst gedurende het geding voortduren, zodat de ontstane impasse langere tijd zou blijven bestaan. Dat is onwenselijk geoordeeld, ook omdat het beter is dat in gevallen als hier bedoeld de verhuurder aan de sanering meewerkt, hetgeen hij kan doen door de bestaande huurovereenkomst zo spoedig mogelijk te beëindigen.

Juist is dat de ontbinding niet gegrond is op een tekortkoming van de huurder, maar op de enkele grond dat een gemeente een besluit als voormeld heeft genomen (Wet van 13 maart 1997, Stb. 132; kamerstukken 1995/1996, 24 699).“

De enkele sluiting is derhalve voldoende voor een buitengerechtelijke ontbinding. Daarbij komt dat het beginsel van de formele rechtskracht meebrengt dat de civiele rechter in beginsel moet uitgaan van de geldigheid van een besluit van een bestuursorgaan indien daartegen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan (of open staat) en die rechtsgang niet tot vernietiging van het besluit heeft geleid. Daarbij is niet vereist dat het besluit onherroepelijk is. De burgemeester heeft bij besluit van 19 juni 2015 overwogen dat in de horecaruimte in softdrugs is gehandeld, dat daardoor de openbare orde zeer ernstig is verstoord, het woon- en leefklimaat zeer ernstig is aangetast en dat [appellant 1] als exploitant verantwoordelijk is voor de gang van zaken en afdoende maatregelen dient te treffen om te voorkomen dat dergelijke activiteiten plaatsvinden. Anders dan [X c.s.] meent, heeft de rechtbank bij vonnis van 18 april 2016 de sluiting in stand gehouden en zag de herroeping van het besluit alleen op de intrekking van de exploitatievergunning, de Drank- en Horecawetvergunning en de vergunning voor de aanwezige kansspelautomaten. De rechtbank heeft immers in rechtsoverweging 6 van voornoemd vonnis overwogen dat de burgemeester heeft mogen bevelen de horeca-inrichting voor twaalf maanden te sluiten. De gemeente c.s. mocht derhalve enkel op basis van het besluit van de burgemeester de huurovereenkomst met betrekking tot de horecaruimte buitengerechtelijk ontbinden.

Voor zover in de grief besloten ligt dat de gemeente c.s. misbruik maakt van zijn (civielrechtelijke) bevoegdheid om ontbinding te vorderen, faalt dit betoog eveneens. Een huurder die in de hem ter beschikking gestelde horecaruimte soft drugs verhandelt, terwijl daarmee de openbare orde en het woon- en leefklimaat op ernstige wijze zijn aangetast gedraagt zich niet als een goed huurder. Onder deze omstandigheden is van misbruik van bevoegdheid geen sprake. Evenmin kan gezegd worden dat de ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

8. De vijfde grief is gericht tegen de overweging dat niet in geschil is dat de huurder van de woonruimte, [appellant 1] , de woning niet zelf bewoont maar aan zijn zoon in gebruik heeft gegeven. Volgens [appellant 1] was hij vanaf 21 oktober 2015 (weer) woonachtig op het adres [adres 2] . Deze stelling is door de gemeente c.s. betwist en door [X c.s.] niet nader met stukken onderbouwd. Daarbij komt voorts dat vast staat dat [appellant 1] vóór 21 oktober 2015 de woning in strijd met art. 1.3 van de algemene bepalingen behorende bij de huurovereenkomst zonder toestemming van de verhuurder aan zijn zoon in gebruik heeft gegeven, hetgeen een toerekenbare tekortkoming oplevert. Ook als veronderstellenderwijs van de juistheid van deze stelling moet worden uitgegaan kan het [appellant 1] daarom niet baten omdat een tekortkoming in het verleden niet ongedaan kan worden gemaakt door nakoming in het heden. Dat de gemeente c.s. van het gebruik door de zoon op de hoogte was, betekent, ook indien juist, nog niet dat er toestemming is gegeven zodat dit de tekortkoming niet wegneemt. Aan bewijslevering (zoals door [X c.s.] aangeboden in de toelichting op grief 7) komt het hof daarom niet toe. De grief faalt derhalve.

