Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3415

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
200.172.688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vereffening vof, verdeling schulden, vaststellingsovereenkomsten, uitleg, kwijting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6527
OR-Updates.nl 2018-0021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.172.688/01

Rolnummer rechtbank : C/10/444122/HA ZA 14-159

arrest van 12 december 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. I.B. Jansse te Rotterdam,

tegen

1 V.o.f. [naam vof],

gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente],

hierna te noemen: de VOF,

2 [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

3 [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

veelal [geïntimeerde 3] genoemd, daarom hierna te noemen: [geïntimeerde 3],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

hierna ook gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. A. Buth te Middelharnis.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 2 april 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van
7 januari 2015, door de rechtbank Rotterdam, Team haven en handel, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] elf grieven (waarvan twee genummerd 10) aangevoerd. Vervolgens hebben [geïntimeerden] bij memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties) deze grieven van [appellant] bestreden en een incidentele grief aangevoerd. [appellant] heeft de incidentele grief bestreden bij memorie van antwoord in incidenteel appel. Partijen hebben hun zaak op 13 december 2016 schriftelijk doen bepleiten door voornoemde advocaten. Vervolgens hebben [geïntimeerden] nog een akte uitlating productie genomen. Partijen hebben arrest gevraagd in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep.

Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1

[geïntimeerde 2], [geïntimeerde 3] en [appellant] [achternaam] zijn broers. Zij werkten jarenlang samen in de VOF.

1.2

Binnen de VOF werden verschillende bedrijven uitgeoefend. Iedere broer had zijn eigen werkterrein. [geïntimeerde 2] hield zich in de praktijk bezig met het melkveebedrijf/akkerbouwbedrijf, [geïntimeerde 3] met het loonwerk/de aannemerij en [appellant] met het fouragebedrijf.

1.3

Op enig moment hebben de broers besloten om de zakelijke samenwerking te beëindigen. [appellant] zou uit de VOF treden. Daartoe zou de firma worden ontbonden en gesplitst. De zakelijke ontvlechting is echter niet zonder problemen verlopen. Uiteindelijk hebben [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] enerzijds en [appellant] anderzijds, begeleid door hun adviseurs, in het kader van de ontvlechting een “overeenkomst verdeling vennootschap onder firma” gesloten. Deze overeenkomst is ondertekend op
22 oktober 2012 (hierna: de overeenkomst van 22 oktober 2012). Deze overeenkomst van 22 oktober 2012 vermeldt onder meer het volgende:

B. Overname aandeel in het vermogen van de VOF en levering onroerende zaken

(…)

2. De ondergetekenden zijn overeengekomen dat de VOF wordt gesplitst en per 1 juli 2012 wordt verdeeld en wordt toegedeeld als volgt:
Aan [appellant] wordt toegedeeld:

dat deel van de onderneming dat kan worden toegerekend aan de fouragehandel, waaronder alle machines en installaties zoals weergegeven op de aan deze overeenkomst te hechten lijst, onder de verplichting om de daarbij behorende schulden, waaronder de lease van de machines, een en ander zoals op de aan deze overeenkomst gehechte (…) lijst, voor zijn rekening te nemen. (…)

Aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tezamen wordt toegedeeld:
dat deel van de onderneming dat kan worden toegerekend aan het veehouders- en landbouwbedrijf en het aannemingsbedrijf. Hieronder wordt verstaan het gehele vermogen van de VOF, met uitzondering van hetgeen aan [appellant] wordt toegedeeld.
Alle schulden van de VOF komen voor rekening van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tezamen, met uitzondering van die schulden, waarvan is bepaald dat die voor rekening van [appellant] komen. Alle debiteuren en crediteuren per 1 juli 2012 worden aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] toegedeeld en zijn op bijlagen aan deze overeenkomst weergegeven.(…)
Op het moment van ondertekening van de onderhavige overeenkomst onbekende crediteuren of op de aan deze overeenkomst gehechte lijst niet vermelde crediteuren van de VOF zijn geheel voor rekening van [appellant], tenzij [appellant] kan aantonen dat de schuld behoort bij het veehouders- en landbouwbedrijf en/of aannemingsbedrijf. In dat geval is de schuld voor de onderneming waar de schuld betrekking op heeft. (…)

Na 1 juli 2012 ontvangen of betaalde posten die bij de onderneming van de andere partij horen, zullen zo spoedig mogelijk door partijen worden verrekend. De daaruit voortvloeiende verschuldigde bedragen moeten uiterlijk binnen 1 maand na passeren notariële akte worden voldaan.
(…)

3. De onderneming zal met ingang van 1 juli 2012, voor wat betreft de fouragehandel zoals hiervoor vermeld, geheel voor eigen rekening en risico door [appellant] worden voortgezet. De onderneming zal met ingang van 1 juli 2012 voor wat betreft het veehouders- en landbouw bedrijf en het aannemingsbedrijf geheel voor eigen rekening en risico door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] worden voortgezet.
(…)

10. Alle duurovereenkomsten, zoals pachtovereenkomsten, huurovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten en overige duurovereenkomsten (bijvoorbeeld ter zake van de automatisering), die met betrekking tot de aan [appellant] toegedeelde fouragehandel zijn gesloten, zoals die zijn weergegeven op de lijst die aan deze overeenkomst is gehecht, zullen door [appellant] met ingang van 1 juli 2012 worden voortgezet. Alle duurovereenkomsten die door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] worden voortgezet, zijn eveneens op de aan deze overeenkomst gehechte lijst weergegeven.

