Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3412

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
22-002338-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verweer van de verdediging dat de verdachte onrechtmatig is aangehouden, waardoor de verbalisant niet gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was toen hij door de verdachte werd beledigd, wordt verworpen door het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002338-17

Parketnummer: 09-054623-17

Datum uitspraak: 3 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 23 mei 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1983,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 20 oktober 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 22 maart 2017 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten (de lus van) een veiligheidsvest van een verbalisant, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] en/of Politie (Eenheid Den Haag) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2:
hij op of omstreeks 22 maart 2017 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten (de ramen van) een ophoudkamer van politiebureau de Jan Hendrikstraat, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Politie (Eenheid Den Haag) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3:
hij op of omstreeks 22 maart 2017 te 's-Gravenhage opzettelijk een ambtenaar, [benadeelde partij 2], gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "Je moeder, je kankermoeder. Je kankerhoerenmoeder. Jouw kanker hoerenmoeder.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden aanvulling en verbetering aanbrengt.

Het hof wijzigt de tweede alinea op pagina 7 van het vonnis waarvan beroep (te weten van: ‘Op het moment’ tot en met: ‘hun bediening waren.’) als volgt:

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe – kort samengevat- aangevoerd dat de verdachte op 22 maart 2017 onrechtmatig is aangehouden, waardoor de verbalisant [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2]) niet gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was toen hij door de verdachte werd beledigd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2017 (PL1500-2017078912-5) blijkt dat de verdachte op 22 maart 2017 heengezonden zou worden, nadat hij de dag daarvoor was aangehouden ter zake van baldadigheid en openbare dronkenschap. De verbalisanten [verbalisant] en [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1]) hebben de verdachte vervolgens naar buiten begeleid, aangezien de verdachte weigerde zijn cel uit te komen. Toen voornoemde verbalisanten de verdachte buiten loslieten, kwam de verdachte teruglopen en greep hij verbalisant [benadeelde partij 1] vast bij zijn vest. Hierop werd de verdachte aangehouden door verbalisant [benadeelde partij 1] en overgebracht naar de ophoudkamer. Verbalisant [benadeelde partij 2] is voor de ophoudkamer gaan staan om de verdachte in de gaten te houden. Vervolgens hoorde verbalisant [benadeelde partij 2], terwijl de verdachte hem in de ogen aankeek, hem het volgende zeggen: “Je moeder, je kankermoeder. Je kankerhoerenmoeder. Jouw kankerhoerenmoeder.” Door die uitlatingen van de verdachte voelde verbalisant [benadeelde partij 2] zich in zijn goede naam en eer aangetast.

Gelet op voornoemde feitelijke gang van zaken is het hof van oordeel dat verbalisant [benadeelde partij 2], op het moment dat hij door de verdachte werd beledigd, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was, nu hij op het politiebureau werkzaam was en de verdachte na diens aanhouding in de gaten hield. Het onder 3 ten laste gelegde kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Dat de verdachte aanvankelijk alleen wegens verdenking van openbare dronkenschap en niet (tevens) wegens wederspannigheid is aangehouden – zoals door de raadsman naar voren is gebracht – doet daaraan niet af.

Het verweer wordt verworpen.

Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder aanvulling en verbetering van gronden te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. M.V. Lievers-Roza.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 november 2017.