Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3405

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
22-001867-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte wegens zware mishandeling tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uren. De verdachte heeft een kapot geslagen bierflesje op korte afstand en kennelijk - gelet op de aard van het letsel - met kracht in het gezicht van het slachtoffer gegooid. Het handelen van de verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is het hof niet gebleken. Verwerping van een niet aannemelijk geworden alternatief scenario. Vrijspraak voor poging doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001867-17

Parketnummer: 09-766040-16

Datum uitspraak: 21 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 april 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1994,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 7 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, deelname aan een gedragsinterventie en medewerking verlenen aan Slachtoffer in Beeld. Voorts is omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, beslist als nader vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 12 januari 2016 te Gerlos Oostenrijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een kapot geslagen bierflesje en/of bierglas, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in het lichaam en/of het oog en/of gezicht en/of hals van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 12 januari 2016 te Gerlos Oostenrijk aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een perforerende snijwond aan de linker oogbol en/of snijwonden aan het linker bovenste ooglid en oogspier en/of twee snijwonden aan de linkerwang, heeft toegebracht door meerdere malen, althans eenmaal met een kapot geslagen bierflesje en/of bierglas in/tegen het oog en/of het gezicht en/of hals van die [slachtoffer] te steken en/of te gooien.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de rechtbank opgelegd en een taakstraf 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte opzet heeft gehad – ook niet in voorwaardelijke zin – op de dood van het slachtoffer. De verdachte heeft vanaf een korte afstand met een kapot geslagen bierflesje aan het gezicht (de wang) en het oog van het slachtoffer letsel toegebracht. Nu er geen letsel is toegebracht op andere plaatsen van het lichaam, zoals de hals en ook niet is gebleken dat de verdachte de hals van het slachtoffer probeerde te raken, kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat de verwondingen zijn toegebracht in de buurt van een vitaal orgaan of de halsslagaders, noch dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Nu niet is gebleken dat de verdachte bewust de kans op de dood heeft aanvaard, zal het hof de verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op of omstreeks 12 januari 2016 te Gerlos Oostenrijk aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een perforerende snijwond aan de linker oogbol en/of snijwonden aan het linker bovenste ooglid en oogspier en/of twee snijwonden aan de linkerwang, heeft toegebracht door meerdere malen, althans eenmaal met een kapot geslagen bierflesje en/of bierglas in/tegen het oog en/of het gezicht en/of hals van die [slachtoffer] te steken en/of te gooien.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Gevoerd verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde, omdat – kort gezegd - de verdachte niet degene kan zijn geweest die de het slachtoffer heeft verwond zoals tenlastegelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ter onderbouwing van dit verweer heeft de verdediging als uitgangspunt genomen dat er op 12 januari 2016 in de [x] sprake is geweest van meerdere incidenten. Het hof ziet echter in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen enkel aanknopingspunt om dit uitgangspunt te volgen. In het dossier bevinden zich diverse getuigenverklaringen, ook van diverse beveiligers, maar geen enkele getuige heeft verklaard dat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden. Daar komt nog bij dat de aard van het door het slachtoffer opgelopen letsel past bij de handeling die de verdachte erkent te hebben verricht: het op een korte afstand met een kapot geslagen bierglas of -flesje in het gezicht van de ander gooien. Ook mist het door de verdediging geschetste scenario overtuigingskracht nu de verdachte pas ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij het bierflesje niet naar het slachtoffer, maar naar een andere (onbekend gebleven) persoon heeft gegooid, terwijl hij zich dat naar eigen zeggen al voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg realiseerde.

Op grond van het voorgaande beschouwt het hof het door en namens de verdachte in hoger beroep ingenomen standpunt dat er sprake is geweest van twee incidenten waarbij een persoon met glas in het gezicht is geraakt niet aannemelijk geworden.