(…)

C. Overbedeling/betaling

1. (…)
Op basis van deze uitgangspunten is door het Accountskantoor [accountantskantoor 1] een voorlopige splitsingsbalans opgesteld. Uit deze splitsingsbalans blijkt welk bedrag wegens de bovenstaande verdeling wegens over/onderbedeling zal dienen te worden betaald. Partijen zijn overeengekomen niet op de uitkomst van de daarna op te stellen definitieve splitsingsbalans te wachten. (…)

D. Kwijting en vrijwaring

1. Partijen doen bij de akte van verdeling of levering afstand van het recht om op grond van enige bepaling van het Burgerlijk Wetboek ontbinding of vernietiging van deze overeenkomst te vorderen, waaronder mede begrepen afstand van het recht op vernietiging wegens dwaling omtrent de waarde van de in deze overeenkomst betrokken goederen. Het toegedeelde aandeel wordt door partijen te zijnen bate of schade aanvaard.

2. De verkrijger vrijwaart de vervreemder voor aanspraken ter zake van schulden, die hij krachtens deze overeenkomst voor zijn rekening neemt.

(…)

I. Partijen

Door ondertekening van deze overeenkomst geven partijen aan dat zij zich in de onderhandelingen betreffende de verdeling en splitsing van de firma hebben laten bijstaan door deskundige adviseurs en dat zij weloverwogen en met voldoende tijd hun oordeel over de uitkomst van de onderhandelingen hebben kunnen vormen.”

1.4

Na het sluiten van deze overeenkomst bleken er nog geschilpunten te bestaan. Ter oplossing daarvan hebben de broers enkele maanden later een “Aanvullende overeenkomst” gesloten (hierna: de aanvullende overeenkomst). Deze is ondertekend op 22 januari 2013. De broers beoogden met het sluiten van deze overeenkomsten tot een finale afwikkeling te komen. De aanvullende overeenkomst vermeldt onder meer het volgende:

“Partijen hebben onenigheid ten aanzien van de overeenkomst verdeling vennootschap onder firma, getekend op 22 oktober 2012;

Partijen hebben overleg gevoerd op 18 januari over de ontstane situatie;

Naar aanleiding van dit overleg is er een compromisvoorstel tot stand gekomen, welk compromis voorstel een definitief akkoord behelst voor zowel:

(…)

3. De toedeling van de crediteuren en de debiteuren van de fourage, openstaand per 30/6/2012;

-De per 30 juni 2012 openstaande debiteuren van de Fourage groot € 54.834 (zie de afrekening van [accountantskantoor 1]) worden aan [appellant] toegedeeld;

-De per 30 juni 2012 openstaande crediteuren ten bedrage van € 91.698,26 (voor zover opgenomen in de bijlage aan de overeenkomst van 22 oktober) worden - voor zover deze nog niet door [appellant] zijn betaald - aan [geïntimeerde 2]/[geïntimeerde 3] toegedeeld. Voor het overige blijft de regeling tav crediteuren van kracht zoals deze is opgenomen in de overeenkomst van 22 oktober 2012. [geïntimeerde 3]/[geïntimeerde 2] betalen deze crediteuren zo spoedig mogelijk.

(…)

4. Afwikkeling van de betalingen naar aanleiding van de d.d. 22 oktober 2012 tussen partijen gesloten overeenkomst;

(…)

5. Afwikkeling van de na 1 juli 2012 ontvangen of betaalde posten die bij de onderneming van de andere partij behoren en zijn ontstaan voor 30 juni 2012;

-Na 1 juli 2012 ontvangen of betaalde posten die bij de onderneming van de andere partij horen, voor zover niet reeds verrekend volgens bijgevoegd overzicht, zullen zo spoedig mogelijk door partijen worden verrekend.

Komen het volgende overeen:

1. Partijen rekenen af zoals hiervoor onder 3 tot en met 5 vermeld en zoals op de aan deze overeenkomst gehechte afrekening is opgenomen. Deze verrekening is definitief. Er zullen geen verrekeningen meer kunnen worden verlangd.
(…)

6. Uitgangspunt voor de definitieve/finale afrekening tussen partijen is de door [accountantskantoor 1] opgestelde afrekening die aan deze overeenkomst is gehecht.