9. De zesde grief richt zich tegen de overweging dat vanuit de woonruimte in softdrugs is gehandeld en dat de woonruimte is gebruikt als opslagruimte voor softdrugs. Volgens [X c.s.] blijkt uit de bestuurlijke rapportage van 9 juni 2015 noch uit het primaire besluit van de burgemeester van 9 juni 2015 van deze bevindingen. De vondst van drugsparafernalia door de politie rechtvaardigt niet de conclusie omtrent handel in en opslag van softdrugs.

Het hof overweegt als volgt. Uit de ‘rapportage onderzoek [het Theehuis] ’ (productie 13 bij conclusie van antwoord) volgt dat op 1 april 2015 door twee mannen [het Theehuis] werd aangewezen aan verbalisant [verbalisant 1] als de plek waar wiet en hasj kon worden gehaald. Op dezelfde dag werd aan verbalisant [verbalisant 2] op zijn vraag waar hij de beste coffeeshop kon vinden, geantwoord dat hij de beste hasj bij [het Theehuis] kon krijgen. Voorts volgt uit voornoemde rapportage dat op 2 april 2015 verbalisant [verbalisant 1] heeft gezien dat tussen 16.00 uur en 16.45 uur 16 personen korte bezoekjes brachten aan [het Theehuis] , dat twee mannen de woning naast het theehuis binnen gingen en na enkele minuten weer naar buiten kwamen met een transparant tasje in hun handen en vervolgens naar binnen gingen in het theehuis. Ook op 29 mei 2015 is gezien dat een persoon vanuit de woning veelvuldig de horecaruimte in- en uitloopt. Het hof is van oordeel dat deze bevindingen in combinatie met het aantreffen van de drugsparafernalia voldoende zijn om te concluderen dat vanuit de woonruimte in softdrugs is gehandeld en dat deze is gebruikt als opslagruimte. De stelling van [X c.s.] dat de drugsparafernalia overblijfselen waren van de exploitatie van de horecaruimte als coffeeshop (voor 2002) acht het hof gelet op het tijdsverloop en de plaats waar deze goederen zijn aangetroffen (woonkamer en keuken) niet geloofwaardig. De grief kan daarom niet slagen.

10. Volgens de zevende grief heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat de gedragingen in onderling verband bezien van dien aard zijn dat zij de ontbinding van de huurovereenkomst (woonruimte) en ontruiming rechtvaardigen.

Ook deze grief faalt. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de hiervoor in grief 5 en 6 besproken tekortkomingen de ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte rechtvaardigen. De tekortkomingen zijn niet gering en ook niet van bijzondere aard. De stelplicht en bewijslast dat de tekortkomingen geen ontbinding rechtvaardigen, rust overigens op [X c.s.] Het betoog van [X c.s.] dat ontbinding en ontruiming van de woonruimte gelet op art. 8 EVRM niet proportioneel is en dat de gemeente c.s. misbruik maakt van bevoegdheid/recht, faalt eveneens. De gemeente c.s. heeft er immers belang bij om op te treden tegen softdrugs gerelateerde activiteiten vanuit aan de huurder ter beschikking gestelde woonruimte. Daarbij moet worden opgemerkt dat het niet gaat om een enkel incident maar om een jarenlange praktijk. Voorts heeft een verhuurder er belang bij zicht te hebben op de persoon/personen die zijn woonruimte gebruikt/gebruikten. Tegenover deze belangen weegt het enkele feit dat vader en zoon op straat zijn komen te staan, hetgeen overigens door de gemeente c.s. gemotiveerd is betwist, niet op.

11. De achtste tot en met de twaalfde grief bouwen op de voorgaande grieven voort en delen derhalve hun lot. Het bewijsaanbod van [X c.s.] dient als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet terzake dienende – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven - te worden gepasseerd.

12. Nu alle grieven falen zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [X c.s.] zal worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals door de gemeente c.s. is gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton, van 18 mei 2016 (zoals verbeterd bij vonnis van 22 juni 2016);

- veroordeelt [X c.s.] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de gemeente c.s. tot op heden begroot op € 718 aan verschotten en € 894 aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.J. Ruijpers, E.J. van Sandick en T.G. Lautenbach en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.