Nadere bewijsoverweging

De verdachte heeft verklaard dat hij op 12 januari 2016 op enig moment zijn zelfbeheersing heeft verloren en dat er een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen hem en een man die hem kort daarvoor zou hebben uitgescholden. De verdachte heeft verklaard dat hij een bierglas of een bierfles kapot heeft geslagen en in het gezicht van die man heeft gegooid, waarbij diens wang is geraakt. De verdachte heeft ook verklaard dat hij die avond een wollen muts met het opschrift KTM droeg. Deze verklaring past bij hetgeen de getuige [getuige 1] heeft verklaard. [getuige 1] heeft verklaard over een man met een KTM-muts die er eerst met zijn vuisten op los sloeg en vervolgens een bierflesje stuk sloeg, waarmee hij snel in de richting van de ingang liep. Getuige [getuige 2] heeft onder meer verklaard dat de verdachte achter hem aanliep naar de wc van het ingangsgebied, dat hij daar die lui (het hof begrijpt uit het dossier: de groep vrienden van het slachtoffer) tegenkwam, dat de verdachte er ook bij kwam, dat hij zich heeft omgedraaid en dat hij kort daarna merkte dat er achter hem ruzie was ontstaan, waarna hij bij de trap die naar de toiletten leidt zag dat een man die aan zijn hoofd bloedde werd verzorgd door de beveiliging. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op de als bijlage 1 aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte plattegrond van de [x] aangegeven dat de trap naar de toiletten zich in de buurt van de hoofdingang bevindt. Het hof leidt dan ook uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting af dat het de verdachte is geweest die met een kapotgeslagen bierflesje het slachtoffer heeft verwond.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij op het moment dat hij het kapotte bierflesje in het gezicht gooide, op een korte afstand van het slachtoffer stond, te weten een afstand van 0,5 tot 1 meter. Gelet op de ernstige verwondingen die het slachtoffer heeft opgelopen - zoals blijkt uit het geneeskundig rapport van deskundige Pavlic - heeft de verdachte het kort daarvoor door hem stuk geslagen bierflesje kennelijk ook met kracht gegooid. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling. Het hiervoor beschreven handelen van de verdachte is immers naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is het hof niet gebleken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende en in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door een bierflesje kapot te slaan en deze in het oog en het gezicht van het slachtoffer te gooien. Het slachtoffer heeft veel pijn moeten doorstaan en zal zijn hele leven lang dagelijks met de ernstige gevolgen worden geconfronteerd. Zo heeft hij littekens in zijn gezicht opgelopen en is zijn gezichtsveld blijvend beperkt waardoor hij zijn ambitie als beroepsmilitair in het buitenland niet kan waarmaken.

Het hof heeft ten nadele van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 oktober 2017 waaruit blijkt dat de verdachte eerder – zij het enige tijd geleden – is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Daarnaast heeft het hof geconstateerd dat de verdachte, waar hij ten tijde van het verhoor op het politiebureau erkende verkeerd te hebben gehandeld en zijn spijt betuigde, in de loop van de procedure steeds minder blijk heeft gegeven van inzicht in zijn handelen. De ernst van het feit, de gevolgen hiervan voor het slachtoffer en de proceshouding van de verdachte rechtvaardigen zonder meer de oplegging van een gevangenisstraf.

Uit het reclasseringsrapport van 25 november 2016 blijkt anderzijds dat de verdachte beschikt over een steunend netwerk, waarbij zijn ouders een belangrijke rol spelen. Na het bewezenverklaarde feit heeft de verdachte zelf hulp gezocht bij GGZ Delfland en heeft hij zelfcontroletechnieken geleerd om nieuwe escalaties te voorkomen. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat zij tot een andere kwalificatie dan de rechtbank komt en houdt het hof rekening met het feit dat de verdachte nog relatief jong is.

Het hof is – alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf van de maximale duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof acht het hierbij van belang dat aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf bijzondere voorwaarden worden gesteld als door de reclassering word geadviseerd, teneinde het recidiverisico te verminderen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 23.388,40.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 23.388,40.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 11.050,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Materiële schade

De vordering tot vergoeding van de materiële schade bestaat uit reis- en parkeerkosten, alsmede kosten voor verpleging en verzorging en overige kosten (medicijnen apotheek, aanvraag CBR en keuring oogarts). Deze kosten zijn gemaakt door de moeder, althans de ouders van het slachtoffer.

Naar het oordeel van het hof moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de civielrechtelijke mogelijkheden tot schadevergoeding (voor de verplaatste schade is dit opgenomen in artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek) en anderzijds de beperkte mogelijkheden om die civielrechtelijke aanspraken binnen een strafrechtelijke procedure geldend te maken. Voor die laatste procedure gelden immers de criteria voor slachtofferschap van de artikelen 51a en verder van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat voor wat betreft de schade die de moeder (althans de ouders) voor zichzelf, als verplaatste schade, heeft gevorderd, niet aan de criteria van de artikelen 51a en verder van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dit betekent niet dat de verdachte niet aansprakelijk zou zijn voor de door de moeder (althans de ouders) in zoverre gestelde schade, maar dat het aan de burgerlijke rechter is om die aansprakelijkheid vast te stellen.

Het hof zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering derhalve niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van

€ 10.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 10.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, regio Zuid-West, Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de forensische polikliniek van Palier of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, teneinde zich te laten behandelen voor emotieregulatie en impulsbeheersing, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd deelneemt aan een gedragsinterventie, bestaande uit een preventiecursus alcohol en geweld, verzorgd door de reclassering of een andere instelling, waarbij de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens deze instelling aan hem worden gegeven.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan de aanmelding door de toezichthouder van de reclassering bij Slachtoffer in Beeld.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) bestaande uit immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) bestaande immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door mr. S. Verheijen,

mr. L.C. van Walree en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. M.M. Dijk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 november 2017.