7. [appellant] garandeert dat er geen andere crediteuren zijn dan aan [geïntimeerde 2]/[geïntimeerde 3] opgegeven en zoals is weergegeven op de lijst van openstaande crediteuren per 30/06/2012 die aan deze overeenkomst is gehecht.

8. Dit compromis behelst een finale afspraak met betrekking tot zowel de verdeling van de firma. Partijen geven bij acceptatie en uitvoering van dit compromis over en weer volledige kwijting voor zowel de verdeling van de firma. Ieder van partijen aanvaardt de verdeling te zijnen bate of schade.

9. Voor zover in dit compromis daar niet uitdrukkelijk van wordt afgeweken blijven de bepalingen van de overeenkomst van 22 oktober 2012 ongewijzigd van kracht.”

1.5

Op verzoek van de adviseur en schoonvader van [appellant], de heer [naam] (hierna: [schoonvader appellant]) is als bijlage bij de aanvullende overeenkomst het e-mailbericht van
22 januari 2013 gevoegd van drs. [naam] van [accountantskantoor 2]. De print van dit e-mailbericht is door partijen getekend. Dit e-mailbericht luidt onder meer als volgt:

“De inhoud van het compromis is dat alle posten die op de balans van de firma per 30 juni 2012 staan, daaronder begrepen zowel de crediteuren als de overlopende posten, voor rekening komen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3]. Hiervan zijn alleen uitgezonderd de posten waarvan [appellant], in het compromis, aangeeft dat hij ze heeft betaald (bedrag € 32.325,82). Als er nog crediteuren opduiken van de firma, die niet op de balans per 30 juni 2012 zijn opgenomen, zijn ze als het crediteuren van de aannemerij, of van het melkveehouderijbedrijf zijn, voor rekening van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3]. Zijn het crediteuren van de Foerage, dan komen ze voor rekening van [appellant].”

1.6

Geïntimeerden hebben in eerste aanleg in conventie gevorderd, voor zover in hoger beroep nog van belang, dat [appellant] wordt veroordeeld aan hen te betalen een bedrag van € 22.367,70 ter zake van (i) facturen van schuldeisers van het fouragebedrijf, met wettelijke rente en (ii) boetes opgelegd door de Belastingdienst aangaande een vrachtwagen van het fouragebedrijf, met (iii) veroordeling in de proceskosten.

1.7

[appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd:

1. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 3] onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld door een valse handtekening te plaatsen op de overeenkomst met Autobedrijf [naam autobedrijf], en hen te veroordelen in de door [appellant] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat;

2. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 3] onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld door de betalingen aan ING Lease te storneren, en hen te veroordelen in de door [appellant] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat;

3. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 3] onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld door een valse handtekening te plaatsen op de overeenkomst met CNH Capital, en hen te veroordelen in de door [appellant] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat;

4. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 3] onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld, althans toerekenbaar tekort zijn gekomen in de nakoming van de overeenkomst van 22 oktober 2012 door crediteur [naam crediteur 1] en [naam crediteur 2] onbetaald te laten en hen te veroordelen in de door [appellant] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat;

5. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] te veroordelen om aan [appellant] binnen één week na betekening van het in deze te wijzen vonnis volledige inzage, afschrift of uittreksel te verschaffen in de boekhouding van de VOF zoals deze is gevoerd over de periode van 1 januari 2004 tot 1 juli 2012, op straffe van een dwangsom;

6. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] te veroordelen aan [appellant] een bedrag te voldoen van
€ 2.685,87, te vermeerderen met wettelijke rente, ter zake van een levering van kunstmest;

7. [geïntimeerde 3] te veroordelen om aan [appellant] een bedrag te voldoen van € 4.814,13, te vermeerderen met wettelijke rente, ter zake van energienota’s;

8. geïntimeerden te veroordelen in de proceskosten.

1.8

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de in conventie genoemde vorderingen van geïntimeerden - na verrekening van een deel - toegewezen, in reconventie de vorderingen van [appellant] afgewezen en de proceskosten in conventie en reconventie gecompenseerd.

2. In principaal hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog (i) afwijzing van de vorderingen van geïntimeerden in eerste aanleg in conventie en (ii) toewijzing van zijn vorderingen in eerste aanleg in reconventie, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het geding.

3. In incidenteel hoger beroep vorderen geïntimeerden dat het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover de proceskosten zijn gecompenseerd en dat [appellant] alsnog wordt veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

4. De principale grief 1 richt zich tegen het oordeel in r.o. 4.4 van het eindvonnis dat de vordering ter zake van [naam crediteur 1] toewijsbaar is. Volgens [appellant] dateren de facturen van 31 juli 2012 en betreffen deze werkzaamheden van voor 1 juli 2012. Het gaat daarmee om zogenaamde overloopcrediteuren. Het was de bedoeling van partijen bij de totstandkoming van de aanvullende overeenkomst dat overloopcrediteuren ook voor rekening van geïntimeerden zouden komen. Deze facturen waren bij geïntimeerden bekend toen partijen op 22 januari 2013 de aanvullende overeenkomst sloten. Nu het bekende facturen zijn vallen deze onder de aan [appellant] verleende finale kwijting en kan hij niet tot betaling worden aangesproken, aldus nog steeds [appellant].

5. Het hof overweegt als volgt.

5.1

Geïntimeerden hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de (twee) facturen van [naam crediteur 1] het fouragebedrijf betreffen en niet zijn vermeld op de aan de overeenkomst van 22 oktober 2012 gehechte lijst van crediteuren per 30 juni 2012, zodat deze geheel voor rekening van [appellant] komen. Daarbij beroepen ze zich op
art. 2 van paragraaf B van de overeenkomst van 22 oktober 2012, alsmede de considerans onder 5 en art. 7 van de aanvullende overeenkomst. [appellant] bestrijdt de door geïntimeerden verdedigde lezing van genoemde overeenkomsten.

5.2

Het geschil spitst zich aldus toe op de uitleg van de overeenkomst van
22 oktober 2012 en de aanvullende overeenkomst, op het punt van de toedeling van schulden.

5.3

Voor de uitleg is van belang dat (i) deze overeenkomsten ertoe strekken om vast te leggen hoe de bestaande samenwerking tussen partijen eindigt, (ii) waarbij deze overeenkomsten tot stand zijn gekomen na onderhandelingen, (iii) tussen gelijkwaardige partijen die zich (iv) allen hebben doen bijstaan door deskundige professionele adviseurs. Dit laatste is in paragraaf I van de overeenkomst van
22 oktober 2012 expliciet verwoord, terwijl gesteld noch gebleken is dat dit voor de aanvullende overeenkomst niet zou opgaan. Dit alles tezamen is reden om aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen van deze overeenkomsten groot gewicht toe te kennen (vgl HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178 en
HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4909). Dat neemt niet weg dat de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomsten moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, r.o. 3.4.3).

5.4

In art. 2 van paragraaf B van de overeenkomst van 22 oktober 2012 is bepaald dat alle schulden van de VOF voor rekening komen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tezamen, met uitzondering van die schulden, waarvan is bepaald dat die voor rekening van [appellant] komen. Deze afspraak is daar nader gespecificeerd: “Alle debiteuren en crediteuren per 1 juli 2012 worden aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] toegedeeld en zijn op bijlagen aan deze overeenkomst weergegeven.” Daarmee is de toedeling van schulden aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] in beginsel beperkt tot die als op bedoelde bijlage weergegeven.

5.5

Het gaat daarbij om toedeling van schulden en niet om het toedelen van crediteuren, zoals door [appellant] in eerste aanleg is gesteld. Deze stelling van [appellant] is door de rechtbank in r.o. 4.8 van het eindvonnis verworpen. Het hof verenigt zich met dit oordeel en de gronden waarop het berust en maakt deze tot de zijne. Wat [appellant] daartegen in principaal hoger beroep aanvoert werpt geen relevant ander licht op dit punt en leidt niet tot een ander oordeel.

5.6

Voorts is in genoemde bepaling de toerekening van schulden aan [appellant] geregeld en daarmee afgebakend van de schulden die aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] moeten worden toegerekend. Eerst is bepaald dat de niet op genoemde lijst/bijlage vermelde schulden in beginsel voor rekening van [appellant] zijn, maar dat dit uitzondering lijdt indien: “ kan aantonen dat de schuld behoort bij het veehouders- en landbouwbedrijf en/of aannemingsbedrijf.” In dat laatste geval komt de schuld alsnog voor rekening van [geïntimeerde 2] of [geïntimeerde 3].

5.7

[appellant] stelt dat ook de op 22 oktober 2012 bekende schulden, ook als deze niet op de lijst/bijlage staan vermeld, voor rekening van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] komen. Dat leest hij in de strofe: “Op het moment van ondertekening van de onderhavige overeenkomst onbekende crediteuren of op de aan deze overeenkomst gehechte lijst niet vermelde crediteuren van de VOF zijn geheel voor rekening van [appellant]”. Het hof volgt deze lezing niet. Voor deze lezing is nodig dat de toerekening van “onbekende crediteuren” aan [appellant] omgekeerd betekent dat wel bekende schulden aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] worden toegedeeld. Dit is in de tekst van de overeenkomst van 22 oktober 2012 echter niet te lezen. Deze lezing strijdt met de duidelijke afbakening/precisering van de toerekening van schulden aan [appellants] broers tot die vermeld op genoemde lijst/bijlage.

5.8

Deze afbakening is ook in de aanvullende overeenkomst te vinden. Zo is in de considerans sub 3, tweede bullet van deze overeenkomst bepaald dat een aantal op eerder genoemde bijlage/lijst genoemde schulden aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] worden toegedeeld, en “[v]oor het overige blijft de regeling tav crediteuren van kracht zoals deze is opgenomen in de overeenkomst van 22 oktober 2012”. Daar komt bij dat in art. 7 van deze overeenkomst is bepaald dat “[appellant] garandeert dat er geen andere crediteuren zijn dan aan [geïntimeerde 2]/[geïntimeerde 3] opgegeven en zoals is weergegeven op de lijst van openstaande crediteuren per 30/06/2012 die aan deze overeenkomst is gehecht.” Van belang op dit punt is dat in het e-mailbericht van 22 januari 2013 van [accountantskantoor 2] – een bijlage van de aanvullende overeenkomst - is toegelicht dat de voorlopige splitsingsbalans op 30 juni 2012 tot uitgangspunt is genomen bij de toedeling van schulden (zie r.o. 1.5). Deze splitsingsbalans is destijds opgemaakt op basis van de toen bekende vermogenstoestand van de VOF en na die datum opgekomen schulden zijn daar niet in verwerkt. Voor deze nagekomen schulden geldt: deze komen als [het]crediteuren van de aannemerij, of melkveehouderijbedrijf zijn, voor rekening van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3]. Zijn het crediteuren van de Fourage, dan komen ze voor rekening van [appellant].”

5.9

[appellant] stelt dat het in de lezing van de afspraken door geïntimeerden mogelijk is dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] schulden verzwijgen en er daardoor voor kunnen zorgen dat deze voor zijn rekening komen. Volgens [appellant] is dat onaanvaardbaar en zou door hem nooit zijn geaccepteerd. Kennelijk beoogt [appellant] te stellen dat de lezing van geïntimeerden tot niet aannemelijke rechtsgevolgen leidt. Dat is onvoldoende onderbouwd. Zo is niet onderbouwd waarom het onaanvaardbaar is dat [appellant] zou worden gehouden om na
30 juni 2012 opgekomen schulden van het fouragebedrijf voor zijn rekening te nemen. Daar komt bij dat [appellant] er eenvoudigweg zelf voor had kunnen zorgen dat de ook hem “bekende schulden” op de lijst van de aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] toe te delen schulden werden vermeld.

5.10

Bij deze stand van zaken is het hof op voorhand – en daarmee voorlopig – van oordeel dat partijen zijn overeengekomen dat de facturen die zien op het fouragebedrijf en die niet op genoemde lijst/bijlage staan voor rekening van [appellant] komen. [appellant] zal in staat worden gesteld tegenbewijs te leveren, als hierna bepaald. Door [appellant] is gesteld dat partijen bij de totstandkoming van de aanvullende overeenkomst de bedoeling hadden dat overloopcrediteuren ook voor rekening van geïntimeerden zouden komen, dat [appellant] niets meer zou betalen en dat hem (ook voor de onbekende crediteuren van het fouragebedrijf) kwijting is verleend. [appellant] heeft van deze stellingen (getuigen)bewijs aangeboden. Deze stellingen kan [appellant] desgewenst betrekken bij het leveren van tegenbewijs.

6. Bij de principale grieven 2, 3, 4 en 8 speelt dezelfde uitlegvraag als die bij de principale grief 1 speelt. Bij de principale grief 4 heeft [appellant] voorts aangevoerd dat hij ervan uit mocht gaan dat de regeling van de verdeling van schulden uitsluitend zag op handelscrediteuren en niet op vorderingen van werknemers. Deze laatste vorderingen dienen volgens [appellant] evenredig door de broers te worden betaald. Naar het oordeel van het hof is voor de uitleg van [appellant] in de tekst van de overeenkomsten noch anderszins aanknoping te vinden. Het is daarom voorlopig van oordeel dat partijen zijn overeengekomen dat alle schulden in de afrekening en deling zijn betrokken. [appellant] zal in staat worden gesteld ook op dit punt tegenbewijs te leveren, als hierna bepaald.

7. Het hof ziet aanleiding vervolgens de principale grief 5 te behandelen.

8. De principale grief 5 luidt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de stukken die [appellant] op 17 november 2014 aan de rechtbank heeft gestuurd. Zekerheidshalve brengt [appellant] deze stukken nogmaals in het geding.

9. Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank heeft blijkens het proces-verbaal van comparitie de producties 8 t/m 12 als processtukken geaccepteerd, maar deze niet vermeld in haar opsomming in r.o. 1.1. In het aan het hof overgelegde kopie-procesdossier bevinden zich geen kopieën van producties 8 t/m 12 in eerste aanleg. Nu [appellant] dezelfde stukken in appel opnieuw, als productie 12 bij memorie van grieven, in het geding gebracht heeft, beschikt het hof daar alsnog over. De grief faalt derhalve bij gebrek aan belang.

10. De principale grief 6 richt zich tegen het afwijzen van de vorderingen met betrekking tot de schade voortvloeiend uit de gestelde vervalste handtekeningen. Volgens [appellant] hebben [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] erkend dat zij de handtekening van [appellant] op een leasecontract voor een Renault bedrijfsauto hebben vervalst. Ook op een kredietovereenkomst met CNH Capital hebben [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] de handtekening van [appellant] vervalst. Reeds daarom liggen de gevorderde verklaringen voor recht voor toewijzing gereed. Door deze valse handtekeningen kreeg [appellant] een BKR-notering en kon daarom geen krediet krijgen voor zijn bedrijfsvoering waardoor hij schade heeft geleden, aldus nog steeds [appellant].

10. Het hof stelt voorop dat indien een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, zoals in onderhavig geval, de rechter ervan uit dient te gaan dat de eiser daarbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is (HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760, r.o. 4.1.2). In dit geding is niet aannemelijk dat [appellant] schade heeft geleden als gevolg van de vervalste handtekeningen. De betreffende overeenkomsten met Renault en CNH Capital zijn leaseovereenkomsten. In r.o. 4.36 van het eindvonnis is geoordeeld dat [appellant] zijn stelling dat een of meer leasetermijnen niet zijn voldaan, na gemotiveerde betwisting daarvan, niet heeft gehandhaafd. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen. Bovendien blijkt uit de als productie 12 in hoger beroep overgelegde BKR-stukken inderdaad niet van een zogenaamde negatieve (of A-) melding wegens achterstand ter zake van deze twee leaseovereenkomsten. De CNH Capital leaseovereenkomst had, anders dan [appellant] gesteld heeft, niet geleid tot een BKR-registratie op naam van [appellant]. Bij gebreke van een dergelijke, zogenaamde positieve BKR-melding kan de valse handtekening onder de CNH leaseovereenkomst niet tot de door [appellant] beweerde schade geleid hebben. [appellant] heeft geponeerd dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de registratie op zijn naam van de Renault-leaseovereenkomst, namelijk omdat ten gevolge van dat krediet zijn totale geregistreerde schuldenlast als te hoog aangemerkt zou zijn, maar [appellant] heeft dit niet onderbouwd. Uit de als productie 17 overgelegde
e-mail van het Hypotheek Advies Centrum van 10 maart 2014, waarin de e-mail van 10 oktober 2013 wordt verduidelijkt, komt integendeel naar voren dat het uitsluitend de terecht ten name van [appellant] geregistreerde (door hem ondertekende) ING leaseovereenkomst ter zake de tractor (zie hierna r.o. 14 e.v.) ten bedrage van € 129.085,-, is geweest waarvan geoordeeld werd dat deze aan extra financiering in de weg stond. Niet is onderbouwd dat het Renault krediet in dit verband ook van betekenis werd geoordeeld. Immers, het Renault krediet (€ 18.406,--) is in de e-mail van 10 oktober 2013 wel genoemd, naast dat van de tractor (€ 129.085,--), maar wordt in de e-mail van 10 maart 2014 niet genoemd als belemmering voor extra financiering. Het in algemene termen geformuleerde bewijsaanbod (pleitnotities sub 22) wordt verworpen.

10. Het enkele feit dat er vervalste handtekeningen zijn gezet maakt niet dat er voldoende belang is bij de gevorderde verklaringen voor recht. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of [appellant] nu wel of niet instemde met het zetten van zijn handtekening en of deze handelwijze paste in de normale bedrijfsvoering van de VOF.

10. Uit het voorgaande volgt dat de principale grief 6 faalt.

10. Met de principale grief 7 betoogt [appellant] dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ten onrechte betalingen aan ING Lease, die betrekking hebben op een door hem geleasede tractor, op
3 september 2012 hebben gestorneerd. Daardoor heeft hij op 4 november 2012 een
A-melding bij het BKR gekregen, die pas in december 2012 is hersteld. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] hebben hem over de storneringen en aanmaningen niet geïnformeerd. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] waren extern richting ING Lease gehouden de leasetermijnen te betalen en hadden dat moeten doen om deze vervolgens met [appellant] te verrekenen. De handelwijze van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] was enkel bedoeld om [appellant] dwars te zitten. Door de BKR-melding kon [appellant] geen krediet meer krijgen. Daardoor heeft hij aanzienlijke schade geleden, aldus nog steeds [appellant].

10. Het hof verwerpt de stelling dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] toerekenbaar jegens [appellant] tekort zijn geschoten dan wel onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door de betalingen aan ING Lease te storneren.

15.1.

De door [appellant] geleasede tractor was bestemd voor zijn fouragebedrijf en de leasetermijnen waren ook na 30 juni 2012 aan ING Lease verschuldigd. Het is dan in de verhouding tot [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] primair de eigen verplichting en zorg van [appellant] om er op toe te zien dat die doorlopende leasetermijnen steeds tijdig worden betaald. Dat ook [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] jegens ING Lease tot betaling gehouden waren maakt dit niet anders. Daar komt bij dat [appellant] aan de hand van internetbankieren kon zien of ING Lease al dan niet betaald werd. Voorts heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat hij het ertoe had geleid dat de post van ING Lease niet langer naar zijn eigen adres maar naar dat van de VOF werd gestuurd.

15.2.

[geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] hebben voorts gesteld dat van hen niet langer kon worden verwacht de leasetermijnen te blijven voorschieten om daarna met [appellant] te verrekenen, omdat [appellant] de inkomsten uit de fouragehandel niet meer via de bankrekening van de VOF liet lopen, maar naar een bankrekening van [naam fouragebedrijf] liet vloeien en zij daardoor in liquiditeitsproblemen kwamen (memorie van antwoord sub 5.84 en 5.85). Deze wisseling van de geldstroom en de daardoor ontstane liquiditeitsproblemen zijn door [appellant] niet voldoende gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof mocht daarom redelijkerwijs niet van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] worden verwacht door te gaan met het betalen van de leasetermijnen. Dat zij de reeds gedane betalingen op enig moment hebben gestorneerd is geen toerekenbare tekortkoming of onrechtmatig jegens [appellant]. Het hierover niet expliciet communiceren met [appellant] evenmin, nu deze als gezegd zelf moest en kon toezien op het voldoen aan de verplichtingen jegens ING Lease.

15.3.

Bij deze stand van zaken is verder niet relevant of [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] door de stornering (ook) de bedoeling hadden om [appellant] “dwars te zitten”. Het daarop gerichte bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.

16. Overigens en ten overvloede, voor toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht is vereist dat aannemelijk is dat [appellant] door de gewraakte handelwijze van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] schade heeft geleden (zie r.o. 11). [appellant] stelt dat het storneren van de betalingen aan ING Lease hem een negatieve BKR-melding heeft opgeleverd die tot gevolg had dat hij geen krediet meer kon krijgen. Dit is onvoldoende onderbouwd.

16. Uit het voorgaande volgt dat de principale grief 7 faalt.

16. Met de principale grief 9 komt [appellant] op tegen het afwijzen van zijn vordering tot inzage over de volledige boekhouding van de VOF over de periode van 1 januari 2004 tot 1 juli 2012, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Volgens [appellant] heeft hij daarbij een voldoende concreet belang. [appellant] heeft bijvoorbeeld belang om toezending van de contracten ter zake van melkquota omdat hij vreest dat ook hierop zijn vervalste handtekening staat. Er is aanleiding te veronderstellen dat inzage meer onjuiste en niet acceptabele gedragingen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] aan het licht zal brengen. Met de inzage kan [appellant] ook nog berekenen op welk bedrag hij nog recht heeft ter zake van omzetbelasting. Ondanks het vonnis van de rechtbank heeft [appellant] of de heer [schoonvader appellant] nog steeds geen inzage gekregen. De accountant van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] heeft gevraagd om betaling van een voorschot van € 1.815,-- voor het toezenden van digitale gegevens terwijl die eenvoudig voorhanden zouden moeten zijn. In de stukken die [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] thuis hebben wordt geen inzage gegeven omdat zij de heer [schoonvader appellant] geen toegang wensen te verlenen. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] mogen [appellant] niet belemmeren om [schoonvader appellant] mee te nemen, aldus nog steeds [appellant].

16. Het hof stelt voorop dat [appellant] als voormalig vennoot recht heeft op inzage in de boekhouding van de VOF. Het staat hem vrij daarbij gebruik te maken van zijn adviseur en schoonvader [schoonvader appellant]. Het hof zal de vordering van [appellant] niettemin afwijzen. Het hof is van oordeel dat de vordering tot inzage te onbepaald is, zodat, gezien de gepolariseerde verhouding tussen partijen voorzienbaar is dat het toewijzen van deze inzage op straffe van een dwangsom tot executieproblemen zal leiden. Daar komt bij dat onvoldoende is onderbouwd welk concreet belang is gediend met het aan het licht brengen van de door [appellant] vermoede misstanden, gezien het feit partijen elkaar bij de overeenkomst van 22 oktober 2012 en de aanvullende overeenkomst finale kwijting hebben verleend. Dit geldt ook voor de mogelijke aanspraak van [appellant] op teruggave omzetbelasting over het jaar 2011.

16. De bewijsaanbiedingen die [appellant] in het kader van deze grief heeft gedaan zijn daarom niet relevant en worden gepasseerd.

16. Dit betekent dat de principale grief 9 faalt.

16. Het voorgaande laat onverlet dat van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] wel mag worden verlangd al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om de inzage in de boekhouding door [appellant], al dan niet bijgestaan door de heer [schoonvader appellant], te realiseren. Het hof geeft partijen in overweging dit punt niet verder te laten escaleren. Desgewenst kan in een comparitie van partijen, direct aansluitend op de eventuele getuigenverhoren, aan de orde komen hoe deze inzage vorm kan worden gegeven.

16. Met de principale grief 10 komt [appellant] op tegen het afwijzen van zijn vordering tot vergoeding van schade doordat een factuur van schuldeiser [schuldeiser x] voor een derde deel, namelijk: € 2.685,87, voor zijn rekening is gekomen. De rechtbank heeft in r.o. 4.59 in het eindvonnis daarover geoordeeld:

“Ter zitting heeft de advocaat van [appellant] erkend dat dit geschilpunt al bestond voordat de aanvullende overeenkomst van 22 januari 2013 werd aangegaan en dat dit geschilpunt onderdeel uitmaakt van de toen afgesproken afwikkeling. Thans hoeft daar derhalve niet meer over te worden geoordeeld.”

24. [appellant] stelt dat hij na vermelde zitting bij [schoonvader appellant] navraag heeft gedaan en dat dit heeft geleerd dat dit geschilpunt op het moment “van de afwikkeling” nog niet bekend was. Het hof zal dit geschilpunt in principaal hoger beroep opnieuw beoordelen.

24. Volgens [appellant] zit het zo dat nadat de aanvullende overeenkomst was gesloten [schuldeiser x] telefonisch heeft verklaard dat haar door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] was verzocht op de factuur te vermelden dat de betreffende levering – deze had betrekking op kunstmest - in juni 2012 in plaats van in augustus 2012 (in de memorie van grieven schrijft [appellant] abusievelijk augustus 2012 in plaats van juni 2012, maar dat berust, gezien conclusie van eis in reconventie onder 48 op een evidente vergissing) had plaatsgevonden. In het laatste geval was de factuur voor rekening van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] gekomen. [appellant] stelt deze mededeling van [schuldeiser x] voor waar te houden.

24. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] kwalificeren dit als een valse beschuldiging. Voorts beroepen zij zich op de in de aanvullende overeenkomst overeengekomen kwijting, het geschilpunt heeft volgens hen onderdeel uitgemaakt van de toen afgesproken afwikkeling.

Het hof verwerpt dit standpunt van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3]. Daargelaten dat onduidelijk is of de finale kwijting in de aanvullende overeenkomst betrekking heeft op de afrekening met betrekking tot de factuur van [schuldeiser x] – gegeven dat het hier om een nagekomen factuur gaat lijkt het eerder een geval van afwikkeling op de voet van de daartoe onder de beide overeenkomsten overeengekomen regeling – komt hun daartoe geen beroep toe in geval van misleiding als gesteld. Voorts, dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] waar zij spreken van “dit geschilpunt” bedoelen dat de verdenking op
22 januari 2013 al ter tafel lag blijkt niet uit hun betoog. [appellant] wordt toegelaten tot het door hem aangeboden getuigenbewijs, als hierna bepaald. Het hof tekent daarbij ten overvloede aan dat het bewijsthema niet is of [schuldeiser x] aan [appellant] heeft meegedeeld als door hem gesteld maar of haar gestelde mededeling waarheid is.

28. Met de principale grief 11 – die per abuis als (tweede) grief 10 is aangeduid - komt [appellant] op tegen het afwijzen van zijn vordering tot betaling van energienota’s. Deze grief faalt. De rechtbank heeft in r.o. 4.63 van het eindvonnis geoordeeld dat het hier vorderingen betreft van [naam fouragebedrijf] en dat gesteld noch gebleken is dat deze aan hem zijn overgedragen dan wel dat hem een last ter incasso is verleend. [appellant] is tegen dit oordeel niet in hoger beroep opgekomen.

28. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

Beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep

Het hof:

  • -

    laat [appellant] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stellingen dat partijen zijn overeengekomen (1) dat de facturen die zien op het fouragebedrijf en die niet op de lijst/bijlage staan van de overeenkomst van
    22 oktober 2012 voor rekening van [appellant] komen en (2) dat ook schulden van niet-handelscrediteuren in de afrekening en deling zijn betrokken;

  • -

    laat [appellant] toe tot het leveren van bewijs van zijn stellingen (1) dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] [schuldeiser x] hebben verzocht op de factuur van [schuldeiser x] te vermelden dat de betreffende levering in juni 2012 in plaats van in augustus 2012 had plaatsgevonden en (2) dat de betreffende levering in augustus 2012 had plaatsgevonden;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, M.M. Olthof en M.H. van der Woude en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2017 in aanwezigheid van de griffier.